Delier
Samenvatting
Kernaanbevelingen
Uitgangsvraag 1 Preventie delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, goede daginvulling en evaluatie van medicatie, optimaliseren van visus en gehoor) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer gezamenlijk de gemaakte afspraken in een zorgleefplan.
Uitgangsvraag 2 Herkenning van delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee in de herkenning van het delier.
Ga bij symptomen na of de client bekend is met dementie, in verband met de overlap van symptomen bij delier en dementie.
Observeer zelf per dienst, of vraag aan naaste/familie na, of er sprake is van een plotselinge verandering in gedrag op de volgende manier:
duidelijk taalgebruik;
mate van afgeleid zijn, veranderd bewustzijn of aandacht (te trekken en/of te behouden);
cognitief functioneren in de loop van de dag en slaap-waak ritme (ommekeer dag/nacht);
logisch denken;
waarnemingen (hallucinaties) of wanen;
motorisch handelen (van lethargie tot agitatie);
oriëntatie (tijd, plaats en persoon)
Uitgangsvraag 3 Onderscheid delier, dementie, depressie
Overweeg bij een blijvend onduidelijk beeld als verpleegkundige een verzoek voor overleg op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Uitgangsvraag 4 Diagnostiek van delier
Thuissituatie
Overweeg als wijkverpleegkundige om op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie de huisarts of praktijkondersteuner huisarts (POH) voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Verpleeghuissituatie
Overweeg de MOTYB om vast te stellen of er sprake is van verstoorde aandacht. Overweeg als verpleegkundig specialist, huisarts of hoofdbehandelaar of specialist ouderengeneeskunde de DOSS om bij een plotse verandering van functioneren of geheugen de diagnose delier te verwerpen.
Screen niet routinematig op een delier in het verpleeghuis.
Uitgangsvraag 5 Begeleiding delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Beschrijf een delier en de bijbehorende cognitieve problemen van cliënten zorgvuldig in de verpleegkundige rapportage.
Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren visus en gehoor, goede daginvulling en evaluatie van medicatie) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer de gemaakte afspraken in het zorgleefplan.
Betrek in de thuissituatie in overleg met de huisarts een zorgmedewerker zoals de casemanager dementie, de wijkverpleegkundige of de POH-ouderenzorg.
Uitgangsvraag 6 Nazorg na delier
Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee en geef goede voorlichting en toelichting over het delier.
Zet in het zorgplan dat er een delier doorgemaakt is en plan als wijkverpleegkundige van de cliënt, de verpleegkundig specialist of de POH een post-delier gesprek met de cliënt en mogelijk diens mantelzorger. Per regio kunnen andere afspraken gemaakt worden wie er verantwoordelijk kan zijn voor het plannen van dit gesprek.
Overweeg in het post-delier gesprek aandacht te besteden aan de mogelijke langetermijneffecten naast de vroegere herkenning van een volgend delier.
Inleiding
Aanleiding en doel
Waarom is het belangrijk een richtlijn voor dit onderwerp te ontwikkelen?
Een delier kan ernstige gevolgen hebben en het niet tijdig herkennen van de signalen kan leiden tot het langer duren van een delier, een toename van klachten en meer blijvende klachten. Een goede behandeling, zorg en preventie zijn middelen om dit te voorkomen. De behandeling, herkenning en preventie van een delier is sterk afhankelijk van de zorgverlener die op dat moment dienst heeft en de ervaring en kennis van een naaste/familie. Binnen een team van samenwerkende zorgverleners is de kans aanwezig dat, zonder regie, er geen continuïteit van behandeling/zorg geboden kan worden. Een richtlijn speciaal voor deze patiënten zou de kwaliteit van de zorg enorm kunnen verbeteren.
Zowel in de thuissituatie als in het verpleeghuis zijn diverse verzorgende en verpleegkundige disciplines aanwezig. De taakverdeling voor het herkennen van een delier kan dus per situatie zowel thuis als in verpleeghuis wisselen, zodat daar waar verpleegkundige staat ook verzorgende of verpleegkundig specialist kan worden gelezen.
Verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten (en andere zorgverleners) onderkennen niet altijd (tijdig) dat een cliënt een delier heeft. De symptomen van een delier kunnen lijken op die van dementie of depressie of een ander psychiatrisch beeld. De verschijnselen kunnen sterk wisselend aanwezig zijn overdag en in de nacht. Verpleegkundige en verzorgende (preventieve) interventies zijn onderbelicht en vaak niet gestoeld op wetenschappelijk bewijs. Mede hierdoor is er veel variatie in de behandeling en zorg bij een delier, met name bij reeds bestaande cognitieve problemen van de cliënt.
De afgelopen jaren is er meer wetenschappelijke literatuur over het delier verschenen. Voor zorgverleners is het belangrijk om up-to-date kennis te hebben over preventie, diagnostiek, begeleiding en het belang van nazorg na een delier voor de cliënt en zijn/haar naaste/mantelzorger in de thuissituatie of intramuraal, zeker voor diegenen die de dagelijkse zorg bieden voor een delirante cliënt.
Wat zijn de belangrijkste knelpunten in de praktijk waarvoor deze richtlijn aanbevelingen dient te geven?
Dit raamwerk met knelpunten is gebaseerd op het document ‘2017 2018 indiening delierversie afdeling geriatrie’ en de inhoudelijke expertmeeting gehouden met afgevaardigden van de verschillende afdelingen van de V&VN in september 2019 en dit is bediscussieerd met de werkgroep. Bij de doelgroep kwetsbare ouderen en/of ouderen thuis en in het verpleeghuis zijn voor de verpleegkundig specialist, verpleegkundige en verzorgende de volgende knelpunten te onderscheiden met betrekking tot het delier. Het eerste knelpunt is de vraag of delier preventie continu moet plaatsvinden of dat er specifieke situaties te onderscheiden zijn waarbij preventie noodzakelijk is. Het tweede knelpunt betreft de herkenning en vroeg signalering van een delier, vooral bij de aanwezigheid van cognitieve problemen. Dan wordt een delier soms verward met dementie of depressie. Ten derde is niet bekend welke diagnostische instrumenten daarbij ingezet kunnen worden. Het vierde knelpunt is dat niet bekend is welke benadering gekozen moet worden en welke verzorging en begeleiding gegeven moet worden bij de aanwezigheid van een delier. Dit geldt voor alle professionals die hierbij betrokken zijn, als wel voor de cliënt zelf en de familie. De organisatie van de zorg geeft problemen omdat deze vaak intensief is en 24 uur per dag. Een vijfde knelpunt dat genoemd werd is het gebrek aan nazorg voor cliënten die een delier hebben doorgemaakt.
Wat is het doel (beoogde effect) van de richtlijn?
Als men kennisneemt van deze richtlijn dan zal preventie van een delier op systematisch wijze worden aangepakt door verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten. Ook zal de herkenning van een delier verbeteren doordat het onderscheid tussen een delier, dementie en depressie beter kan worden gemaakt. De diagnostiek van het delier zal op gestructureerde wijze worden aangepakt door het gebruik van meetinstrumenten.
Hiervoor is nodig dat verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten (en naaste/familie) kennisnemen van deze richtlijn en hierin geschoold worden.
Modules over preventie en zorg lenen zich voor een goede samenwerking tussen V&VN, NHG, Verenso en NVKG; maar ook bij de andere modules zal aansluiting gezocht worden. Om hiervoor te zorgen nam de klinisch geriater die voorzitter was van de NVKG richtlijn delier tevens zitting in deze V&VN werkgroep. Tevens werd de richtlijn door dezelfde adviseur en informatiespecialist ondersteund.
De ontwikkeling van modules, specifiek gericht op de preventie, diagnose en behandeling van een delier door een verzorgende, verpleegkundige en verpleegkundig specialist in de thuissituatie of intramurale instelling, kan de nazorg en kwaliteit van leven bij cliënten met een delier aanzienlijk verbeteren.
Doelgroep
Om welke doelgroep gaat het?
De richtlijn richt zich op de doelgroep kwetsbare ouderen, en volwassenen met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen zowel thuis als in het verpleeghuis. Geriatrische revalidatie betrof slechts een kleine groep cliënten waarvoor de zorg heel anders georganiseerd was dan thuis of in een verpleeghuis en wordt daarom hier verder buiten beschouwing gelaten. Ook de terminale fase wordt buiten beschouwing gelaten. Deze richtlijn sluit aan op de NVKG richtlijn delier volwassenen en ouderen. De te ontwikkelen modules zijn daarmee gericht op de situatie thuis en in verpleeghuizen.
Deze richtlijn is bedoeld voor verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten werkzaam in de wijkverpleging of in de zorg in verpleeghuizen. Ze is specifiek gericht op de verpleegkundige preventie, diagnose, begeleiding en nazorg. Hiermee onderbouwt zij zowel het handelen als ook de keuzes voor de juiste zorgopties.
Verantwoording Richtlijn
AGREE
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; ), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving van hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten.
Relevante uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de cliënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk.
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de desbetreffende uitgangsvraag. De zoekstrategie voor de oriënterende zoekactie en cliëntenperspectief zijn opgenomen onder aanverwante producten.
Samenvatten van de literatuur (alleen methodebeschrijving, geen resultaten)
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidence tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Kracht van het bewijs
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).
GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie .
*in 2017 heeft het Dutch GRADE Network bepaald dat de voorkeursformulering voor de op een na hoogste gradering ‘redelijk’ is i.p.v. ‘matig’
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen , en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (cliënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie).
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. [naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’]
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR – voor systematische reviews; Cochrane – voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa – voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Formuleren van de conclusies (alleen methode beschrijven, geen resultaten)
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de cliënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje ‘Overwegingen’.
Overwegingen
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de cliënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’. Hiervoor wordt het internationaal gebruikte evidence-to-decision framework gebruikt. In de overwegingensectie heeft de werkgroep de mogelijkheid om argumenten weer te geven die de uiteindelijke aanbeveling verder onderbouwen.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. Op basis van de beschikbare evidence en de overwegingen die middels het evidence-to-decision framework zijn opgesteld wordt de richting en de sterkte van de aanbeveling door de werkgroep bepaald. Het evidence-to-decision framework helpt werkgroepleden om de informatie uit de literatuur systematisch af te zetten tegenover andere overwegingen zoals de voorkeuren van cliënten, kosten, implementatiebarrières en overige overwegingen. Doorgaans wordt de definitieve richting, kracht en formulering van de aanbeveling middels consensus vastgesteld. In het geval dat de werkgroep niet tot overeenstemming kan komen over de definitieve richting, kracht of formulering van de aanbeveling wordt er tijdens een werkgroepvergadering gestemd, waarbij een meerderheid van stemmen de doorslag geeft. Indien de stemmen staken heeft de stem van de voorzitter de doorslag.
Kennislacunes (alleen methodebeschrijving, geen resultaten)
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek van belang wordt geacht, is als aanbeveling in de bijlage Kennishiaten beschreven (onder aanverwante producten).
Commentaar- en autorisatiefase (alleen methodebeschrijving, geen resultaten)
Het concept werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, beoordelingscommissie van de V&VN en de Patiëntenfederatie schriftelijk voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de tekst aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve tekst werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (cliënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.
Indicatoren
Het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten levert in het kader van het reduceren van de registratielast al enkele jaren geen indicatoren meer op om de implementatie van richtlijnen te meten. Het is aan de autoriserende partijen om het gebruik en de implementatie van de richtlijn na te gaan onder haar leden. Dit kan bijvoorbeeld door hier tijdens kwaliteitsvisitaties of intervisies aandacht aan te besteden. Er worden hier echter door de werkgroep geen instrumenten voor ontwikkeld.
Onderhoudsplan
Uiterlijk in 2026 bepaalt de V&VN als regiehouder of de inhoud van de richtlijn nog actueel is. De richtlijn kan altijd op een eerder moment op onderdelen worden herzien. De V&VN zal hierin de initiatie nemende partij zijn.
Preventieve interventies
Inleiding
Uitgangsvraag: Welke preventieve interventies kunnen een delier voorkomen, bij kwetsbare ouderen en volwassenen, met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen, die thuis wonen of in een verpleeghuis?
Aanleiding en doel
Zowel in de thuissituatie als in de verpleeghuissituatie is de zorg voor kwetsbare ouderen een substantieel deel van de zorg die verleend wordt. Het optreden van somatische aandoeningen en/of cognitieve problemen maken deze kwetsbare ouderen extra gevoelig voor een delier. Het is vooralsnog onvoldoende duidelijk wat de optimale interventies zijn in de preventieve zorg voor het ontwikkelen van een delier in de thuissituatie en in het verpleeghuis, hetgeen resulteert in praktijkvariatie. Het is van belang te beseffen dat de thuissituatie nadrukkelijk anders is dan de verpleeghuissetting en dat deze context van belang is wat betreft de keuze van de preventieve maatregelen en de organisatie van de zorgverlening.
Deze uitgangsvraag beoogt de volgende vraagstelling te beantwoorden:
‘Welke preventieve interventies kunnen een delier voorkomen, bij kwetsbare ouderen en volwassenen, met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen, die thuis wonen of in een verpleeghuis?’
Doelgroep
Thuissituatie: De ouderen verblijven in hun eigen woning, al dan niet met een medebewoner (partner, kind, mantelzorger). De contacten met de zorgverleners zijn vaak kortdurend, zorgverleners zijn niet 24 uur per dag aanwezig. De zorgverleners in de thuissituatie werken veelal alleen binnen een vaste tijdsperiode met een druk schema van zorgtaken op verschillende adressen. Ook variëren de bekwaamheden van degene die de zorg verleent (bijvoorbeeld verzorgende, wijkverpleegkundige, POH of huisarts).
