Blaasinstillatie
Jaarlijks krijgen ongeveer 6.800 mensen in Nederland de diagnose blaaskanker. Veel van die zorgvragers hebben een ‘niet-spierinvasieve’ blaastumor. Deze zorgvragers krijgen gewoonlijk blaasinstillaties als nabehandeling. Via een katheter krijgen zij daarbij medicatie direct in de blaas toegediend. Ben je als (gespecialiseerd) verpleegkundige of verpleegkundig specialist betrokken bij de zorg rondom blaasinstillaties? Dan is aandacht voor veiligheid en hygiëne erg belangrijk, omdat het om gevaarlijke stoffen gaat. Zo kun je voorkomen dat jijzelf of anderen in de omgeving van de patiënt ermee in aanraking komen.
Deze richtlijn ondersteunt jou als zorgprofessional bij het veilig en hygiënisch uitvoeren van blaasinstillaties. Ook beschrijft de richtlijn wanneer een blaasinstillatie voor de zorgvrager niet veilig is (de contra-indicaties), en zijn er aanbevelingen in opgenomen voor het geven van goede voorlichting aan de zorgvrager. In onderstaande samenvatting vind je de aanbevelingen en belangrijkste aandachtspunten uit de richtlijn.
- er een reden is om de blaasinstillatie niet te geven, zoals een symptomatische urineweginfectie, een allergie of bij bloed in de urine (zie hier het overzicht met alle contra-indicaties);
- er een risico is dat de zorgverlener de blaasinstillatie niet lang genoeg zal kunnen ophouden (bijvoorbeeld als iemand incontinent is of plastabletten gebruikt);
- er een risico is dat resten van het medicijn worden verspreid, waardoor zorgverleners of naasten er onbedoeld mee in contact kunnen komen.
- het vermogen om urine op te houden en volledig uit te plassen, en eventuele incontinentieklachten;
- allergieën;
- recent voorgeschreven medicatie;
- thuiszorg.
- ervaringen na de vorige blaasinstillatie met Mitomycine C of BCG (je kunt hierbij ook vragen hoe lang de medicatie in de blaas is gebleven);
- gebruik van plastabletten (diuretica);
- veranderingen in de medicatie sinds de vorige behandeling;
- plasklachten zoals
- symptomen van een blaasontsteking;
- pijn bij het plassen, blaaskrampen of jeuk;
- vaker moeten plassen (en hoe lang dat dan zo was of nog steeds is);
- incontinentie en het gebruik van incontinentiemateriaal;
- misselijkheid;
- koorts boven 38,5 °C (inclusief de duur en het verloop van de koorts);
- huiduitslag;
- zichtbaar bloed in de urine, kortgeleden of op de behandeldag zelf. Dit is een contra-indicatie voor het toedienen van een blaasinstillatie met BCG.
- Voer geen blaasinstillatie uit bij het vermoeden van of een bewezen urineweginfectie!
- Laat de urinescreening (bijvoorbeeld een urinestick) geen afwijkingen zien, maar blijft de zorgvrager klachten houden aan de urinewegen? Overweeg dan de inzet van een urinekweek en overleg met de regiebehandelaar.
- Twijfel je op basis van de verzamelde informatie of de (nabehandeling met) blaasinstillatie(s) door kan gaan? Bespreek dit dan eerst met de regiebehandelaar voordat de nabehandeling met blaasinstillaties wordt gestart of voordat je de blaasinstillatie gaat uitvoeren.
- Desinfecteer je handen voordat je de handschoenen aantrekt;
- Trek je handschoenen direct uit wanneer de blaasinstillatie wordt onderbroken;
- Doe weer nieuwe handschoenen aan als je verdergaat met de blaasinstillatie;
- Trek beschadigde of besmette handschoenen direct uit. Was je handen daarna eerst met water en zeep voordat je weer nieuwe aantrekt;
- Doe de handschoenen (en andere bij de blaasinstillatie gebruikte materialen) bij het Specifiek Ziekenhuis Afval.
- zittend te plassen (ook mannen) om eventuele spatten met urine te voorkomen;
- na een blaasinstillatie met BCG, een scheut schoonmaakmiddel met minimaal 5% natriumhypochloriet bij de urine te doen, óf een chloortablet. Adviseer om dit vóór het doorspoelen te doen. De natriumhypochloriet doodt namelijk de tuberculosebacteriën in de urine.