Aandachtspunten zijn dan het bespreken van het risico op een delier van de betreffende cliënt, adequate beoordeling van de actuele cognitieve toestand, de aanwezigheid van mogelijke alarmsignalen, afspraken over preventieve interventies, regievoering en evaluatie. Heldere samenwerkingsafspraken in het kernteam Eerste Lijn zijn dan ook noodzakelijk (Huisarts, POH Ouderenzorg, Wijkverpleegkundige, Casemanager Dementie). De huisarts heeft hierbij de medische eindverantwoordelijkheid, de POH-Ouderenzorg of praktijkverpleegkundige ouderenzorg, wijkverpleegkundige, casemanager dementie of dementieverpleegkundige is verantwoordelijk voor het bewaken van de uitvoer van het zorgplan (zie bijvoorbeeld ook ELAA, Betere zorg voor thuiswonende Amsterdamse ouderen, 2020). Tevens kan anno 2022 afhankelijk van lokale afspraken in samenwerking met de huisarts bij een complexer delier consultatie en overname van de behandeling plaatsvinden in de thuissituatie door experts zoals een AVG arts, specialist ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialist, fysiotherapeut, ergotherapeut of psycholoog (GZSP) via GBSP (geneeskundige behandeling specifieke patiënten gelden). GBSP zit vanaf 2022 in de basisverzekering en niet het zorgkantoor, maar de individuele zorgverzekeraars financieren de al dan niet door henzelf -de zorgverzekeraar- gecontracteerde GBSP-aanbieders voor dit product.
Verpleeghuissituatie: De ouderen verblijven in een verblijfssetting waar 24-uurs zorg geboden wordt. Het betreft veelal ouderen met een kwetsbaar profiel, waarbij cognitieve problemen frequent voorkomen. De zorgverlener werkt in een team met diverse bekwaamheden (helpende niveau 2, verzorgende niveau 3 en verpleegkundige niveau 4) met beperkt superviserende verpleegkundigen niveau 4 of niveau 5. Dit team wordt veelal ondersteund door een multidisciplinair team van psychologen en specialist ouderen geneeskunde en/of verpleegkundig specialist en paramedici. Ook hier geldt dat zorgvuldige communicatie met betrekking tot de aanwezigheid van mogelijke alarmsignalen, afspraken over preventieve interventies, consequente uitvoering, regievoering en evaluatie kernelementen zijn van een zorgvuldige aanpak.
Aanbevelingen
OVERWEEG:
- Thuissituatie/verpleeghuis: Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren van visus en gehoor, goede daginvullingen en evaluatie van medicatie) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer de gemaakte afspraken in het individuele zorgleefplan.
- Thuissituatie: Overweeg tijdelijke extra inzet van zogenaamde blokzorg (verzorgende niveau 2/3) voor een aantal uren per dag om preventieve interventies gericht en systematisch te kunnen uitvoeren (ter ondersteuning van het (Bundled HELP Programma).
- Thuissituatie/verpleeghuis: Overweeg naaste/familie te informeren over wat een delier is en wat ze kunnen doen om het te herkennen en voorkomen.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs
Preventieve interventies om een delier te voorkomen zijn beperkt onderzocht in het verpleeghuis en de thuissituatie. Echter veel onderzoek in het ziekenhuis heeft laten zien dat goede basiszorg gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, het optimaliseren van visus en gehoor, goede daginvulling en evaluatie van medicatie heel belangrijk is ter preventie van een delier. Optimale basiszorg kan ook in de thuissituatie en het verpleeghuis worden aangeboden. Een nadelig effect hiervan is niet te verwachten. In vergelijking met het ziekenhuis is de beschikbaarheid van interventies thuis en in het verpleeghuis situatie anders.
Thuissituatie
De kwaliteit van het gevonden bewijs is zeer laag voor de incidentie van delier en niet onderzocht voor de andere uitkomstmaten. Eén studie beschreef de uitvoering van een ‘Bundled HELP programma’ in de thuissituatie . De effecten hiervan op de incidentie van delier en overlijden waren onduidelijk. Mogelijk leidt het ‘Bundled HELP programma’ tot minder heropnames in het ziekenhuis. Echter, het is aannemelijk dat goede basiszorg weinig nadelige effecten heeft. Vooral bij slechte zelfzorg of huisverwaarlozing moet worden ingezet op het verbeteren van de basiszorg. Kernelementen hierbij zijn:
- aandacht voor met name ouderen met somatische en/of cognitieve problematiek (ouderen met een verhoogde kans op delier) is in praktijken en afdelingen met ouderen vanzelfsprekend en niet altijd vanzelfsprekend op alle afdelingen in een ziekenhuis.
- bij deze aanpak wordt de oudere cliënt zelf en naaste/familie/mantelzorger/vrijwilliger betrokken. Het is niet wetenschappelijk onderzocht, maar er kan in de thuissituatie veel meer gebruik gemaakt worden van de herkenbare vertrouwde omgeving (zoals de weg naar het toilet en andere herkenningspunten in het huis), niet passende prikkels kunnen meer onder controle gebracht worden, het eigen levensritme kan gehandhaafd worden en de impact van onbekende medische onderzoeken kunnen makkelijker beperkt worden. Kleine cognitieve veranderingen zijn eerder te duiden als mogelijk passend bij een (aankomend) delier, waarna aan de specifieke behoeften van de cliënt tijdens de eerste tekenen van een (aankomend) delier eerder tegemoet gekomen kan worden. Hierdoor is de aanwezigheid van een vertrouwd persoon (rooming-in) pas later nodig en de behandelend huisarts weet als geen ander welke aanpassingen in de vaak lange medicatielijsten mogelijk zijn.
- multidisciplinaire overleggen zijn sneller mogelijk met de voor de cliënt bekende behandelaren, waardoor eerder de juiste interventies ingezet kunnen worden. Overwogen kan worden om blokbehandelingen in de wijk op tijdstippen waarvan bekend is dat de cliënt de meeste deliersymptomen ervaart in de thuissituatie en verpleeghuizen in te zetten, met zoveel mogelijk vertrouwde personen.
- tevens is het gebruikelijk in de wijk en in het verpleeghuis om met individuele, op maat gemaakte zorgplannen te werken: een kernelement voor de vroegtijdige herkenning, diagnose en behandeling van een delier, rekening houdend met het gewenste beleid van cliënten.
- zorgdragen dat de preventieve interventies (Basiszorg/ ‘Bundled HELP’) daadwerkelijk worden uitgevoerd. Betrek de cliënt zelf en naaste/familie bij deze aanpak. Probeer gekozen interventies zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de leefwijze en vertrouwde leefpatronen van de oudere.
- zorg voor heldere samenwerkingsafspraken met betrekking tot deze interventies. Deze samenwerkingsafspraken gaan over de doelstelling, inhoud en uitvoering van de interventies en de regievoering. Leg de aanpak vast in een zorgplan en bespreek de aanpak periodiek tijdens het MDO in een kernteam Eerste Lijn en met eventuele naaste/familie.
Financiering van deze zorg is regionaal verschillend (WLZ, GBSP, WMO, ZVW) en afhankelijk van lokale afspraken en mogelijkheden. Soms is het nodig de thuiszorg hiervoor op te schalen. Daar waar de cliënt zelf deze goede basiszorg niet kan verzorgen, kan contact gezocht worden met een zorgmedewerker zoals een casemanager dementie, de POH, huisarts, naaste/familie of een mantelzorger. In dit contact worden de interventies besproken, en wordt vastgelegd hoe deze maatregelen worden geëvalueerd en door wie. Soms is het nodig om hiervoor de wijkverpleging op te schalen naar zogenaamde blokzorg (verzorgende niveau 2/3) voor een aantal uren per dag om preventieve interventies gericht en systematisch te kunnen uitvoeren. Ook kan gevraagd worden of mantelzorg 7 maal 24 uur aanwezig kan zijn. Indien er geen mantelzorg 7 maal 24 uur in de thuissituatie mogelijk is, dan is tijdelijke opname in een omgeving die dit wel biedt te overwegen. Dit kan in het ziekenhuis of verpleeghuis zijn indien dit voor de behandeling noodzakelijk is.
Verpleeghuizen
De kwaliteit van het gevonden bewijs is zeer laag voor de kans op delier na vochtintake, kans op delier na opleiden van zorgpersoneel en overlijden en niet onderzocht voor de andere uitkomstmaten. Er werden geen studies gevonden waarin het (Bundled) HELP programma in een verpleeghuis werd geëvalueerd. Toch is het interessant om te bekijken welke interventies toegepast zouden kunnen worden in het verpleeghuis, omdat ze gezien worden als goede basiszorg. Gedacht wordt aan interventies gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren visus en gehoor, goede daginvulling en evaluatie van medicatie. Deze interventies zullen, zoals eerder ook geopperd door de expertmeeting, bij alle kwetsbare ouderen bijdragen aan het voorkomen van een delier maar ook aan het verminderen van de duur en de ernst van een delier.
Een studie uitgevoerd in een verpleeghuis betrof het opleiden van personeel over een delier, waarbij een gespecialiseerd verpleegkundige met ervaring op het gebied van delier verzorgde onderwijs over delier . Per verpleeghuis werd vervolgens een geschikte delier preventiestrategie ontwikkeld en uitgetest. De effecten hiervan op de incidentie van een delier en overlijden waren onduidelijk. Toch lijkt het raadzaam om in de opleiding van verpleegkundigen en verzorgenden kennis over te dragen over het herkennen van een delier en mogelijke preventieve maatregelen om een delier te voorkomen. Ook door de werkgroepleden wordt aangegeven dat de kennis over een delier bij verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten moet verbeteren.
Waarden en voorkeuren van cliënten (en evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
Goede basiszorg, oftewel gerichte preventieve interventies dragen bij aan het welbevinden en de kwaliteit van leven van ouderen met een kwetsbaar profiel. Bespreek de inhoud van de interventies daarom met ouderen en naaste/familie, leg uit wat een delier is en kies gezamenlijk geschikte interventies om toe te passen.
Uit het Rapport onderzoek ‘ervaringen rondom een delier’ uitgevoerd door de Patiëntenfederatie Nederland in 2019/2020 blijkt dat er slechts bij 52% van de ondervraagden (n=62) sprake was van een zorgplan of behandeling. Ook geeft 66% van de naasten (n=91) aan geen wijkverpleging tijdens en/of na de behandeling te hebben ontvangen. Verder geeft 55% van de deelnemers (n=89) aan informatie te hebben gemist aangaande de zorg voor het delier. Overweeg daarom naaste/familie te informeren wat een delier is en wat ze kunnen doen om het te voorkomen.
Uitkomsten uit de expertmeeting en het HELP programma in het ziekenhuis geven aan dat voor cliënten gedegen basiszorg mogelijk bijdraagt aan het voorkomen van een delier, en het verminderen van de duur en ernst van een delier. Het is belangrijk dat alle zorginterventies besproken en geëvalueerd worden met de cliënten en hun naaste/familie. Een voorbeeld hiervan is dat voldoende vochtintake mogelijk belangrijk is om een delier te voorkomen. Het kan echter zijn dat een cliënt niet voldoende wil drinken. Het is dan belangrijk om interventies en mogelijke risicofactoren te bespreken en wellicht te accepteren dat voldoende vochtintake niet lukt. Het is raadzaam om dit in het zorgleefplan vast te leggen.
Soms wordt gevraagd of mantelzorg 7 maal 24 uur aanwezig kan zijn om de basiszorg te ondersteunen. Echter in sommige gevallen kan dit te belastend zijn. Dan kan tijdelijke opname in een omgeving die dit wel biedt overwogen worden.
Kosten (middelenbeslag)
De voorgestelde interventies zullen gepaard gaan met extra kosten, bijvoorbeeld door de inzet van extra personeel of opname van de cliënt. Het is voor de werkgroep niet mogelijk om op basis van de beschikbare gegevens harde uitspraken te doen over de kosteneffectiviteit, echter ligt het voor de hand dat de kosten van een delier (ook op lange termijn) aanzienlijk hoger zijn t.o.v. de preventieve kosten van de beschreven interventies.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
Uitvoering van het HELP programma lijkt een aantrekkelijke optie omdat de preventieve interventies passen binnen goede ‘basiszorg’ (zorgdragen voor goede nachtrust, intake, cognitieve stimulering, mobiliseren). Deze interventies zullen goed geaccepteerd worden, maar vereisen voldoende personeel of de inzet van mantelzorg. Er lijkt een kennisachterstand bij zorgmedewerkers voor wat betreft het herkennen van de kans op delier en adequate uitvoering van preventieve interventies. Dit vormt een barrière om het risico op een delier te verminderen.
Rationale voor aanbevelingen
Er is slechts zeer beperkte evidence beschikbaar over interventies voor de preventie van delier in de thuissituatie en de verpleeghuissituatie. De werkgroep heeft zich daarom meer moeten baseren op expert-opinion en onderzoek naar HELP dat werd uitgevoerd in ziekenhuizen met positieve resultaten. De werkgroep is van mening dat bepaalde interventies uit de Bundled HELP programma nuttig en effectief zouden voor cliënten met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen het beste praktisch uitgevoerd kunnen worden. De werkgroep is van mening dat de multidimensionale interventies uit dit programma goed ingezet kunnen worden. Dus zowel kwetsbare ouderen identificeren, oriënterende maatregelen aanbieden, educatie aan patiënt/familie/zorgverleners als het bieden van goede medische zorg.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Thuissituatie
1.1 Uitkomstmaat incidentie delier
De evidence is zeer onzeker over het effect van het Bundled HELP programma op de incidentie van delier in de thuissituatie . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
1.2 Uitkomstmaat ziekenhuisopnames
De evidence is zeer onzeker over het effect van het Bundled HELP programma op het risico op ziekenhuisopnames bij cliënten met een delier in de thuissituatie . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
1.3 Overige uitkomstmaten
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar over de kans op delier remissie, cognitieve en fysieke functieverandering, of overlijden in verband met acute medische aandoeningen in de thuissituatie. (geen GRADE)
Verpleeghuissituatie
2.1 Uitkomstmaat Risico op delier (na vochtintake)
De evidence is zeer onzeker over het effect van vochtintake op de incidentie van delier in de verpleeghuissituatie . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
2.2 Uitkomstmaat Risico op delier (na opleiden van zorgpersoneel)
De evidence is zeer onzeker over het effect van onderwijs over delier voor verpleeghuispersoneel door een verpleegkundige met expertise in delirium, in vergelijking met gebruikelijke zorg op het risico op de incidentie van een delier in de verpleeghuissituatie . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
2.3 Overige uitkomstmaten
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar over het verminderen van delier in de verpleeghuissituatie waarbij specifiek gekeken was (geen GRADE)
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Thuis
De inhoudelijke expertmeeting gaf aan dat de beste preventie waarschijnlijk bestaat uit het bieden van goede basiszorg zoals een optimale vochtintake, zorgdragen voor een goede uitscheiding (urine, ontlasting), urineweginfecties behandelen etc. De naaste/familie moet hierbij ook betrokken worden. Ook werd in de NVKG-richtlijn delier bij volwassenen en ouderen en in de literatuur bekeken welke andere preventieve activiteiten mogelijk zijn.
Eén studie was uitgevoerd in de thuissituatie. De studie van Simpson et al. (2019) is een case-control-studie en rapporteert resultaten van het Bundled HELP programma, een vervolg op het HELP programma van . Het HELP programma bestaat uit: screenen van cliënten bij opname gericht op zes delier risicofactoren: cognitieve achteruitgang, slaapproblemen, immobiliteit, uitdroging, zicht- of hoorproblemen en medicatie evalueren. Gerichte interventies gericht op deze factoren worden vervolgens opgestart. Uit een groot aantal verschillende zorgvuldig uitgevoerde onderzoeken blijkt dat met name de ernst en duur van het delier afneemt bij consequente toepassing van preventieve interventies (Basiszorg). Deze onderzoeken hebben echter plaatsgevonden binnen de ziekenhuissetting. Er bestaan verschillende varianten, waarbij onder andere vrijwilligers en/of familieleden betrokken worden bij de uitvoering van de interventies. Uitvoering van HELP lijkt een aantrekkelijke optie omdat de preventieve interventies eigenlijk passen binnen goede ‘basiszorg’ interventies (zorgdragen voor goede nachtrust, intake, cognitieve stimulering, mobiliseren).
De studie van Simpson et al. (2019) is een case-control-studie en deze paste het Bundled HELP programma toe wanneer wijkverpleging werd ingezet. De interventie omvatte oriëntatie en therapeutische activiteiten (bijv. klok in kamer, samen naar de agenda kijken en geplande activiteiten bespreken, de krant lezen), aandacht voor mobiliseren (in beweging komen door bijv. samen lopen of passieve bewegingsoefeningen), eten/intake (bijv. zorgen voor drie maaltijden per dag, aanmoediging tijdens het eten), drinken/intake hydratie (bijv. aanmoediging om te drinken, zorgen dat regelmatig drinken aangeboden wordt), gezichts- en gehoorvermogen (zorgen voor de aanwezigheid van goed functionerend gehoorapparaat en bril), en slaapbevordering (bijv. faciliteren van ruisonderdrukking, beschikbaar maken van niet-farmacologische slaaphulpmiddelen, zie ook richtlijn Slaapproblemen bij Ouderen) en werd thuis uitgevoerd door verpleegkundigen, verzorgenden, fysiotherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten. Cliënten werden in het ziekenhuis voor ontslag geïncludeerd in deze studie, en kregen gemiddeld 13,4 bezoeken door de wijkverpleging tijdens de interventie, die 30 dagen duurde. Het was niet bekend of ze al dan niet een delier hadden gehad tijdens de ziekenhuisopname. Cliënten van 65 jaar of ouder werden geïncludeerd en cliënten in de palliatieve zorg werden geëxcludeerd. Cases waren cliënten die tussen 1 mei 2016 en 30 september 2017 met het Bundled HELP programma naar huis werden ontslagen (n=148). Controles waren cliënten die tussen 1 januari 2015 en 30 april 2016 – voor implementatie van het Bundled HELP programma – opgenomen in het ziekenhuis en daarna werden ontslagen naar huis (n=148). Controles werden gematcht met de cases op basis van de Charlson Comorbidity Index (CCI) score, primaire diagnose/orthopedische aandoening/letsel, en cardiovasculaire ziekte. Uitkomstmaten waren incident delier, gemeten met de Confusion Assessment Method (CAM), en ziekenhuisopname in de studieperiode.
In de niet-gerandomiseerd en niet geblindeerde studie van Simpson et al. (2019) ontwikkelde 2% (3 van 148) van de deelnemers in de interventiegroep, en geen van de deelnemers (0 van 148) die gebruikelijke zorg ontvingen een delier.
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar over de uitkomstmaten delier vermindering, cognitieve en fysieke functieverandering, of overlijden in verband met acute medische aandoeningen onder thuiswonende kwetsbare ouderen en volwassenen.
Verpleeghuis
Twee studies over de verpleeghuissituatie werden geïncludeerd.
In de niet-geblindeerde studie van Culp et al. (2003) werden resultaten gerapporteerd van een interventie om de vochtintake te verbeteren. Per individu werd de vloeistofbehoefte berekend op basis van het lichaamsgewicht. De interventie werd door verpleegkundigen ondersteund en duurde vier weken. Cliënten met een terminale ziekte, met sondevoeding via een maagsonde in de slokdarm of maag, met ernstig nier- of hartfalen, urineweginfectie, of een serum natrium boven 135 mEq/L werden geëxcludeerd. De interventiegroep van de studie bevatte 53 deelnemers, en de controlegroep bevatte 45 cliënten die gebruikelijke zorg ontvingen. Uitkomstmaten waren acute verwardheid (we nemen aan dat hiermee delier werd bedoeld), gemeten met The Neelon and Champagne Confusion Scale (NEECHAM), en mortaliteit. De interventie werd in zeven verpleeghuizen uitgevoerd.
Culp et al. (2003) rapporteerden dat 6% van de deelnemers in de interventiegroep en 7% van de deelnemers die gebruikelijke zorg ontvingen acute verwardheid ontwikkelden. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten een verlaagd risico op acute verwardheid in de interventiegroep zien. De effectschatting was echter zeer imprecies (RR 0.85, 95% BI 0.18;4.00), en onbetrouwbaar door onvoldoende power (98 deelnemers en 6 events). Het is dus onduidelijk of de interventie een effect had op het risico op acute verwardheid.
Siddiqi et al. (2016) voerden een RCT uit in 14 verpleeghuizen. De verpleeghuizen werden gerandomiseerd naar een interventie, met drie opleidingsmomenten voor het personeel in de verpleeghuizen van een verpleegkundige met expertise op het gebied van delier, of gebruikelijke zorg. Blindering was niet mogelijk in deze studie. De interventiegroep bevatte 103 deelnemers en de controlegroep 112 deelnemers, en de deelnemers werden gedurende 16 maanden gevolgd. De helft van de deelnemers in de interventiegroep en een derde van de deelnemers in de controlegroep hadden een diagnose dementie. Uitkomstmaten waren incident delier en mortaliteit, delier werd met CAM beoordeeld. Er was geen blindering, dus er is risico op bias.
In de studie van Siddiqi et al. (2016) ontwikkelden 20% van de deelnemers in de interventiegroep en 15% van de deelnemers in de controlegroep delier. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten een verhoogd risico op incident delier in de interventiegroep zien. De effectschatting was echter zeer imprecies (RR 1,4, 95 % BI 0,6; 3,0). Verder overleden 18% (19 van 103) van de deelnemers in de interventiegroep en 25% (28 van 84) van de deelnemers in de controlegroep. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten zien dat het risico op overlijden in de interventiegroep verlaagd was (RR 0,74, 95% BI 0,44; 1,24). De effectschatting was imprecies (omvat zowel een klinisch relevant verlaagd risico als een klinisch relevant verhoogd risico) en niet statistisch significant.
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar voor delier remissie, ziekenhuisopname, cognitieve en fysieke functieverandering onder kwetsbare ouderen en volwassenen in verpleeghuizen.
Delier herkennen
Inleiding
Uitgangsvraag: Hoe kan de verzorgende, verpleegkundige of verpleegkundig specialist een delier herkennen?
Aanleiding en doel
Het knelpunt betreft de herkenning en vroegsignalering van een delier, vooral bij de aanwezigheid van cognitieve problemen. Voor verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten is het niet altijd duidelijk hoe zij een delier kunnen herkennen. Ze zijn niet continu aanwezig en moeten daarom vertrouwen op informatie van de mantelzorger/naaste. Aanwezige cognitieve problemen worden vaak gebagatelliseerd, terwijl de zorg moet worden opgeschaald.
Aanbevelingen
Thuissituatie/verpleeghuis
DOEN:
Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee in de herkenning van het delier.
DOEN:
Verzorgende, Verpleegkundige en Verpleegkundig specialist
Ga bij symptomen na of de client bekend is met dementie, in verband met de overlap van symptomen bij delier en dementie.
Observeer zelf per dienst, of vraag aan naaste/familie, of er sprake is van een plotselinge verandering in gedrag op de volgende manier:
- duidelijk taalgebruik;
- mate van afgeleid zijn, veranderd bewustzijn of aandacht (te trekken en/of te behouden);
- cognitief functioneren in de loop van de dag en slaap-waak ritme (ommekeer dag/nacht);
- logisch denken;
- waarnemingen (hallucinaties) of wanen;
- motorisch handelen (van lethargie tot agitatie);
- oriëntatie (tijd, plaats en persoon)
DOEN:
Verpleegkundig specialist
Onderzoek het eerdere cognitieve functioneren aan de hand van hetero-anamnese. Ga na of er al diagnostiek heeft plaatsgevonden naar cognitieve stoornissen en of er een diagnose is gesteld op basis van de eerdere verslaglegging.
DOEN:
Thuissituatie:
Verzorgende, (wijk)verpleegkundige/ verpleegkundig specialist
Wees alert op het feit dat een eenmalig bezoek een momentopname is en dat deze beoordeling van een delier minder betrouwbaar is. Zoek actief naar observaties van anderen (naaste/familie), vooral veranderingen in de avond en nacht zijn van belang.
Overwegingen
Het onderkennen van een delier kan lastig zijn. Dit komt onder andere doordat deliersymptomen niet continu aanwezig zijn en de symptomen doorgaans veranderlijk zijn in de loop van de dag.
Ook het onderscheid tussen symptomen van dementie, een delier of een depressie door verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten kan lastig zijn, mede omdat deze ziektebeelden soms tegelijkertijd voorkomen, waardoor de symptomen niet goed zijn te onderscheiden.
Een acuut begin of verandering van de symptomen en een veranderlijk beloop van de symptomen over de dag zijn echter aanwijzingen dat er (ook) sprake is van een delier. Een delier is een risicofactor voor het ontwikkelen van dementie en vice versa. Depressie komt vaker voor in de beginfase van dementie of bij vasculaire dementie. Informatie van een naaste/familie is dan essentieel om de juiste diagnose te stellen.
In de overwegingen is er onderscheid gemaakt tussen de locatie van zorg: thuis of het verpleeghuis.
Kwaliteit van bewijs
Thuis
Er zijn geen onderzoeken gevonden die een indicatie kunnen geven over het herkennen van een delier in de thuissituatie. Het eventuele gebruik van screeningsinstrumenten werd niet onderzocht in de thuissituatie.
Verpleeghuis
De kwaliteit van het gevonden bewijs is zeer laag voor het herkennen van een delier. Onderzoek toont aan dat symptomen gedetecteerd kunnen worden met behulp van screeningsinstrumenten zoals de Confusion Assesment Method, zie ook de uitgangsvraag Diagnostiek van een delier. Om adequaat een delier te kunnen voorspellen moet het instrument dan ook dagelijks ingevuld worden. Hiertoe moeten de verzorgende, verpleegkundige en verpleegkundig specialist in staat zijn om verschijnselen van een delier op te merken. Verschijnselen van een delier die vaak gemist werden door een verpleegkundige (in directe zorg) in vergelijking met een onderzoeksassistent, die onderzoek op één moment van de dag deed, vergeleken met observatie tijdens zorgmomenten gedurende de hele dag waren de volgende: een fluctuerend beloop gedurende de dag, acuut begin van de symptomen, aandacht moeilijk te trekken of behouden of verplaatsen, en een veranderd bewustzijnsniveau. Mogelijk speelt hierbij een rol dat de eerstverantwoordelijke verpleegkundige in geval van dementie meer tijd met de cliënt bezig kon zijn. Sommige deliersymptomen kunnen beter herkend worden als er meer tijd wordt doorgebracht met de cliënt. Korte, meer frequentere beoordelingen van het geestelijk functioneren zouden nodig kunnen zijn om de kwaliteit van de observaties te verbeteren. Een screeningsinstrument voor delier welke geïntegreerd kan worden in de normale zorg en dat kort is zou een begin kunnen zijn om veranderingen t.o.v. het eerdere functioneren te detecteren.
Op basis van de literatuur kan de verpleegkundig specialist, verpleegkundige en verzorgende een delier herkennen aan de hand van een aantal symptomen en dan met name: het voorkomen en wisseling in voorkomen van deze symptomen. Deze symptomen zijn onduidelijk taalgebruik, snel afgeleid zijn, verschil in cognitief functioneren in de loop van de dag, veranderingen in slaap-waak ritme (circadiaan ritme), wisseling van symptomen, verminderde aandacht en onlogisch denken, waarnemingsstoornissen en motorische onrust (van lethargie tot agitatie). De symptomen kunnen een indicatie zijn tot het afnemen van een screeningsinstrument om het beeld vollediger te maken. Bij een onduidelijk beeld is het ook raadzaam een overleg aan te vragen bij de huisarts, of de hoofdbehandelaar die een expert kan consulteren.
Waarden en voorkeuren van cliënten en (evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
Uit de enquête van de Patiëntenfederatie (Patiëntenfederatie 2019/2020) kwam naar voren dat in 20% van de gevallen een naaste van de cliënt het delier signaleerde. 74% van de deelnemers geeft aan dat het delier snel werd herkend door de zorgverlening. Het is voor cliënten en naaste/familie van belang dat informatie rondom hun functioneren aanwezig is, zodat snel de juiste diagnose gesteld kan worden.
Kosten (middelen beslag)
Het observeren van delier symptomen en nagaan van pre-existent functioneren van de cliënt zal naar verwachting niet gepaard gaan met grote kostenposten. Aangezien data ontbreken en de aanbevelingen niet ver van het huidige beleid afstaan, zullen de kosten waarschijnlijk geen verandering bewerkstelligen met betrekking tot de aanbevelingen.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
De werkgroep is van mening dat er een tekort is aan kennis en deskundigheid om een delier te herkennen. Dit bemoeilijkt het observeren van symptomen. Scholing zou een mogelijke interventie zijn en is haalbaar binnen de huidige context van scholingsmogelijkheden landelijk en op instellingsniveau. Daarbij is zichtbaarheid en urgentie van belang bij de uitvoerder van de scholing, om verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten adequaat te scholen. Bij een blijvend onduidelijk beeld, ondanks ingezette diagnostiek en behandeling, is een (spoed) consult van een specialist ouderen geneeskunde, verpleegkundig specialist, psychiater, geriater of huisarts ook in de thuissituatie geïndiceerd.