- de deksel te sluiten en 2 keer door te spoelen;
- de handen daarna goed te wassen met water en zeep, zoals beschreven staat in de patiënteninformatie van de Handreiking Veilig werken met cytostatica.
- het toilet dagelijks schoon te maken met een pH-neutraal of licht alkalisch schoonmaakmiddel (denk aan groene zeep of allesreiniger);
- bij het vrijen een condoom te gebruiken of geen seks te hebben.
- het toilet dagelijks schoon te maken met een chloorhoudend middel;
- bij het vrijen een condoom te gebruiken of geen seks te hebben.
- Volg dan bij de verzorging van de zorgvrager de richtlijnen uit de Arbocatalogus Cytostatica UMC’s.
- Stel handelingen waarbij contact met urine mogelijk is, zoveel mogelijk uit tot na de risicoperiode van 2 dagen (MMC) tot 7 dagen (BCG) na de blaasinstillatie.
- Gooi al het materiaal dat (mogelijk) met de medicatie in contact is geweest, weg in de speciale SZA-bakken.
- Overweeg zorgvragers te adviseren om vóór de blaasinstillatie geen plasmiddelen te gebruiken. De kans is dan groter dat zij de medicatie minimaal 1 uur in de blaas kunnen houden.
- Krijgt de zorgvrager een blaasinstillatie met BCG? Vertel dan dat antibiotica de werking van BCG kunnen verminderen. Gebruikt de zorgvrager antibiotica? Bespreek dan met de regiebehandelaar wat het beste is om te doen.
- Bij toiletbezoek:
- zittend plassen (ook mannen);
- deksel dichtdoen en 2 keer doorspoelen;
- handen daarna goed wassen met water en zeep, zoals beschreven in de handreiking ‘Veilig omgaan met cytostatica‘.
- Schoonmaken toilet:
- na blaasinstillatie met MMC toilet dagelijks schoonmaken met een pH-neutraal, licht-alkalisch schoonmaakmiddel (bijvoorbeeld groene zeep, allesreiniger);
- na blaasinstillatie met BCG toilet dagelijks schoonmaken met een chloorhoudend schoonmaakmiddel.
- Veilige seks: adviseer zorgvragers om bij het vrijen een condoom te gebruiken, of pas ná de risicoperiode te vrijen.
- Wasgoed: Adviseer zorgvragers om kleding waarop (mogelijk) urine met cytostatica is gekomen, apart te wassen.
- Vertel zorgvragers dat ze na de blaasinstillatie hun normale leven weer kunnen oppakken. Ze mogen bijvoorbeeld gewoon weer werken, sporten en eten zoals ze vóór de behandeling deden.
- Geef actieve rokers een stoppen-met-roken-advies. Er zijn namelijk aanwijzingen dat roken de werking van BCG vermindert. Daarnaast kan roken de kans verkleinen dat de kanker terugkomt.
- Geef duidelijke informatie op papier om te helpen bij de mondelinge uitleg, en/of verwijs naar informatie op de website.
- Herhaal de belangrijkste informatie tijdens vervolgafspraken.
Samenvatting
Nieuw
Om welke zorgvragers en medicatie gaat het?
In deze richtlijn gaat het om blaasinstillaties bij zorgvragers waarbij de kankercellen alleen in het slijmvlies zitten en niet in de blaasspier. Dit wordt ‘niet-spierinvasieve’ blaaskanker genoemd of ‘oppervlakkig groeiende’ blaaskanker. Deze zorgvragers krijgen gewoonlijk eerst een TransUrethrale Resectie van de Tumor (TURT). Daarbij verwijdert de uroloog met een cystoscoop via de plasbuis kankercellen uit het blaasslijmvlies.
Na de TURT worden de kankercellen onderzocht. De uroloog bespreekt daarna met de zorgvrager hoe groot de kans is dat de blaaskanker doorgroeit of terugkomt. En wat de beste vervolgstap is. Vaak adviseert de uroloog dan een nabehandeling met chemotherapie en/of immunotherapie via blaasinstillaties.