Rationale van de aanbevelingen; weging van argumenten voor en tegen de interventies
Kennis en adequate gegevensverzameling is als eerste van belang.
Rationale voor aanbevelingen
Er zijn weinig studies beschikbaar over het herkennen van een delier buiten de setting van het ziekenhuis. Op basis van de beperkte beschikbare evidence en expert opinion heeft de werkgroep desondanks enkele aanbevelingen geformuleerd. Er zijn een aantal onderwerpen die besproken kunnen worden met naaste/familie, zoals veranderend taalgebruik, mate van afgeleid zijn en cognitief functioneren in de loop van de dag en slaap-waakritme. Van belang is om te realiseren dat een bezoek vaak een momentopname is, daarom zouden naaste/familie geconsulteerd moeten worden. Indien er een onduidelijk beeld blijft bestaan kan overwogen worden om als verpleegkundige een verzoek te doen voor overleg op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en er kan worden overwogen om informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar op te halen, voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Setting Verpleeghuissituatie
1.1 Uitkomstmaat Symptomen van delier
Verschijnselen die wijzen op een delier welke vaak gemist werden door de verpleegkundige (in directe zorg) in vergelijking met een onderzoeksassistent waren de volgende: een fluctuerend beloop gedurende de dag, acuut begin van de symptomen, aandacht moeilijk te trekken of behouden, en een veranderd bewustzijnsniveau. Bij meer depressieve symptomen geuit door een bewoner, werd een delier minder vaak gemist .
Setting Thuis
2.1 Overige uitkomstmaten
Er werden geen studies gevonden die betrekking hadden op de thuissituatie. (geen GRADE)
Samenvatting van de kennis
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Onderzoek in het verpleeghuis en de thuissituatie met betrekking tot verpleegkundig handelen bij cliënten met dementie, een delier en/of depressie is schaars. Er werden geen studies gevonden die betrekking hadden op de thuissituatie. Eén studie beschreef de verschillen tussen het opsporen van een delier door een verpleegkundige en een getrainde onderzoeksassistent. Vier studies beschreven de verschillen tussen dementie en depressie. Er zijn geen onderzoeken/artikelen gevonden in de search die een verschil kunnen aangeven tussen de kenmerken van een delier en een depressie.
Thuis
Er werden geen studies gevonden die betrekking hadden op de thuissituatie.
Verpleeghuis
Eén studie was gericht op de herkenning van het delier door een verpleegkundige (bedside nurse) in vergelijking met een op delier-herkenning getrainde onderzoeksassistent. Dit was een prospectieve, observationele studie die plaatsvond in zeven instellingen voor langdurige zorg in Canada . Alle bewoners vanaf 65 jaar die Engels of Frans spraken konden deelnemen; dit betrof zowel nieuwe als eerder opgenomen bewoners. Bewoners werden zes maanden gevolgd, tenzij zij stierven of werden overgeplaatst naar een andere instelling. Er namen 202 bewoners (leeftijd: 84,6 ± 7,0 jaar, 56,4% vrouw; 60% van de deelnemers had een diagnose dementie) deel aan de studie.
De Confusion Assessment Method (CAM) werd gebruikt om te beoordelen of er sprake was van een delier. De onderzoeksassistent vulde de CAM in op basis van observaties van de bewoner gedurende een gestructureerd interview van tien minuten waarin de Mini Mental State Examination (MMSE) werd afgenomen. Een dossieronderzoek werd uitgevoerd om acuut begin en eventuele slaap-waakstoornissen over de afgelopen zeven dagen te identificeren. Voor de verpleegkundige werd de CAM ingevuld door de onderzoeksassistent op basis van observaties van de verpleegkundige gedurende routinezorg over de afgelopen zeven dagen. De getrainde onderzoekassistenten stelden in 84 gevallen een delier vast op basis van de CAM, en dit werd in 51% van de gevallen ook gedetecteerd met de CAM die was ingevuld met informatie van de verpleegkundigen. Verschijnselen die vaak gemist werden door de verpleegkundige (in directe zorg) aan het bed in vergelijking met een onderzoeksassistent, die onderzoek op één moment van de dag deed, vergeleken met observatie tijdens zorgmomenten gedurende de hele dag waren de volgende: een fluctuerend beloop gedurende de dag, acuut begin van de symptomen, aandacht moeilijk te trekken of te behouden of verplaatsen en/of een veranderd bewustzijnsniveau. Bij analyse van gemiste diagnoses door de verpleegkundige werd gezien dat eventuele depressieve symptomen geuit door een bewoner mogelijk een rol speelden.
Verschil delier, dementie en depressie
Inleiding
Uitgangsvraag: Hoe kan onderscheid tussen delier, dementie en depressie worden gemaakt?
Door een overlap van symptomen is het onderscheid tussen delier, dementie en depressie lastig. De behoefte aan zorg is vergelijkbaar, maar de behandeling is anders.
Een cliënt met een psychotische depressie wordt bijvoorbeeld vaak behandeld binnen een GGZ context (zie hiervoor www.ggzstandaarden.nl).
Na het zien van symptomen die bij een delier passen moet verpleegkundige diagnostiek worden toegepast. Vervolgens kan zorg en behandeling opgestart worden. In het verpleeghuis is de cliënt al bekend en is het daarom makkelijker deze ziektebeelden te onderscheiden.
Aanbevelingen
OVERWEEG:
Verpleeghuissituatie/Thuissituatie
Overweeg bij een blijvend onduidelijk beeld als verpleegkundige een verzoek voor overleg op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
OVERWEEG:
Thuissituatie
Overweeg als wijkverpleegkundige om op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier informatie op te halen van de naaste/familie de huisarts of praktijkondersteuner huisarts (POH) voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
OVERWEEG:
Verzorgende, Verpleegkundige en Verpleegkundig specialist
- Overweeg bij van delier verdachte persoon het bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen en voorkomen van wanen en hallucinaties te onderzoeken. Hou er daarbij rekening mee dat de symptomen kunnen veranderen gedurende de dag, dus doe navraag bij naaste/familie. Vraag gericht naar oriëntatie, geheugen, wanen en hallucinaties.
- Overweeg door middel van evaluatie van de rapportages van symptomen vast te stellen of de observaties passen bij een delier, dementie of depressie.
Overwegingen
Kwaliteit van bewijs
Thuis
Er zijn geen onderzoeken gevonden die een indicatie kunnen geven over delier en het onderscheid met dementie/depressie in de thuissituatie. In de NHG standaard delier werd wel een tabel opgenomen waarin dit onderscheid tussen delier, depressie en delier werd aangegeven, zie tabel 1.
In het algemeen kan worden gezegd dat de symptomen niet anders zijn, maar de mate waarin ze worden waargenomen en worden geregistreerd, kunnen verschillend zijn. Vanwege deze onduidelijkheid kan worden overwogen als verpleegkundige een verzoek voor overleg te doen op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en er kan worden overwogen om informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar op te halen voor beoordeling en nader onderzoek op delier
Tabel 1. Onderscheid tussen delier, depressie en dementie (NHG standaard delier, 2014)
Delier en depressie
Er zijn geen onderzoeken gevonden die een indicatie kunnen geven over delier in combinatie of differentiatie met depressie. Er zijn wel een aantal kaders die richting kunnen geven als het gaat om op welke symptomen moet worden gelet om een diagnose depressie vast te stellen, zie ook tabel 1. Als richtlijn kan ook gebruik gemaakt worden van het classificatiesysteem van de DSM 5, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Depressie is een stoornis waarbij gedurende tenminste twee weken bijna dagelijks vijf of meer van de volgende symptomen optreden, waarbij ten minste één van de twee eerstgenoemde symptomen aanwezig moet zijn. De kernsymptomen zijn; een sombere stemming en een duidelijk verminderde interesse of plezier in (bijna) alle activiteiten, gedurende het grootste deel van de dag. Aanvullende symptomen zijn gewichtsverandering of veranderingen in eetlust, slapeloosheid, rusteloosheid of traagheid, moeheid, gevoel van waardeloosheid of buitensporig schuldgevoel, concentratieverlies en terugkerende gedachten aan de dood.
(https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/depressieve-stoornissen/samenvatting)
Waarden en voorkeuren van cliënten en (evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
Inzet van naaste/familie in het detecteren kan belastend zijn, maar gezien de extra zorg die vaak geboden moet worden bij de zorgvraag van een cliënt met een delier, dementie of depressie; van meerwaarde. Uit de enquête van de Patiëntenfederatie blijkt dat in 20% van de gevallen het delier wordt gedetecteerd door een naaste. Het informeren van naaste/familie om een delier te herkennen zou van toegevoegde waarde kunnen zijn (Patiëntenfederatie, 2020).
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
De werkgroep is van mening dat er een tekort is aan kennis en deskundigheid om een delier, dementie en depressie te herkennen. Scholing zou een mogelijke interventie zijn en is haalbaar binnen de huidige context van scholingsmogelijkheden, zowel landelijk en op instellingsniveau. Daarbij is zichtbaarheid en urgentie van belang bij de uitvoerder van de scholing, om verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten adequaat te scholen. Bij gebrek aan kennis en deskundigheid kan ook worden overwogen als verpleegkundige een verzoek voor overleg te doen op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en er kan worden overwogen om informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar op te halen voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Kosten (middelenbeslag)
Scholing zou van belang kunnen zijn voor verzorgende, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten om snel, effectief en adequaat te kunnen observeren en verpleegkundig te handelen. Het kost tijd en middelen om dit te kunnen gebruiken. Hoe de kosteneffectiviteit van deze interventies is, is voor de werkgroep niet kwantitatief te maken.
Rationale van de aanbevelingen; weging van argumenten voor en tegen de interventies
Kennis en adequate gegevensverzameling is van belang. Tevens is het noodzakelijk om meer zicht en inzicht te krijgen in de differentiatie van de symptomen behorend bij delier, dementie en depressie.
Kwaliteit van bewijs
Verpleeghuis
Delier
De kwaliteit van het gevonden bewijs is laag voor het onderscheid tussen delier, dementie en depressie. Onderzoek toont aan dat symptomen gedetecteerd kunnen worden met behulp van screeningsinstrumenten. Om adequaat een delier te kunnen detecteren moet het instrument dan ook dagelijks ingevuld worden. Daarom is het praktischer om het instrument alleen op indicatie te gebruiken. Hiertoe moeten de verzorgende, verpleegkundige en verpleegkundig specialist in staat zijn om de verschillen te duiden tussen delier, dementie en depressie. Het kan mogelijk zijn dat er scholing nodig is om medewerkers voldoende kennis en vaardigheden te geven om de screeningslijsten te gebruiken. Bij een gebrek aan bekendheid met deze instrumenten kan ook worden overwogen om als verpleegkundige een verzoek voor overleg te doen op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en er kan worden overwogen om informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar op te halen voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Delier en dementie
Onderzoeken tonen aan dat een aantal symptomen sterke aanwijzingen vormen voor delier en/of dementie . Verandering van deze symptomen is een goede indicatie en kan aanleiding geven tot het gebruik van een screeningsinstrument.
Niet alle symptomen worden altijd goed gedetecteerd door verzorgende, verpleegkundige en verpleegkundig specialist. Vaak komt dit door een gemis aan kennis en de bewustwording dat een delier bij dementie voor kan komen. Symptomen die gesignaleerd worden bij een delier zijn onduidelijk taalgebruik, snel afgeleid zijn, verschil in cognitief functioneren in de loop van de dag en veranderingen in slaap-waak ritme. Symptomen die minder vaak gesignaleerd worden zijn wisseling van symptomen gedurende de dag, verminderde aandacht en onlogisch denken, waarnemingsstoornissen en motorische onrust (van lethargie tot agitatie).
Bij dementie is er vaak sprake van een langzaam en geleidelijk proces in de verandering en het beloop van symptomen. Bij een delier is er sprake van een plotseling verandering van symptomen en het beloop kan sterk wisselen. Daarnaast is er bij een beginnende dementie sprake van een helder bewustzijn en bij een delier van een wisselend bewustzijn (zie NHG standaard).
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
De werkgroep is van mening dat er een tekort is aan kennis en deskundigheid om een delier, dementie en depressie te herkennen. Scholing zou een mogelijke interventie zijn en is haalbaar binnen de huidige context van scholingsmogelijkheden, zowel landelijk en op instellingsniveau. Daarbij is zichtbaarheid en urgentie van belang bij de uitvoerder van de scholing, om verzorgenden, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten adequaat te scholen. Vanwege het gebrek aan kennis en deskundigheid kan ook worden overwogen als verpleegkundige om op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier informatie van de naaste/familie de huisarts of POH op te halen voor beoordeling en nader onderzoek op delier of bij een specialist ouderengeneeskunde, psychiater, geriater of verpleegkundig specialist.
Kosten (middelenbeslag)
Scholing zou van belang kunnen zijn voor verzorgende, verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten om snel, effectief en adequaat te kunnen observeren en verpleegkundig te handelen. Het kost tijd en middelen om dit te kunnen gebruiken. Hoe de kosteneffectiviteit van deze interventies is, is voor de werkgroep niet kwantitatief te maken.
Rationale van de aanbevelingen; weging van argumenten voor en tegen de interventies
Het is noodzakelijk om meer zicht en inzicht te krijgen in de differentiatie van de symptomen behorend bij delier, dementie en depressie. Uit de literatuur komen een aantal symptomen naar voren die gebruikt kunnen worden om onderscheid te maken tussen delier en dementie, deze symptomen zijn:
- slaapproblemen (of een verstoorde slaapwaakcyclus),
- veranderde waarneming
- taalproblemen
- aandachtsproblemen
Er zijn op basis van de beschikbare literatuur en expert opinion van de werkgroep enkele aanbevelingen geformuleerd over de wijze waarop er onderscheid gemaakt kan worden tussen voornamelijk delier en dementie.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Sectie Verpleeghuissituatie
1.1 Uitkomstmaat verschil delier en dementie
Verschijnselen die mogelijk het verschil tussen delier en dementie kunnen aangeven waren de volgende:
- slaapproblemen (of een verstoorde slaapwaakcyclus),
- veranderde waarneming
- taalproblemen
- en aandachtsproblemen
Voor meer informatie tabel 1. (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
1.2 Overige uitkomstmaten
De uitkomstmaten verschil tussen delier en een depressie en tussen depressie en cognitieve problemen in de verpleeghuissituatie konden niet worden beschreven vanwege een gebrek aan onderzoeksgegevens. (geen GRADE)
Setting Thuissituatie
2.1 Overige uitkomstmaten
De uitkomstmaten verschil delier, depressie of cognitieve problemen in de thuissituatie konden niet worden beschreven vanwege een gebrek aan onderzoeksgegevens. (geen GRADE)
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Onderzoek in het verpleeghuis en de thuissituatie met betrekking tot verpleegkundig handelen bij cliënten met dementie, delier en/of depressie is schaars. Er werden geen studies gevonden die betrekking hadden op de thuissituatie. Vier studies beschreven de verschillen tussen dementie en depressie. Er zijn geen onderzoeken/artikelen gevonden in de search die een verschil kunnen aangeven tussen de kenmerken van een delier en een depressie.
Setting Verpleeghuissituatie
Uitkomstmaat onderscheid delier, dementie, depressie
Er werden vier studies gevonden die de gelijktijdige aanwezigheid van een delier en dementie beschreven en symptomen die een onderscheid mogelijk maakten zie tabel 1. Helaas werd er geen Nederlands onderzoek gevonden.
Franco 2019 was een cross-sectioneel onderzoek in een verpleeghuis in Spanje. Er werden 200 cliënten geïncludeerd die waren opgenomen voor medisch-chirurgisch herstel vanuit het ziekenhuis, een begeleide seniorenwoning of thuis. De deelnemers werden onderverdeeld in twee groepen: met milde cognitieve stoornis of dementie (MCI-DEM) en zonder milde cognitieve stoornis of dementie (No MCI-DEM). Binnen die groepen zaten vervolgens cliënten met delier (DEL) of zonder delier (NDEL), zodat er vier groepen konden worden vergeleken. De No MCI-DEM NDEL groep bestond uit 67 cliënten (leeftijd: 74,24 ± 12,41 en 47,8% vrouw), No MCI-DEM DEL 16 cliënten (leeftijd: 82,31 ± 6,45 en 37,5% vrouw), MCI-DEM NDEL 79 cliënten (leeftijd: 79,29 ± 7,80 en 60,7% vrouw) en de groep MCI-DEM DEL 38 cliënten (leeftijd: 81,92 ± 7,43 en 44,7% vrouw). Kenmerken van delier werden vastgesteld met de Spaanse versie van de Delirium Rating Scale Revised-98 (DRS-R98). Er werd onderzocht wat onderscheidende kenmerken van delier zijn bij comorbiditeit van milde cognitieve stoornis of dementie. Ze vonden drie items van de DRS‐R98 als onderscheidend voor een delier: aandacht, taal en slaap-waakcyclus.
Landreville (2013) was een observationele studie in drie instellingen voor langdurige zorg en één afdeling langdurige zorg van een groot regionaal ziekenhuis in Canada. Bewoners van 65 jaar en ouder met een diagnose dementie in hun medisch dossier zonder voorgeschiedenis van psychiatrische aandoeningen kwamen in aanmerking voor het onderzoek. Er waren 155 demente deelnemers (leeftijd: 86,3 ± 6,9 jaar en 73,5% vrouw) aan het onderzoek. Iedere deelnemer werd gedurende zeven uur geobserveerd door twee getrainde onderzoeksverpleegkundigen. Een eerste onderzoeksverpleegkundige stelde de aanwezigheid van delier vast met de Confusion Assessment Method (CAM). Een tweede onderzoekverpleegkundige stelde gedragssymptomen van dementie vast (in de laatste drie dagen voor de CAM) alsook slapeloosheid, depressie en pijn (in de laatste zeven dagen voor de CAM). De personen met delier werden vergeleken met personen zonder delier op hun gedragssymptomen voor dementie.
Personen met een delier scoorden gemiddeld statistisch significant hoger op de totaalscore voor gedragssymptomen voor dementie ten opzichte van de personen zonder delier (p < 0,0001). Op de afzonderlijke gedragssymptomen voor dementie scoorden personen met een delier ook statistisch significant hoger dan personen zonder delier. Dit betrof: 1) agressief/ niet-meewerkend gedrag (p < 0,001), 2) dwalen/ proberen weg te gaan (p < 0,001), 3) irrationeel gedrag (p < 0,001), en 4) agitatie (p < 0,01). Personen met een delier scoorden ook hoger op slaapproblemen, maar dit verschil was niet statistisch significant.
Sepulveda (2017) was een cross-sectioneel onderzoek in één academisch ziekenhuis in Sligo (Ierland) en een verpleeghuis in Reus (Spanje). Per instellingen werden 200 patiënten geïncludeerd, wat resulteerde in een groep van 400 patiënten (leeftijd: 79.7 ± 8.5 jaar en 49.3% man). Bij patiënten werd een delier gediagnosticeerd door middel van de DSM-5 criteria door het klinische onderzoekspersoneel. Symptomen van het delier werden vastgesteld met de Delirium Rating Scale-Revised-98 (DRS-R98). De groep patiënten met delier werd vervolgens vergeleken met de groep patiënten zonder delier op hun scores op de items van de DRS-R98.
In de studie van Sepulveda (2017) konden de personen met delier onderscheiden worden van de personen zonder delier (waarvan sommigen met dementie) op bijna alle items van de DRS-R98, behalve op de psychotische items (waarneming, hallucinaties en wanen) en de geheugen items (kortetermijngeheugen en langetermijngeheugen). De items die onderscheidend waren zijn: verstoringen in de slaap-waakcyclus, ontroering (affect), taal, afwijkingen in het denkproces, motorische onrust, motorische vertraging, oriëntatie, aandacht, visuospatieel vermogen (ruimtelijk inzicht), geleidelijk begin van symptomen, fluctuatie in ernst van symptomen en lichamelijke aandoening.
Voyer (2008) was een prospectieve studie die plaatsvond in drie instellingen voor langdurige zorg en één groot regionaal ziekenhuis in Canada. Alle bewoners van 65 jaar en ouder met de diagnose dementie en geen voorgeschiedenis van psychiatrische ziekte konden deelnemen. Er werden 156 bewoners (leeftijd 86,3 ± 6,9 jaar en 73.7% vrouw) geïncludeerd. Tijdens het eerste meetmoment stelde een eerste getrainde onderzoeksassistent de aanwezigheid van delier vast met behulp van Confusion Assessment Method (CAM) en zes symptomen van delier met de Minimum Data Set-2 (MDS-2). Aan het einde van diezelfde dag interviewde een tweede getrainde onderzoeksassistent de verpleegkundige en vroeg deze naar dezelfde zes symptomen van delier. Dit werd herhaald op het tweede meetmoment zeven dagen later.
Er waren drie symptomen die door de verpleegkundigen juist gemakkelijker werden herkend: ongeorganiseerde spraak (58,1%), gemakkelijk afgeleid (53,4%) en het variëren van de mentale functie in de loop van de dag (45,8%). De symptomen die moeilijker door de verpleegkundigen werden opgemerkt: periodes van veranderde waarneming (39,1%), periodes van lethargie (34,9%) en periodes van rusteloosheid (32,4%). Voor het tweede meetmoment werden soortgelijke resultaten gerapporteerd.
Setting thuissituatie
Er werden geen studies gevonden die betrekking hadden op de thuissituatie.
Instrumenten diagnose
Inleiding
Uitgangsvraag: Met welke screenende en diagnostische instrumenten kan een delier bij kwetsbare ouderen, volwassenen met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen gediagnosticeerd worden in de thuissituatie en/of een verpleeghuis?
Thuissituatie
In de thuissituatie stelt de huisarts veelal de diagnose delier, soms ondersteund door een ambulant werkzame specialist ouderengeneeskunde, psychiater of geriater. In de thuissituatie is er zelden sprake van 24-uurs beschikbaarheid van een behandelteam. Daarnaast is het onbekend welke screenende en diagnostische instrumenten in de thuissituatie ingezet kunnen worden door verpleegkundig specialisten, verpleegkundigen en verzorgenden. Tenslotte heeft niet iedere hoofdbehandelaar ervaring met de diagnostiek van een delier. Het ontbreekt de naaste/familie vaak aan kennis over wat een delier is.
Verpleeghuis
In het verpleeghuis stelt de specialist ouderengeneeskunde of de verpleegkundig specialist de diagnose delier. De diagnose delier wordt vaak gesteld en is vaak het resultaat van meerdere stappen. Dit begint met alertheid op symptomen, screening naar risicofactoren, gevolgd door een diagnose delier door een deskundig arts of verpleegkundig specialist. In het verpleeghuis wordt niet routinematig gescreend op een delier, maar wordt de DOSS pas gebruikt als hulpmiddel bij vermoeden van een delier. Bijvoorbeeld als alarmsignalen, zoals probleemgedrag bij dementie, optreden. De DOSS wordt gebruikt om onduidelijke symptomen die kunnen passen bij de diagnose delier in kaart te brengen, zodat de diagnose gesteld kan worden.
Aanbevelingen
OVERWEEG:
Thuissituatie
- Omdat informatie van naaste/familie wenselijk is kan, bij gebrek aan een goed alternatief, toch de Delirium Caregiver Questionnaire gebruikt worden om deze informatie te verkrijgen.
- Overweeg als wijkverpleegkundige om op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie de huisarts of POH voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
- Overweeg als wijkverpleegkundige, verpleegkundige of verzorgende de huisarts of POH te benaderen voor een beoordeling en nader onderzoek op een delier bij thuiswonende cliënten met een hoog risico, bijvoorbeeld bij veranderd gedrag, het optreden van koorts, toename van bedlegerigheid, plots matige intake, plots optredende urine incontinentie en slaapstoornissen.
DOEN:
Verpleeghuissituatie
- Overweeg de MOTYB om vast te stellen of er sprake is van verstoorde aandacht.
- Overweeg als gespecialiseerd verpleegkundig specialist of specialist ouderengeneeskunde de Delirium Caregiver Questionnaire of DOSS om bij een plotse verandering van functioneren of geheugen te beoordelen of er sprake is van een delier.
NIET DOEN:
Screen niet routinematig op een delier in het verpleeghuis.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en kwaliteit van bewijs
Thuissituatie
Het gebruik van screeningsinstrumenten om een delier te detecteren is beperkt onderzocht. Vroegtijdige delierdetectie is gericht op de in uitgangsvraag 2 van deze richtlijn genoemde observaties door naaste/familie. Een getrainde verpleegkundige zou indien hij/zij ervaring heeft in het diagnosticeren van een delier de CAM kunnen gebruiken om deliersymptomen in kaart te brengen en in staat zijn essentiële metingen te verrichten zoals temperatuurmeting, bloeddrukmeting, polsfrequentie en zuurstofsaturatie bij risicopatiënten. Hierbij valt ook te denken aan de volgende risicofactoren voor een delier: toename van bedlegerigheid, plots matige intake van vocht of voedsel en plots optredende urine incontinentie en/of slaapstoornissen.
Het valt te overwegen om deze ook thuis in te (laten) vullen. Een nadeel van de DOSS is dat deze driemaal per dag moet worden ingevuld, wat vaak niet realistisch is in de thuissituatie omdat de wijkverpleegkundige niet continu aanwezig is. Daarom lijkt het zeer waardevol om informatie van naaste/familie te gebruiken door hen de DOS schaal te laten invullen of de Delirium Caregiver Questionnaire, om de situatie beter te kunnen inschatten bij cognitieve symptomen.
Verpleeghuis
Het gebruik van screeningsinstrumenten om een delier te detecteren is beperkt onderzocht en lijkt ook weinig zinvol, gezien de hoge prevalentie van cognitieve problemen. Screening kan ingezet worden op het moment dat verzorgenden aangeven dat de cliënt “anders is dan anders”. Dat wordt heel vaak goed geobserveerd. Snelle screeningstests kunnen mogelijk ook behulpzaam zijn om veranderingen in aandacht en ‘arousal’ te signaleren. Hierbij kwam de MOTYB (Months Of The Year Backwards) naar voren als een geschikt instrument: het opnoemen van de maanden van het jaar in omgekeerde volgorde. Het vervolgens invullen van de Delirium Caregiver Questionnaire of DOSS kan helpen om op systematische wijze de aanwezige symptomen te rapporteren.
Dementie en delier
De gelijktijdige aanwezigheid van dementie en delier kan ervoor zorgen dat het lastig is om een delier te detecteren. Er werden geen studies gevonden die gericht waren op deze subgroep.
Waarden en voorkeuren van cliënten (en evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
Het is voor cliënten en naaste/familie van belang dat een delier snel gedetecteerd wordt. Bij voorkeur wordt de screening uitgevoerd door een vertrouwd persoon. Het laten invullen van te veel screeningsinstrumenten is belastend voor de cliënt. Goede informatievoorziening van naaste/familie is belangrijk. Uit de enquête uitgezet door de Patiëntenfederatie Nederland blijkt dat bij 74% van de deelnemers het delier spoedig werd herkend, hetgeen betekent dat bij 26% van de deelnemers dit niet het geval was.
Kosten (middelenbeslag)
Screenen is een diagnostische modaliteit die geringe kosten met zich meebrengt. Wel kan het zo zijn dat de verpleegkundige/verzorgende onvoldoende tijd heeft voor het afnemen van een screeningsinstrument. Dat zou ervoor kunnen pleiten om eerst de MOTYB te doen en bij een verstoorde aandacht de DOSS in te gaan vullen. Een kwantitatieve beschrijving van de kosten is op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
Screenen op een delier in verpleeghuizen is alleen standaardbeleid bij een duidelijke knik in (cognitief) functioneren en de uitvoering hiervan is lastig. Gezien de slechte cognitieve status van veel verpleeghuisbewoners zijn veel fout-positieve uitslagen te verwachten, hetgeen routinematig screenen onmogelijk maakt. Screening kan ingezet worden op het moment dat verzorgenden aangeven dat de cliënt “anders is dan anders”. Dat wordt heel vaak goed geobserveerd. Dat zou een moment kunnen zijn om de MOTYB te doen. Bij een verstoorde aandacht moet vervolgens de DOSS ingevuld worden.
Screenen in de thuissituatie is lastig. Een instrument dat driemaal daags moet worden afgenomen, is vaak niet realistisch omdat de wijkverpleegkundige niet continu aanwezig is. Daarom lijkt het zeer waardevol om informatie van naaste/familie te gebruiken. Zo mogelijk kan de familie geïnstrueerd worden om de DOSS in te vullen.