De medicatie
Bij chemotherapie gaat het om blaasinstillaties met het cytostaticum Mitomycine C (MMC). In de blaas remt het de celdeling van achtergebleven of terugkerende kankercellen. Uiteindelijk gaan de kankercellen daaraan dood.
Bij immunotherapie wordt via de blaasinstillatie BCG toegediend: Bacillus Calmette-Guérin. Dit medicijn bestaat uit verzwakte tuberculosebacteriën. Deze worden ook bij de vaccinatie tegen tuberculose worden gebruikt. In de blaas zorgt BCG ervoor dat het eigen afweersysteem van de zorgvrager de kankercellen in de blaas aanvalt, beschadigt en opruimt.
BCG is bij gezonde mensen meestal niet gevaarlijk. Bij mensen die besmet zijn met tuberculose kan BCG wel gevaarlijk zijn. Dit geldt ook voor vrouwen die zwanger zijn en mensen met een (ernstig) verzwakte afweer. De uroloog zal hiermee rekening houden.
Aandacht voor bescherming tegen contact met de medicatie
Als zorgverlener heb je kans dat je voor, tijdens of na de blaasinstillatie onbedoeld met de medicatie in aanraking komt. Of met de medicatie(resten) in de urine van de zorgvrager. Krijgt de zorgvrager thuiszorg of wijkverpleging? Dan lopen ook die zorgverleners dat risico, maar ook naasten van de zorgvrager. Het is daarom belangrijk de kans op onbedoeld contact met de medicatie te verkleinen, zowel in het ziekenhuis als in de thuissituatie.
De richtlijn geeft aan hoe jij jezelf als zorgverlener voldoende kunt beschermen. Ook staat in de richtlijn hoe de zorgvrager zelf thuis eventuele zorgverleners en naasten kan beschermen.
Signaleren van mogelijke contra-indicaties
Voordat wordt gestart met de nabehandeling met blaasinstillaties, is het belangrijk dat je onderzoekt of dat veilig kan gebeuren. Maar ook bij de eerste of volgende blaasinstillatie blijft dat nodig. In bepaalde situaties zou een blaasinstillatie namelijk kunnen leiden tot (ernstige) complicaties en/of bijwerkingen bij de zorgvrager. Daarnaast kunnen blaasinstillatie(s) ook leiden tot onveilige situaties in de (thuis)omgeving. Bijvoorbeeld als de zorgvrager ongewild urine met medicatieresten verliest.
Als betrokken verpleegkundige of verpleegkundig specialist heb je een belangrijke rol bij het signaleren van klachten, bijwerkingen en complicaties. Door vooraf een aantal zaken te vragen en te bespreken met de zorgvrager, kun je beoordelen of:
De richtlijn maakt onderscheid tussen vragen die je stelt voordat de nabehandeling met blaasinstillaties begint, en vragen die je standaard stelt bij de eerste of elke volgende blaasinstillatie.
Vragen vóór de start van de nabehandeling
Vraag de zorgvrager naar:
Ontvangt de zorgvrager thuiszorg?
Informeer de zorgvrager en betrokken zorgverleners dan over de blaasinstillatie(s) en de medicijnresten in de urine van de zorgvrager. Zij kunnen dan de juiste maatregelen nemen om blootstelling hieraan te voorkomen. Je kunt daarbij verwijzen naar de handreiking ‘Veilig Werken Met Cytostatica’.
Vragen vóór elke blaasinstillatie
Vraag de zorgvrager naar:
Leg alle gemelde klachten, afwijkingen, bevindingen en gemaakte afspraken vast in het patiëntendossier.
Overzicht contra-indicaties
| Contra-indicatie | Mitomycine C (MMC) | BCG |
|---|---|---|
| Hematurie | Onbekend | Ja, contra-indicatie |
| Blaasperforatie | Ja, contra-indicatie | Ja, contra-indicatie |
| Traumatische katheterisatie (fysiek) | Ja, contra-indicatie | Ja, contra-indicatie |
| Na transurethrale resectie blaastumor (TURT) | Geen contra-indicatie | Ja, vermijden gedurende 2 weken |
| Symptomatische urineweginfectie (UTI) | Ja, contra-indicatie | Ja, contra-indicatie |
| Asymptomatische bacteriurie | Geen contra-indicatie | Geen contra-indicatie |
| Actieve tuberculose | Geen contra-indicatie | Ja, contra-indicatie |
| Zwangerschap | Niet absoluut, afweging per patiënt | Ja, contra-indicatie |
| Borstvoeding / lactatie | Ja, borstvoeding stoppen tijdens behandeling | Ja, contra-indicatie |
| Verzwakt immuunsysteem | Niet absoluut, afweging per patiënt | Niet absoluut, afweging per patiënt |
Klik hier voor een printversie van het overzicht.