Rationale van de aanbevelingen
Screenen is alleen zinvol bij risicogroepen en risicovolle omstandigheden, bijvoorbeeld bij cliënten met dementie en koorts. Screenen kan belastend zijn voor personeel en cliënt, maar een niet-gedetecteerd delier heeft eveneens grote gevolgen. Daarom is de werkgroep van mening dat ondanks de beperkte bewijskracht, screenen is aan te raden. Vanwege de hoge prevalentie van cognitieve problemen in verpleeghuizen wordt routinematig screenen daar echter afgeraden.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Setting thuissituatie
1.1 Uitkomstmaat Delirium Caregiver Questionnaire
De Delirium Caregiver Questionnaire, ingevuld door psychiatrisch verpleegkundigen en artsen aan de hand van informatie van naaste/familie, lijkt mogelijk een redelijke sensitiviteit en specificiteit te hebben voor het vaststellen/uitsluiten van delier, bij cliënten verwezen naar de geheugenkliniek . (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
1.2 Overige uitkomstmaten
De uitkomstmaten DOSS & MOTYB in de thuissituatie konden niet worden beschreven vanwege een gebrek aan onderzoeksgegevens. (geen GRADE)
Setting verpleeghuissituatie
2.1 Uitkomstmaat DOSS
De DOSS lijkt niet geschikt om te screenen op een delier in het verpleeghuis door daarin getrainde verpleegkundigen of verzorgenden. Een positieve DOSS geeft nauwelijks informatie; een negatieve DOSS sluit een delier uit . (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
2.2 Uitkomstmaat MOTYB
De MOTYB heeft mogelijk een redelijke sensitiviteit en een matige specificiteit in het vaststellen/uitsluiten van delier in een verpleeghuis door daartoe opgeleide verpleegkundigen . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Thuissituatie
De studie van Luijendijk (2019) beschreef de Delirium Caregiver Questionnaire; een vragenlijst voor verzorgers om een delier te detecteren. Deze vragenlijst werd afgenomen bij verzorgers van 112 cliënten bij een geheugenkliniek en bij een polikliniek; gemiddeld 82,0 jaar en 67% vrouwen. De gegevens werden gebruikt voor de ontwikkeling van een definitieve vragenlijst en die werd gevalideerd bij verzorgers van 234 cliënten die doorverwezen waren voor een poliklinische dementiescreening door verpleegkundigen en artsen. De gouden standaard voor een delier in deze studie was een psychiatrisch onderzoek door een verpleegkundige en klinisch geriater waarvoor twee huisbezoeken werden afgelegd, meestal in aanwezigheid van de verzorger. Deze Delirium Caregiver Questionnaire bevatte de volgende items: bezoek aan de SEH nodig; slaapstoornissen; fluctuerend beloop; hallucinaties; verwarde gedachten; eerder delier en recent ontslag uit het ziekenhuis. De prevalentie van delier was 49%. De diagnostische accuratesse van deze vragenlijst werd onderzocht en de sensitiviteit was 73,5% en de specificiteit 73,5%.
Verpleeghuis
De review van Quispel Aggenbach 2018 was gericht op snelle screeningstests die binnen drie minuten aan het bed konden worden gebruikt bij ouderen die waren opgenomen in het ziekenhuis of verpleeghuis. Dit review includeerde 27 studies en 31 publicaties hierover t/m december 2017 (zie tabel 1 van het artikel voor een overzicht van alle studies). De screeningstests waren veelal gericht op aandacht en ‘arousal’. Veel van de geïncludeerde tests zijn heel kort. Ze geven aan dat er mogelijke cognitieve problemen zijn, dus is het heel lastig die te gebruiken bij een bestaande dementie.
Dit review excludeerde alle tests waarvoor informatie van een naaste/familie nodig was. De meeste van de geïncludeerde studies waren uitgevoerd (door studenten, onderzoekers, verpleegkundigen, geriater, psychiaters of delier experts) op diverse afdelingen in het ziekenhuis, slechts enkele studies waren in het verpleeghuis uitgevoerd (in Canada) en geen van de studies was thuis uitgevoerd. Van de gebruikte instrumenten was alleen de RADAR (Recognizing Acute Delirium As part of your Routine) gevalideerd in het verpleeghuis.
De RADAR, bestaande uit vijf items, werd gevalideerd bij een gecombineerde cliëntengroep met deels ziekenhuispatiënten (N=142) en deels verpleeghuiscliënten (N=51) (Voyer 2015). De lijst werd afgenomen door één onderzoeksassistent die verantwoordelijk was voor de afname van de RADAR. De RADAR werd gelijktijdig afgenomen door verpleegkundigen aan het bed tijdens de momenten waarop de medicatie werd uitgedeeld. Als gouden standaard werd de delier diagnose gesteld aan de hand van de CAM. Deze werd afgenomen door een andere daarin getrainde onderzoeksassistent. Ziekenhuispatiënten waren gemiddeld 79 jaar en verpleeghuiscliënten gemiddeld 85 jaar oud. Van de ziekenhuispatiënten had 3,5% dementie en 71% van de verpleeghuiscliënten. Er werd een sensitiviteit van 73% gezien en specificiteit van 67%, wanneer de RADAR drie- tot viermaal daags werd afgenomen.
Bij dezelfde patiëntengroep werd ook een tiental cognitieve tests gericht op aandacht afgenomen, omdat verstoorde aandacht één van de belangrijkste kenmerken is van een delier . Deze studie liet zien dat vooral de MOTYB (het achterstevoren opnoemen van de maanden van het jaar) een goede balans tussen sensitiviteit (82.6%) en specificiteit (62.5%) had (met de diagnose delier).
Het gebruik van de RADAR in Nederland werd niet beschreven en het was ook niet bekend bij de werkgroepleden.
Eén studie bestudeerde het gebruik van de DOSS in een verpleeghuis . De DOSS is een screeningsinstrument dat door de verpleegkundige gebruikt kan worden. De DOSS is gebaseerd op de DSM-IV diagnostische criteria voor delier. De originele versie van de schaal bevat 25 gedragsitems die acht diagnostische en gerelateerde symptomen omvatten: verstoringen van het bewustzijn, aandacht, concentratie, stemming, perceptie, denken, geheugen, oriëntatie, psychomotore activiteit en slaap-waak patroon. Een gemiddelde score van meer dan drie punten gemeten over drie diensten maakte een delier waarschijnlijk. Deze gedragsitems zijn waar te nemen door een getrainde verpleegkundige met basiskennis van geriatrie. De DOSS kan in minder dan vijf minuten worden ingevuld.
In 2018 werd de 25-item DOSS gevalideerd in negen verpleeghuizen in het Verenigd Koninkrijk . De DOSS werd afgenomen bij 216 bewoners met een gemiddelde leeftijd van 84,9 jaar en vergeleken met de CAM als gouden standaard. De CAM werd tweemaal per week bij de deelnemers afgenomen. Gedurende 15 maanden was de CAM 78 maal positief voor een delier. De sensitiviteit van de DOSS, afgenomen door getrainde verzorgenden, bedroeg 61% en de specificiteit 71%.
Verzorging, verpleging en begeleiding
Inleiding
Uitgangsvraag: Op welke manier moet de verzorging, verpleging en begeleiding geboden worden aan kwetsbare ouderen en volwassenen, met (al dan niet gediagnosticeerde) cognitieve problemen, met een delier die thuis wonen of in een verpleeghuis?
Aanleiding en doel
Optimale verzorging, verpleging en begeleiding kan mogelijk helpen bij het herstel van een delier. Dit geldt voor alle professionals die hierbij betrokken zijn, zowel voor de cliënt zelf als de naaste/familie. De organisatie van zorg geeft problemen omdat deze vaak intensief is en 24 uur per dag doorgaat. In de thuissituatie is een belemmering dat de wijkverpleging maximaal enkele keren per dag langskomt.
Aanbevelingen
DOEN:
Thuissituatie/verpleeghuis
Beschrijf een delier en de bijbehorende cognitieve problemen van cliënten zorgvuldig in de verpleegkundige rapportage.
Thuissituatie
Betrek in de thuissituatie in overleg met de huisarts een zorgmedewerker zoals een casemanager dementie, de wijkverpleegkundige of de POH ouderen).
OVERWEEG:
Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren visus en gehoor, goede daginvulling en evaluatie van medicatie) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer de gezamenlijke gemaakte afspraken in het zorgleefplan, waarbij rekening gehouden wordt met de doelen voor de cliënt en wensen van de familie.
- Toepassen dwang
- Vaak onvermijdelijk
- In de regel in samenspraak met mantelzorger/familie
- Te nemen maatregelen afhankelijk van setting waarin patiënt verblijft
NIET DOEN:
Tegen de beleving van de cliënt ingaan.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en kwaliteit van bewijs
Er was weinig literatuur beschikbaar om deze vraag te beantwoorden en de bewijskracht is zeer laag. Daarom wordt hier wordt aangesloten bij de NVKG-richtlijn delier bij volwassenen en ouderen . De NVKG-richtlijn delier concludeerde dat een meervoudig en multidisciplinair/verpleegkundig interventieprogramma de incidentie van delier verlaagde en functionele achteruitgang verminderde. Deze meervoudige interventieprogramma’s waren gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren visus en gehoor, goede daginvulling en medicatiegebruik. Voor meer informatie over deze programma’s zie de bijlage ‘meervoudige interventieprogramma’s’. De NVKG-richtlijn beschrijft dat preventie en behandeling van delier bestaat uit drie hoofdpijlers: het behandelen van de oorzaak van het delier, het optimaliseren van de communicatie met de cliënt (en diens naaste/familie) en oriëntatie en het zorgen voor een gepaste veilige zorgomgeving. De UKON Nijmegen leidraad (juni 2021) heeft diverse richtlijnen samengevat, en geeft concrete adviezen aan de directe verzorgenden hoe te handelen in de langdurige zorg bij veel voorkomende problemen bij een delier, zoals angst, motorische onrust, slaap, mobiliteit pijn en vocht- en voeding. Onderwijs over het meervoudige interventieprogramma is hierbij van groot belang. In het verpleeghuis wordt gedacht dat een multidisciplinaire teams delier expertise hebben en de meest recente delier richtlijnen implementeren. Ook kunnen zij zorgen voor een up-to-date delier protocol. Bij een delier in de thuissituatie wordt er een grote rol gezien voor een zorgmedewerker zoals een casemanager dementie, wijkverpleegkundige of POH die de zorg coördineert en de zorg op- en afschaalt naar behoefte. Deze zorgmedewerker signaleert en betrekt andere disciplines.
De ervaring van de werkgroepleden is dat een delier redelijk vaak optreedt, maar dat er dan vaak ook andere problemen spelen die aandacht behoeven. In de begeleiding van cliënt en naaste/familie ligt de eerste focus op de veiligheid. Concreet betekent dit opruimen van scherpe voorwerpen en maatregelen om valpartijen te voorkomen. Een tweede item is rust. Dit betekent zo min mogelijk verplaatsingen (het is immers voor de cliënt al moeilijk om prikkels uit de eigen vertrouwde omgeving te duiden, laat staan een nieuwe omgeving waar alles op een andere plaats staat en zelfs een vertrouwde kamergenoot er niet meer is), vertrouwde personen om zich heen en op een eenpersoonskamer veel aandacht voor het voorkomen van onderprikkeling, wat een delier verergert. Ook kan dan het bezoek gereguleerd worden zodat overprikkeling voorkomen wordt. Het dag-nachtritme wordt gestructureerd: overdag daglicht en in de nacht een schemerlampje. In de bejegening is rust van belang. Verzorging vindt plaats door liefst één vertrouwd persoon. Daarnaast wordt oriëntatie gestimuleerd: denk aan een klok en kalender, maar ook vertrouwde voorwerpen of een vertrouwde foto.
Bij gedragsproblematiek bij delier volgen wij de richtlijn probleemgedrag van Verenso. Veel mensen met een delier hebben geen dementie, maar hun gedrag lijkt daar sterk op. Een algemene beoordeling is dan van belang waarbij symptomen goed gerapporteerd worden en er aandacht is voor kwetsbaarheid (zie ook de richtlijn probleemgedrag, ). Geïdentificeerde kwetsbare ouderen behoren een zorgleefplan te hebben waarin aandachtsgebieden, wensen, doelen en acties zijn beschreven. Dit zorgleefplan kan conform de SAMPC-methodiek zijn opgesteld .
De volgende basisregels voor omgaan met gedragsproblemen zijn van toepassing (therapeutisch omgaan met gedrag) :
- Mijn gedrag is een middel om het gedrag van de cliënt te sturen.
- Om het gedrag van anderen te sturen moet ik af en toe doelbewust mijn spontane gedrag vervangen door van tevoren afgesproken gedrag.
- Mensen die door psychiatrisch en/of psychogeriatrische ziekten en/of delier in de war zijn moeten uit mijn gedrag kunnen afleiden wat de werkelijkheid is
- Voorop blijft staan dat ik altijd “echt” ben: door mijn reacties maak ik de ander duidelijk wat zijn gedrag bij mij teweegbrengt. Hierop maken we een uitzondering als we met zijn allen hebben afgesproken op een bepaalde manier te reageren.
- We bespreken met een deskundige onze manier van omgaan en houden allemaal dezelfde lijn aan. Naaste/familie wordt betrokken bij deze omgangslijn.
- We realiseren ons dat we soms geraakt kunnen worden door opmerkingen, maar ook dat sommige opmerkingen komen vanuit een ziekte en dus niet persoonlijk bedoeld zijn, zodat we er niet onder hoeven te lijden.
- Op welke manier iemand ook psychisch ziek is, ik zal altijd mijn grenzen bewaken om ervoor te zorgen dat ik niet beschadigd word.
Bij meer complexe en ernstige gedragsproblematiek kan een benaderingsplan zinvol zijn. Gedragingen die hinderlijk zijn voor de oudere en/of anderen zouden kunnen verbeteren door een eenduidige benadering. De hulp van een gedragsdeskundige (veelal een gezondheidszorg psycholoog gespecialiseerd in ouderen) is dan wenselijk.
Het raadplegen van een standaard verpleegplan waarin acties benoemd zijn voor een delier is aan te raden.