In de richtlijn vind je in het hoofdstuk ‘Contra-indicaties’ meer informatie over de redenen en medische bezwaren om af te zien van het uitvoeren van een blaasinstillatie.
Veilig voorbereiden van een blaasinstillatie
Een veilige voorbereiding beschermt zowel de zorgvrager als jou als zorgverlener. Pas daarom sowieso altijd persoonlijke en handhygiëne toe volgens de SRI-richtlijn Handhygiëne & Persoonlijke hygiëne medewerker.
In Nederlandse ziekenhuizen komen Mitomycine C en BCG meestal in gesloten systemen op de afdeling of polikliniek aan. Er zit dan een barrière tussen het gelockte koppelpunt en het medicijn, zoals lucht of een neutrale infusievloeistof. Bij gebruik van deze systemen is de kans erg klein dat je in contact komt met de medicatie. Om voorbereid te zijn op eventuele noodgevallen, volg je de volgende aanbevelingen op:
Werk je met een gesloten systeem? Dan is het voldoende om niet-steriele (nitril of neopreen) wegwerphandschoenen te gebruiken bij de voorbereiding van de blaasinstillatie. Deze handschoenen moeten voldoen aan de NEN-EN 16523-1:2015+A1:2018.
Gebruik geen aanvullende beschermingsmiddelen (zoals een overschort en gezichtsbescherming) bij de voorbereiding van de blaasinstillatie.
In de richtlijn vind je in het hoofdstuk ‘Veiligheid voorafgaand aan de uitvoering van een blaasinstillatie’ meer informatie over de beschermende maatregelen die nodig zijn bij het voorbereiden van de medicatie.
Veilig uitvoeren van de blaasinstillatie
Ook tijdens het uitvoeren van de blaasinstillatie geldt dat je zorgt voor een goede persoonlijke (hand)hygiëne volgens de SRI-richtlijn Handhygiëne & Persoonlijke hygiëne medewerker.
Daarnaast gelden de volgende aanbevelingen:
Draag tijdens het uitvoeren van een blaasinstillatie niet-steriele wegwerphandschoen van nitril of neopreen die voldoen aan de NEN-EN 16523-1:2015+A1:2018. Die zijn voldoende om je te beschermen bij eventuele noodgevallen.
Belangrijke aandachtspunten voor het gebruik van de handschoenen tijdens een blaasinstillatie:
Gebruik een katheter met een gelockte en geborgde verbinding. Dit maakt een veilig en gesloten systeem mogelijk. Spoel na het toedienen van de medicatie, de katheter (inclusief gelockte en geborgde verbinding) door met 5 ml NaCl 0,9%. Daardoor kan de medicatie niet meer buiten de zorgvrager komen.
Gebruik absorberende onderleggers die geen vocht doorlaten.
Vouw vóór het afkoppelen en verwijderen van de katheter een absorberende, niet vocht doorlatende onderlegger om de katheter, om eventuele druppels op te vangen.
Gebruik geen aanvullende beschermingsmaatregelen (zoals een overschort en gezichtsbescherming) tijdens het uitvoeren van een blaasinstillatie.
In de richtlijn vind je in het hoofdstuk ‘Veiligheid tijdens de uitvoering van een blaasinstillatie’ meer (achtergrond-)informatie over de beschermende maatregelen die nodig/voldoende zijn tijdens het uitvoeren van de blaasinstillatie.
Veiligheid na de blaasinstillatie
Instructies voor tijdens de risicoperiode
Na de blaasinstillatie is het de bedoeling dat de zorgvrager de medicatie na de inwerktijd weer uitplast. Vanaf dat moment kunnen anderen in het ziekenhuis onbedoeld met de medicatie in contact komen. Of bij de zorgvrager thuis. Bij de eerste plas is de hoeveelheid medicijn het grootst. Maar ook een aantal dagen na de blaasinstillatie kan de zorgvrager nog medicijnresten uitscheiden. Hoe lang dat zo is, hangt af van de risicoperiode van het toegediende medicijn.
Bij een blaasinstillatie met Mitomycine C is er een risicoperiode van 2 dagen en bij BCG 7 dagen. Er zijn aanbevelingen opgesteld om de kans op besmetting voor de omgeving te verkleinen. Deze aanbevelingen gaan over gebruik van de wc, schoonmaken van de wc en veilig vrijen.
Adviseer de patiënt na de blaasinstillatie:
Heeft de zorgvrager bij de blaasinstillatie Mitomycine C toegediend gekregen?
Adviseer deze dan om gedurende de risicoperiode (2 dagen):
Heeft de zorgvrager bij de blaasinstillatie BCG toegediend gekregen?
Adviseer deze dan om gedurende de risicoperiode (7 dagen):
Zie over deze veiligheidsmaatregelen ook de patiënteninformatie.
Verpleging en verzorging van zorgvragers na de blaasinstillatie
Ben je als zorgverlener betrokken bij de zorg voor de zorgvrager in het ziekenhuis?
Ben je als zorgverlener betrokken bij de zorg voor de zorgvrager in de thuisomgeving?
Raadpleeg dan de handreiking ‘Veilig Werken Met Cytostatica’
In de richtlijn vind je in het hoofdstuk ‘Veiligheid na de uitvoering van een blaasinstillatie’ meer informatie over de veiligheidsbevorderende maatregelen die kunnen voorkomen dat zorgverleners en naasten besmet raken met de medicatie.
Voorlichting
Bij persoonsgerichte zorg is goede voorlichting belangrijk. Dit geldt voor de zorgvrager en de naasten. Zorgvragers weten zo beter wat ze kunnen verwachten, zoals wat mogelijke bijwerkingen zijn. En wat ze kunnen doen om de medicatie goed te laten werken. Daarnaast verkleint voorlichting de kans op besmetting in de omgeving van de zorgvrager. Zo blijven ook de naasten beter beschermd.
Geef de voorlichting bijvoorbeeld bij de verpleegkundige anamnese. Hieronder vind je de aanbevelingen.
Adviseer zorgvragers om vanaf 4 uur vóór de blaasinstillatie niets meer te drinken.
Bespreek vooraf dat het belangrijk is dat de medicatie lang genoeg in de blaas blijft: minimaal 1 uur maar 2 uur is nog beter.
Adviseer zorgvragers om na het uitplassen van de medicatie extra te drinken. Zo kunnen ze de blaas schoonspoelen.
Medicatie die moet worden vermeden of uitgesteld vóór de blaasinstillatie
Bijwerkingen
Vertel zorgvragers vóór de start van de nabehandeling welke bijwerkingen van BCG en Mitomycine C het meest voorkomen. Dit zijn:
Geprikkelde urinewegen
lichte koorts (tot 38,5 ° C) bij BCG
Brandend gevoel tijdens het plassen
Vaker en kleine beetjes plassen
Leefregels voor tijdens de risicoperiode
In de risicoperiode lopen mensen in de omgeving van de zorgvrager risico op besmetting met medicijnresten. De risicoperiode na een blaasinstillatie met MMC is 2 dagen en na BCG 7 dagen. Geef de zorgvrager de volgende leefregels mee:
In de handreiking ‘Veilig omgaan met cytostatica‘ kunnen zorgvragers meer informatie vinden over waar ze op moeten letten tijdens de risicoperiode.
Overige aanbevelingen
In de richtlijn vind je in het hoofdstuk ‘Voorlichting aan patiënten’ meer informatie over (het belang van) voorlichting.