Dwang in de begeleiding van de cliënt
Regelmatig zal het nodig zijn om onvrijwillige zorg (dwang) toe te passen (bijvoorbeeld een gesloten deur). Het wettelijk kader dat dit mogelijk maakt verschilt. In ieder geval moet beschreven worden in het dossier welk kader gebruikt wordt. Daarnaast moet de dwangmaatregelen beschreven worden en onder welke omstandigheden deze van toepassing zijn. De maatregelen moeten geëvalueerd worden op een juiste termijn, waarbij de vertegenwoordiging betrokken wordt.
Veel cliënten (zonder typische achtergrond) zullen vallen onder de WBGO (wet op de geneeskundige behandelovereenkomst). Meestal zijn cliënten ten tijde van het delier niet wilsbekwaam en moet er vervangende toestemming zijn. Of als dit niet mogelijk is wordt er gehandeld als een “goed hulpverlener”.
Cliënten met een dementie vallen onder de wet zorg en dwang (WZD) (zowel intra- als extramuraal). Veelal is de dwang een noodmaatregel en kan die indien beschreven in het behandelplan twee weken worden toegepast, zonder dat we het stappenplan moeten gaan volgen.
Tenslotte kan de cliënt onder de Wet verplichte GGZ vallen. Er is dan een noodmaatregel uitgeschreven vanwege forse gedragsproblemen. Dit is het geval als het gevaarlijke gedrag voortkomt uit een psychiatrische stoornis zoals een depressie of psychose. Mensen met dementie worden ook vanuit de WGBO benaderd. Een delier kan gezien worden als een somatische aandoening en wordt daarom ook onder de WGBO behandeld.
Waarden en voorkeuren van cliënten (en evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
Cliënten en naaste/familie zijn erbij gebaat dat een delier snel herkend wordt en dat er dan snel (dezelfde dag) gehandeld wordt. Soms moeten cliënten die thuis wonen worden opgenomen in het ziekenhuis of een eerstelijnsverblijf, maar het heeft de voorkeur cliënten in hun eigen omgeving te behandelen. Een delier kan verergeren als cliënten uit hun vertrouwde omgeving worden geplaatst. Dit moet in overleg met de naaste/familie gedaan worden: kunnen zij het aan om hun naaste/familie thuis te verzorgen?
In een verpleeghuis is het ook belangrijk dat er snel gehandeld wordt bij een vermoeden van een delier.
Instenes (2019) beschreef de ervaringen van tien cliënten die een delier hadden doorgemaakt na aortaklep vervanging. Cliënten werden geïnterviewd 6-12 maanden na ontslag en nogmaals vier jaar na ontslag. Uit deze interviews bleek dat opmerkingen van verzorgers en familieleden tijdens een delier een blijvende indruk achterlieten. Drie subthema’s kwamen daarbij naar voren: Er was behoefte aan ‘ondersteuning van dichtbij’, ‘disrespectvol gedrag veroorzaakte een barrière’ en ‘heftige commentaren lieten een blijvende indruk achter’.
Kosten (middelenbeslag)
De voorgestelde meervoudige interventies en onderwijs zullen gepaard gaan met extra kosten, maar aangezien een delier nu vaak gemist wordt, zullen de baten opwegen tegen de kosten. Het is voor de werkgroep niet mogelijk om op basis van de beschikbare gegevens harde uitspraken te doen over de kosteneffectiviteit, echter ligt het voor de hand dat de kosten van een delier (ook op lange termijn) aanzienlijk zijn t.o.v. de kosten van de beschreven interventies. Aangezien data ontbreken en de aanbevelingen niet ver van het huidige beleid afstaan, zullen de kosten waarschijnlijk geen verandering bewerkstelligen met betrekking tot de aanbevelingen.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
De verwachting is dat de voorgestelde interventies zeer haalbaar en acceptabel zijn. Het vereist wel extra training van personeel, waarbij er facilitering logistiek en financieel nodig is.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Setting thuissituatie
Uitkomstmaat optreden delier
Het is niet bekend of het Bundled HELP programma een effect had op het optreden van een delier in de thuissituatie . (GRADE: zeer lage zekerheid van bewijs)
Setting verpleeghuissituatie
Het is niet onderzocht of het Bundled HELP programma een effect had op het optreden van een delier in de verpleeghuissituatie. (geen GRADE)
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Er werd één studie geïncludeerd, Simpson (2019). Deze studie beschreef een interventie in de thuissituatie.
De studie van Simpson et al. (2019) is een case-control-studie en rapporteerde de resultaten van het Bundled HELP programma toegepast in de thuissituatie, een vervolg op het HELP programma van . Het HELP programma bestaat uit: het screenen van cliënten bij opname gericht op zes delier risicofactoren: cognitieve achteruitgang, slaapproblemen, immobiliteit, uitdroging en zicht- of gehoorproblemen. Interventies gericht op deze factoren werden vervolgens opgestart. Uit een groot aantal verschillende zorgvuldig uitgevoerde onderzoeken bleek dat met name de ernst en duur van het delier afnam bij consequente toepassing van preventieve interventies (dit valt ook onder basiszorg). Deze onderzoeken hebben echter plaatsgevonden binnen de ziekenhuissetting. Er bestaan verschillende varianten, waarbij o.a. vrijwilligers en/of familieleden betrokken worden bij de uitvoering van de interventies. De uitvoering van HELP lijkt een aantrekkelijke optie omdat de preventieve interventies eigenlijk passen binnen goede ‘basiszorg’ interventies (zorgdragen voor goede nachtrust, intake, cognitieve stimulering en mobiliseren).
De studie van Simpson et al. (2019) paste het Bundled HELP programma toe wanneer wijkverpleging werd ingezet bij cliënten van 65 jaar of ouder. De interventie omvatte oriëntatie en therapeutische activiteiten (bijv. klok in de kamer ophangen, samen naar de agenda en geplande activiteiten kijken, krant lezen stimuleren), vroege mobilisatie (bijv. samen lopen of passieve bewegingsoefeningen), eetgewoontes (bijv. zorgen voor drie maaltijden per dag, aanmoedigingen tijdens het eten), hydratatie (bijv. aanmoedigingen om te drinken), gezichts- en gehoorvermogen (zorgen voor de aanwezigheid van een werkend gehoorapparaat en bril), en slaapbevordering (bijv. faciliteren van ruisonderdrukking, beschikbaar maken van niet-farmacologische slaaphulpmiddelen). De interventie werd thuis uitgevoerd door verpleegkundigen, verzorgenden, fysiotherapeuten, ergotherapeuten en spraaktherapeuten. Cliënten werden in het ziekenhuis voor ontslag geïncludeerd in deze studie, en kregen gemiddeld 13,4 bezoeken door de wijkverpleging tijdens de interventie, die 30 dagen duurde.
Cases waren cliënten die tussen 1 mei 2016 en 30 september 2017 met het Bundled HELP programma naar huis werden ontslagen (n=148). Controles waren cliënten die tussen 1 januari 2015 en 30 april 2016, voor de invoering van het Bundled HELP programma, waren opgenomen in het ziekenhuis en daarna naar huis werden ontslagen (n=148). In de interventiegroep ontwikkelde 2% (3 van 148) van de deelnemers een delier terwijl geen van de deelnemers (0 van 148) die gebruikelijke zorg ontving een delier ontwikkelde. Verder werd 17% (25 van 148) van de deelnemers in de interventiegroep en 28% (42 van 148) van de deelnemers in de controlegroep opgenomen in het ziekenhuis. Berekeningen lieten een verlaagd risico op ziekenhuisopname in de interventiegroep zien (RR 0,60, 95% BI: 0,38; 0,92). Informatie over de ernst of duur van het delier werd niet beschreven.
Nazorg
Inleiding
Uitgangsvraag: Hoe dient de nazorg thuis of in het verpleeghuis aan cliënten die een delier hebben doorgemaakt te worden ingericht?
Thuis/verpleeghuis
Een delier is vaak erg traumatiserend voor de patiënt en familie. Na de acute fase van een delier is de zorg rondom het delier vaak afgerond en is er geen aandacht meer voor de langetermijneffecten. Zes maanden na ontslag uit het ziekenhuis kunnen er nog negatieve effecten aanwezig zijn: problemen met de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het verlies van cognitieve vaardigheden, een toename van depressie en een hogere mortaliteit of een overbelaste naaste/familie. Het ontbreekt dan aan nazorg. Het herstel na een delier kan relatief lang duren en behoeft daarom aandacht. In deze uitgangsvraag wordt inzicht gegeven in hoe zorg na een delier ingericht kan worden in het verpleeghuis en in de thuissituatie.
Aanbevelingen
DOEN:
Thuissituatie/verpleeghuis
- Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee en geef goede voorlichting en toelichting over het delier.
- Zet in het zorgplan dat er een delier is doorgemaakt en laat de wijkverpleegkundige van de cliënt, de verpleegkundig specialist of de POH een post-delier gesprek plannen met de cliënt en mogelijk diens mantelzorger. Per regio kunnen andere afspraken gemaakt worden wie er verantwoordelijk kan zijn voor het plannen van dit gesprek.
- Overweeg in het post-delier gesprek aandacht te besteden aan de mogelijke langetermijneffecten naast de herkenning van een volgend delier.
Thuissituatie
OVERWEEG:
- Overweeg de volgende punten aan de orde te brengen in het gesprek over het delier met de cliënt en de naaste/familie:
-
- functieverlies (ADL)
- angst na een delier en cognitie
- voorkomen nieuw delier
- Eerder herkennen van een delier
- langetermijneffecten delier
- Overweeg nazorg aan te bieden voor de cliënt en de naaste/familie die een delier heeft doorgemaakt, in de vorm van een nagesprek. Wanneer bovenstaande punten zijn besproken met de cliënt/familie kan er in het zorgplan een aanvulling gedaan worden voor mogelijk extra zorg, waarbij gedacht kan worden aan:
-
- tijdelijk opschalen van de wijkverplegingsuren en een
- Overleg met cliënt over de mogelijkheid angst na delier te bespreken met de hoofdbehandelaar, die indien nodig een expert hiervoor kan inschakelen.
Dit betreft maatwerk. De wijkverpleegkundige is bekwaam om dit in het zorgplan te verwerken.
Verpleeghuissituatie
OVERWEEG:
- Overweeg in het post-deliergesprek aandacht te besteden aan de mogelijke langetermijneffecten en de mogelijkheden op een vroegere herkenning van een volgend delier.
- Overweeg als verpleegkundige bij het post-delier gesprek dezelfde aandachtspunten te gebruiken als in de thuissituatie. Echter in het verpleeghuis is de cliënt kwetsbaarder en zullen mogelijk de langetermijneffecten langer aan kunnen houden.
- Overweeg na een doorgemaakt delier het zorgplan voor de cliënt aan te passen. Hierin kan de zorg beschreven worden die op dit moment nodig is na het doorgemaakte delier.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs
Om de nazorg op een juiste manier in te richten is het van belang helder te hebben wat de langetermijneffecten zijn na een doorgemaakt delier. Er werd lage kwaliteit bewijs gevonden voor een verhoogde kans op mortaliteit en een risico op slechter functioneren. Het is daarom zinvol actief nazorg aan te bieden aan cliënten die een ernstig of lang aanhoudend delier hebben doorgemaakt. In de literatuur staat niet beschreven hoe de nazorg eruit zou kunnen zien en wie deze nazorg zou kunnen geven. Vanuit het werkveld bestaan er mogelijk wel voldoende tools om deze nazorg in te kunnen richten. Hierbij moet er aandacht zijn vanuit de zorgverlener dat er extra zorg nodig is na een doorgemaakt delier. De heersende gedachte is dat de behandeling van een delier stopt, zodra een delier over is. Hierdoor ontvangt de cliënt zowel in de thuissituatie als in verpleeghuizen geen nazorg. Na zes maanden heeft de helft van de cliënten nog klachten van het doorgemaakte delier, dat uit zich in cognitieve achteruitgang en toename van depressie.
Vanuit de literatuur komen er geen concrete aanbevelingen naar voren. Wat wel duidelijk naar voren komt is dat er langetermijneffecten bestaan na een delier. Heb hier als zorgverlener aandacht voor. Dit kan door middel van een gesprek met cliënt en naaste/familie. De richtlijn delier bij volwassen beveelt aan aandacht te besteden aan het functioneel en cognitief herstel drie maanden na het doorgemaakte delier.
Nazorg thuissituatie
Deze nazorg dient te bestaan uit een post-delier gesprek met de cliënt en de naaste/familie. In de thuissituatie is het nodig dat er een post-delier gesprek gehouden wordt met de hoofdbehandelaar huisarts, praktijkondersteuner huisarts, (wijk-) verpleegkundig specialist, casemanager of specialist in het ziekenhuis.
In dit gesprek is er aandacht voor de langetermijneffecten. Dit gesprek moet binnen drie maanden na het delier plaatsvinden. Het is van belang dat ook de naaste/familie aanwezig is bij dit gesprek. In het gesprek dient er aandacht besteed te worden aan de langetermijneffecten, functieverlies, cognitie en angst en ook de psychosociale aspecten. Voor de naaste/familie is het van belang om uit te leggen hoe het delier herkend kan worden in de toekomst en hoelang het herstel kan duren. Hiervoor kunnen de tools gebruikt worden uit uitgangsvraag 3 en www.thuisarts.nl.
Nazorg verpleeghuis
Deze nazorg dient te bestaan uit een post-delier gesprek met de cliënt en de naaste/familie. In dit gesprek is er aandacht voor de langetermijneffecten. Binnen de zorginstelling dienen de bestaande langetermijneffecten meegenomen te worden in de zorgverlening. Dit kan en zal per cliënt andere uitkomsten hebben (maatwerk). In dit gesprek dient er ook aandacht te zijn voor preventie om een nieuw delier te voorkomen of eerder te herkennen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de aanbevelingen van uitgangsvragen 2 en 3. Daarbij kan er aandacht zijn voor het functieverlies van ADL en cognitie. Wanneer dit verlies aanwezig is, is het aan te bevelen om ook het zorgleefplan aan te passen voor de cliënt. Hierbij dient er kan bij onduidelijkheden gebruik maakt worden van de tools en meetinstrumenten die momenteel al gebruikt worden binnen de zorginstelling.