- Drink vier uur vóór de blaasspoeling niet
Drink niets meer vanaf 4 uur voordat u de blaasspoeling krijgt. Het is beter als de blaas leeg blijft. Dan kunt u na de blaasspoeling ook beter uw plas ophouden. - Plastabletten
Gebruikt u plastabletten? Vraag dan voor de blaasspoeling aan uw behandelaar of verpleegkundige of u deze op een andere tijd moet innemen. - Antibiotica
Krijgt u een behandeling met BCG? Vertel het altijd als u antibiotica gebruikt. Antibiotica kunnen de werking van BCG verminderen. - Vertel de behandelaar (of de verpleegkundige) daarnaast:
- Hoe het met u is gegaan na de vorige blaasspoeling met Mitomycine C of BCG;
- Of u huiduitslag heeft gekregen;
- Of u bloed in uw plas heeft gezien;
- Of u last heeft van plasklachten, zoals:
- pijn bij het plassen, blaaskrampen of jeuk;
- vaker dan eerst moeten plassen;
- kleine beetjes moeten plassen;
- plas niet op kunnen houden / gebruik van inleggers of luiers.
- Of u meer dan 38,5 graden koorts heeft;
- Of u sinds de vorige blaasspoeling andere medicijnen gebruikt.
- Ga zittend plassen (ook mannen) om spetteren te voorkomen. Gebruik dus geen urinoir.
-
Heeft u bij de blaasspoeling BCG gekregen en bent u thuis? Doe dan vóór het doorspoelen eerst een scheut bleekwater met minimaal 5% natriumhypochloriet bij de urine. Dit doodt de tuberculosebacteriën in de urine. Natriumhypochloriet zit in bleekwater en andere schoonmaakmiddelen met chloor. Controleer het percentage (minimaal 5% natriumhypochloriet) op het etiket. Bent u in het ziekenhuis? Volg dan de instructies van de verpleegkundige.
- Doe het deksel dicht en spoel daarna 2 keer door.
- Was daarna goed uw handen met water en zeep. Doe dit ten minste 30 seconden lang en droog uw handen daarna af met een schone handdoek.
- Ga bij het plassen zitten op het toilet. Zo verspreidt u geen spetters met urine;
- Doe het deksel dicht en spoel het toilet 2 keer door;
- Was uw handen daarna goed met water en zeep.
Patiënteninformatie
Nieuw
Ik krijg een blaasspoeling. Wat is dat?
Een blaasspoeling is hetzelfde als een blaasinstillatie (de medische naam voor blaasspoeling). Hierbij laat uw behandelaar of verpleegkundige een vloeistof met medicijn in uw blaas lopen. Daarvoor krijgt u eerst een katheter. Dat is een slangetje dat de behandelaar of verpleegkundige via uw plasbuis tot in de blaas brengt. De vloeistof loopt dan daar doorheen in de blaas. Deze katheter wordt weer weggehaald als de vloeistof in de blaas zit.
Blaasspoelingen worden vaak gedaan op de polikliniek. Meestal mag u na de blaasspoeling weer naar huis. Het is belangrijk dat u de medicatie minimaal 1, maar beter nog 2 uur in de blaas houdt. Dan kan de medicatie goed zijn werk doen. Hierna plast u de medicatie uit op het toilet, thuis of in het ziekenhuis.
Om welke medicatie gaat het?
In deze richtlijn gaat het om blaasspoelingen die u krijgt als nabehandeling na een TransUrethrale Resectie van de Tumor (TURT). Dat is de operatie waarbij via de plasbuis kankercellen in uw blaas zijn weggehaald.
Mitomycine C
Mitomycine C is een zogenaamd cytostaticum. Dit medicijn wordt gebruikt als plaatselijke chemotherapie. In de blaas remt het de celdeling van achtergebleven kankercellen of van kankercellen die terugkeren. Uiteindelijk gaan de kankercellen daaraan dood.
BCG
BCG is de afkorting van Bacillus Calmette-Guérin. Dit medicijn bestaat uit verzwakte tuberculose-bacteriën. Bij een blaasspoeling wordt BCG gebruikt als plaatselijke immunotherapie. Dat betekent dat BCG ervoor zorgt dat uw eigen afweer (uw immuunsysteem) de kankercellen in de blaas aanvalt en opruimt.
Uw behandelaar adviseert u welk medicijn het beste bij uw situatie past.
Beide medicijnen worden gezien als gevaarlijke stoffen. Het is belangrijk dat eventuele zorgverleners en naasten er niet onbedoeld mee in contact komen. In deze patiënteninformatie staat daarom ook hoe u zorgverleners en naasten hiervoor kunt beschermen.
Hoe bereid ik me voor op de blaasspoeling?
Het is belangrijk dat u zich van tevoren voorbereidt op de blaasspoeling. Dan werkt de medicatie beter:
Na het uitplassen van de BCG doet u een scheut bleekwater bij de urine. Dit doodt de tuberculosebacteriën in de urine.
Tijdens en na de blaasspoeling
Voor de blaasspoeling brengt de verpleegkundige eerst de katheter in uw plasbuis in. Urine die misschien nog in de blaas zit, loopt er via de katheter uit. De verpleegkundige laat daarna de vloeistof met het medicijn in uw blaas lopen. Als dat klaar is, wordt de katheter weer weggehaald. Meestal mag u daarna weer naar huis.
Het is belangrijk dat u daarna uw plas minimaal 1 uur maar beter nog 2 uur ophoudt.
Na de blaasspoeling
Nadat de inwerktijd voorbij is, gaat u naar het toilet om de medicatie uit te plassen. Zorg ervoor dat anderen niet in aanraking kunnen komen met uw urine. Volg daarvoor de volgende aanwijzingen:
Nadat u de medicatie heeft uitgeplast, is het goed om extra te drinken. Hierdoor spoelt u de blaas schoon.
Rookt u? Overweeg dan daarmee te stoppen. Roken kan namelijk de werking van BCG verminderen. Ook kan stoppen met roken de kans verkleinen dat de kanker terugkomt. Daarnaast is het goed voor uw gezondheid. Vraag uw behandelaar om hulp als u wilt stoppen.
Na de blaasspoeling kunt u uw normale leven weer oppakken.
Mogelijke bijwerkingen na een blaasspoeling
Na een blaasspoeling met Mitomycine C of BCG kunt u klachten krijgen, zoals
Geprikkelde urinewegen
Vaker en kleine beetjes moeten plassen
Een brandend gevoel bij het plassen
Lichte koorts tot 38,5°C (vooral na BCG)
Deze klachten gaan meestal vanzelf over.
Extra leefregels voor thuis
Na het uitplassen van de medicatie, zitten er nog een aantal dagen resten van het medicijn in uw urine. Die medicijnresten kunnen schadelijk zijn voor anderen als ze er onbedoeld mee in contact komen. Om naasten en eventuele zorgverleners bij u thuis te beschermen, krijgt u in het ziekenhuis leefregels mee.
Hoe lang u de leefregels moet uitvoeren, hangt af van de risicoperiode van het medicijn. Na een blaasspoeling met Mitomycine C geldt een risicoperiode van 2 dagen, en na BCG een risicoperiode van 7 dagen.

Naar het toilet
Tijdens de risicoperiode gelden de volgende aanwijzingen:
Toilet schoonmaken
Heeft u bij de blaasspoeling Mitomycine C gekregen? Maak het toilet dan tijdens de risicoperiode (2 dagen) elke dag schoon. Doe dit met een pH-neutraal of alkalisch schoonmaakmiddel, zoals groene zeep of een allesreiniger.
Heeft u bij de blaasspoeling BCG gekregen? Maak het toilet dan tijdens de risicoperiode (7 dagen) elke dag schoon. Doe dit met een chloorhoudend schoonmaakmiddel.
Vrij veilig
Als u seks heeft tijdens de risicoperiode, gebruik dan een condoom. Doe dit na een blaasspoeling met Mitomycine C gedurende 2 dagen, en na een blaasspoeling met BCG 7 dagen. U kunt er ook voor kiezen geen seks te hebben tijdens de risicoperiode.
Wassen
Was ondergoed of kleren waar tijdens de risicoperiode urine op is gekomen, apart van de andere was. Spoel deze niet met de hand uit.
Meer informatie?
In deze patiënteninformatie bij de handreiking ‘Veilig omgaan met cytostatica’ staat meer informatie over de risicoperiode. Zo staat er ook in wat u moet doen met besmet afval, zoals incontinentiemateriaal.
Wanneer moet ik contact opnemen?
Vanuit het ziekenhuis krijgt u informatie mee over mogelijke bijwerkingen en over de leefregels. Heeft u twijfels over klachten die u na de blaasspoeling heeft gekregen? Of heeft u vragen over de leefregels? Bel dan uw ziekenhuis.