Waarden en voorkeuren van cliënt (en evt. hun naaste/familie) – Cliëntenperspectief
In een post-delier gesprek kan de cliënt en de naaste/familie de ervaring van het delier bespreken. Het doormaken van een delier is een stressvolle ervaring, zeker ook voor naaste/familie . Ook kan de cliënt verder behandeld worden als dat nodig is.
Goede informatievoorziening over hoelang een delier kan duren is belangrijk, vooral voor naaste/familie, met tips waar ze op moeten letten. Ook dienen wijkverpleegkundigen nog regelmatig na te vragen bij naaste/familie of er nog veranderingen zijn opgetreden. Door een nieuwe somatische ziekte kan er opnieuw een delier optreden.
Uit het Rapport onderzoek ‘ervaringen rondom een delier’ uitgevoerd door de Patiëntenfederatie Nederland in 2019/2020 blijkt dat er slechts bij 52% van de ondervraagden (n=62) sprake was van een zorgplan of behandeling. Ook geeft 66% van de naasten (n=91) aan geen wijkverpleging tijdens en/of na de behandeling te hebben ontvangen. Verder geeft 55% van de deelnemers (n=89) aan informatie te hebben gemist aangaande de zorg voor het delier.
Kosten (middelenbeslag)
Nazorg zal gepaard gaan met kosten en een investering vragen. Echter verwacht de werkgroep dat deze nazorg zich uit in een beter functioneel of cognitief herstel voor de cliënt. Het is voor de werkgroep niet mogelijk om op basis van de beschikbare gegevens harde uitspraken te doen over de kosteneffectiviteit, echter ligt het voor de hand dat de kosten van een delier (ook op lange termijn) aanzienlijk zijn t.o.v. de preventieve kosten van de beschreven interventies. Aangezien data ontbreken en de aanbevelingen niet ver van het huidige beleid afstaan, zullen de kosten waarschijnlijk geen verandering bewerkstelligen met betrekking tot de aanbevelingen.
Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie
Het is de verwachting dat extra aandacht voor nazorg na een delier niet tot grote haalbaarheidsproblemen zal leiden. Het belangrijkste dat hiervoor nodig is, is het besef dat een delier gevolgen kan hebben op de langere termijn. Ook vanuit de NVKG-richtlijn Delier bij volwassenen en ouderen wordt er extra aandacht gevraagd voor nazorg .
In verpleeghuizen is het nodig dat er vanuit de afdelingen extra aandacht wordt gevraagd voor cliënten die een delier hebben doorgemaakt. In de thuissituatie is het nodig dat er een post-delier gesprek gehouden wordt met de huisarts, POH, (wijk-) verpleegkundig specialist, casemanager dementie of specialist in het ziekenhuis.
Eventuele extra kosten die gepaard gaan met (extra) nazorg zouden een implementatiebarrière kunnen vormen.
Rationale van de aanbevelingen; weging van argumenten voor en tegen de interventies
Er is voldoende literatuur gevonden waarin duidelijk wordt, dat er langetermijneffecten zijn na een doorgemaakt delier. Er is geen literatuur gevonden hoe de zorg eruit kan zien om deze langetermijneffecten op te vangen in het verpleeghuis of thuis. In de literatuur is ook geen aandacht voor wie deze zorg zou moeten ontvangen: de cliënt zelf of ook de naaste/familie.
Binnen het verpleeghuis en in de thuissituatie is er vaak aandacht voor de losstaande problematiek ten gevolge van het delier: problematiek op gebied van ADL, cognitieve achteruitgang, slaapstoornissen etc. Zorg voor een delier wordt vaak afgerond nadat de acute fase van het delier is behandeld.
Met deze richtlijn willen we de zorgverleners laten zien dat er verdere zorgverlening nodig is. Dit door middel van een gesprek na het doorgemaakte delier. Hierbij dient er aandacht te zijn voor de langetermijneffecten en preventie van een eventueel delier dat eventueel opnieuw zou kunnen ontstaan. Hierbij dient er gebruik gemaakt te worden van de tools en meetinstrumenten die momenteel al gebruikt worden binnen de zorginstelling.
Conclusies
Conclusie uit de kennis
Gevolgen van delier
Uitkomstmaat Functioneren na delier
Na een delier lijkt er een grotere kans op persoonlijke afhankelijkheid, en problemen met fysieke functie, vitaliteit, geheugen- en concentratieproblemen en sociale functie te zijn . (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
Uitkomstmaat Voorspellers aanhoudend delier
Een aanhoudend delier lijkt mogelijk geassocieerd met kwetsbaarheid, het gelijktijdig optreden van dementie, en de aanwezigheid van een maligniteit . (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
Uitkomstmaat Voorspellers slecht herstel van delier
Slechter herstel werd gezien na een langere duur van het delier, een grotere ernst van het delier, hypoactief delier en/of bij de gelijktijdige aanwezigheid dementie of depressie en delier . (GRADE: lage zekerheid van bewijs)
Samenvatting van de kennis
Beschrijving studies en resultaten
Er werd een literatuuronderzoek uitgevoerd gericht op prognostische factoren die een slechter herstel na een delier voorspelden. Studies die de gevolgen van een delier beschreven werden ook geïncludeerd. Er werden zeven prospectieve cohortstudies en één systematische review geïncludeerd. De systematische review van Jackson (2016) zocht naar cohortstudies die voorspellers van een slechte delier uitkomst aanwezen.
Thuis
Er werden geen studies gevonden die thuis waren uitgevoerd. Omdat een deel van de cliënten met een delier recent uit het ziekenhuis was ontslagen, werden de in het ziekenhuis uitgevoerde studies ook beschreven.
Verpleeghuis
Eén studie was uitgevoerd in 90 verpleeghuizen in Zwitserland .
Resultaten
Uitkomstmaat Functioneren na een delier
Twee studies beschreven de gevolgen (functioneren) na een delier . Eén studie naar de gevolgen van postoperatief delier op de IC na een grote chirurgische ingreep bij 562 patiënten liet zien dat er meer sterfte was 6 maanden na een delier (OR 2.562, P<0,001) en dat een delier een risicofactor was voor persoonlijke afhankelijkheid (OR 2.188, P<0,046). De SF-36 liet zien dat er na een delier een grotere afname was in fysieke functie, vitaliteit en sociale functie .
Een cohortstudie bij 112 patiënten die hartchirurgie ondergingen (Koster 2009), liet zien dat mortaliteit verhoogd was na een delier (12,5% versus 4,5%, p=0,16), er meer heropnames in het ziekenhuis plaatsvonden (47,6% versus 32,6%, p=0,19) er meer geheugen- (31,6% versus 20,2%, p=0,39) en concentratieproblemen (36,8% versus 20,2%, p=0,13) waren en dat het geassocieerd was met slaapstoornissen (47,4% versus 23,8%, p=0,03).
Uitkomstmaat 1.2 Voorspellers aanhoudend delier
Eén studie liet zien dat kwetsbaarheid (zoals gemeten met de frailty index) een voorspeller was van delier in een cohort van 234 patiënten die waren opgenomen op een geriatrieafdeling. Ook functioneel herstel na 12 maanden was slechter bij kwetsbare patiënten.
Lam 2014 keek ook naar voorspellers van delier bij 234 patiënten van 65 jaar en ouder opgenomen op de geriatrische afdeling waarbij een delier was vastgesteld met de CAM. De volgende voorspellers werden gevonden: dementie OR 2,35 (95% BI [0,06 – 5,22]); delier ernst bij opname: OR 1,20 (95% CI [1,07 – 1,34]) en de delier ernst (DRS-R98 ernst op dag 1 min dag 3 van verblijf geriatrische monitoringseenheid (GMU)) OR 0,81 (95% BI [0,74 – 0,88).
De cohortstudie van Cole 2015 liet zien dat bij 278 patiënten van 65 jaar en ouder, die acuut werden opgenomen op een medische of chirurgische afdeling in een ziekenhuis, een lang aanhoudend delier vaak geassocieerd was met een diagnose van dementie OR 2,51 (95% CI 1,38 – 4,56), de aanwezigheid van een maligniteit OR 5,79 (95% CI [1,51; 22,19]) of een grotere ernst van het delier OR 9,39 [95% CI 3,95 – 22,35]).
Von Gunten (2013) keek naar voorspellers van het delier beloop bij cliënten opgenomen in 90 verzorgingshuizen in Zwitserland. De volgende voorspellers van het beloop van delier werden gevonden: de score op een cognitieve prestatieschaal (CPS), depressie, leeftijd, incontinentie, aantal medicijnen, BMI, aantal ziektes en het aantal nieuwe en recent voorgeschreven drugs. De verklaarde variantie (I2) van dit model was slechts 28%.
Uitkomstmaat 1.3 Voorspellers slecht herstel van delier
De systematische review van Jackson (2016) includeerde cohortstudies die voorspellers van een slechte delier uitkomst (mortaliteit, langere verblijfsduur, functionele achteruitgang in ADL activiteiten en institutionalisering) identificeerde. Er werden 27 studies geïncludeerd en de voorspellers konden worden ingedeeld in vier categorieën: delier-gerelateerde -, comorbiditeit gerelateerde -, cliënt gerelateerde- en biomarker gerelateerde voorspellers. De vijf meest gerapporteerde voorspellers waren duur van delier (acht studies), hypoactief delier (zeven studies), delier ernst (drie studies), dementie (zes studies) en depressie (vier studies). Een langere duur van delier zorgde in de meeste studies voor een slechtere uitkomst zoals meer mortaliteit, institutionalisering en een slechtere functionele uitkomst; maar twee studies lieten dit niet zien. Bij een hypoactief delier lieten vier studies een slechtere uitkomst zien en in drie studies maakte het geen verschil. Delier ernst werd in drie studies onderzocht met de MDAS en dit was geassocieerd met een slechtere uitkomst. De gelijktijdige aanwezigheid van dementie en depressie werd onderzocht in zes studies en de gerapporteerde uitkomst was slechter met meer mortaliteit, cognitieve achteruitgang en institutionalisering. De gelijktijdige aanwezigheid van delier en depressie leidde ook tot meer sterfte of opnames in verpleeghuizen (Jackson, 2016).
In de cohortstudie van Dasgupta 2014 werd tweederde van de populatie gebruikt om een model te ontwikkelen om slecht herstel (mortaliteit, langetermijnopname of functionele achteruitgang in ADL activiteiten) te voorspellen en daarin werden de volgende variabelen opgenomen: gevorderde leeftijd 1,14 (95% BI [1,01; 1,20]), lagere baseline ADL functie 0,88 (95% BI [0,78; 0,99]), hypoxie 2,28 (95% BI [1,12; 4,64]), hogere delier ernst score (MDAS): 1,16 (95% BI [1,06; 1,26]) en acuut nierfalen 2,69 (95% BI [1,10; 6,58]). Dit model werd gevalideerd met het overige deel (een derde) van de populatie. Het oppervlak onder de ROC-curve was 0,80 (95% BI [0,74; 0,85]) voor de groep waarin het model ontwikkeld werd en 0,68 (95% BI [0,57 – 0,79]) voor het validatiecohort.
1. Samenvatting
1.1 Kernaanbevelingen
1.1.1 Uitgangsvraag 1 Preventie delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, goede daginvulling en evaluatie van medicatie, optimaliseren van visus en gehoor) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer gezamenlijk de gemaakte afspraken in een zorgleefplan.
1.1.2 Uitgangsvraag 2 Herkenning van delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee in de herkenning van het delier.
Ga bij symptomen na of de client bekend is met dementie, in verband met de overlap van symptomen bij delier en dementie.
Observeer zelf per dienst, of vraag aan naaste/familie na, of er sprake is van een plotselinge verandering in gedrag op de volgende manier:
duidelijk taalgebruik;
mate van afgeleid zijn, veranderd bewustzijn of aandacht (te trekken en/of te behouden);
cognitief functioneren in de loop van de dag en slaap-waak ritme (ommekeer dag/nacht);
logisch denken;
waarnemingen (hallucinaties) of wanen;
motorisch handelen (van lethargie tot agitatie);
oriëntatie (tijd, plaats en persoon)
1.1.3 Uitgangsvraag 3 Onderscheid delier, dementie, depressie
Overweeg bij een blijvend onduidelijk beeld als verpleegkundige een verzoek voor overleg op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie bij de huisarts/hoofdbehandelaar voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
1.1.4 Uitgangsvraag 4 Diagnostiek van delier
Thuissituatie
Overweeg als wijkverpleegkundige om op basis van signalen/twijfel/vermoeden dat er sprake is van een delier en overweeg het ophalen van informatie van de naaste/familie de huisarts of praktijkondersteuner huisarts (POH) voor beoordeling en nader onderzoek op delier.
Verpleeghuissituatie
Overweeg de MOTYB om vast te stellen of er sprake is van verstoorde aandacht. Overweeg als verpleegkundig specialist, huisarts of hoofdbehandelaar of specialist ouderengeneeskunde de DOSS om bij een plotse verandering van functioneren of geheugen de diagnose delier te verwerpen.
Screen niet routinematig op een delier in het verpleeghuis.
1.1.5 Uitgangsvraag 5 Begeleiding delier
Thuissituatie/verpleeghuis
Beschrijf een delier en de bijbehorende cognitieve problemen van cliënten zorgvuldig in de verpleegkundige rapportage.
Overweeg basiszorg waarin interventies van het (Bundled) HELP Programma voorkomen (gericht op oriëntatie, mobilisatie, adequate voedings- en vochtintake, goede nachtrust, optimaliseren visus en gehoor, goede daginvulling en evaluatie van medicatie) in vertrouwdheid en veiligheid en noteer de gemaakte afspraken in het zorgleefplan.
Betrek in de thuissituatie in overleg met de huisarts een zorgmedewerker zoals de casemanager dementie, de wijkverpleegkundige of de POH-ouderenzorg.
1.1.6 Uitgangsvraag 6 Nazorg na delier
Heb aandacht voor de naaste/familie en neem hem/haar mee en geef goede voorlichting en toelichting over het delier.
Zet in het zorgplan dat er een delier doorgemaakt is en plan als wijkverpleegkundige van de cliënt, de verpleegkundig specialist of de POH een post-delier gesprek met de cliënt en mogelijk diens mantelzorger. Per regio kunnen andere afspraken gemaakt worden wie er verantwoordelijk kan zijn voor het plannen van dit gesprek.
Overweeg in het post-delier gesprek aandacht te besteden aan de mogelijke langetermijneffecten naast de vroegere herkenning van een volgend delier.