Decubitus
Samenvatting
Kernaanbevelingen
Uitgangsvraag 1: Welke instrumenten worden geadviseerd om bij zorgvragers het risico op decubitus in te schatten?
Gebruik bij het inschatten van het risico op decubitus altijd de klinische blik, eventueel in combinatie met een risicobeoordelingsinstrument uit deze richtlijn.
Kies bij voorkeur een risicobeoordelingsinstrument uit deze richtlijn en houd bij de keuze altijd rekening met de setting en aanwezige risicofactoren.
Voer zo snel mogelijk nadat een zorgvrager in zorg komt een risicobeoordeling uit. Evalueer en herhaal deze regelmatig, in elk geval als de situatie van de zorgvrager verandert.
Uitgangsvraag 2: Bij welke doelgroepen kan direct worden gestart met preventieve maatregelen en is risicobeoordeling niet nodig?
Ga vanwege het risico op decubitus bij onderstaande doelgroepen direct over tot preventieve maatregelen:
- zorgvrager met decubitus;
- zorgvrager die immobiel is;
- zorgvrager op de intensive care;
- zorgvrager op de operatiekamer;
- zorgvrager met een dwarslaesie;
- zorgvrager in de terminale fase.
Leg in het zorgplan vast dat de zorgvrager, als deze behoort tot één van bovenstaande doelgroepen, een vaststaand risico heeft op decubitus.
Uitgangsvraag 3: Welk classificatiesysteem wordt aanbevolen om de ernst van decubitus vast te stellen?
Gebruik voor de classificatie van decubitus het internationale NPIAP/EPUAP-decubitus classificatiesysteem, zoals beschreven in uitgangsvraag 3.
Let bij personen met een donkere huid bij het classificeren van decubitus ‘categorie 1’ en ‘vermoedelijke diepe weefselbeschadiging’ specifiek op de huidtemperatuur, gevoeligheid, veranderingen in weefselconsistentie en pijnverschillen tussen aangedane en niet-aangedane huid.
Uitgangsvraag 4: Welke preventieve maatregelen worden bij zorgvragers met (risico op) decubitus aanbevolen om decubitus te voorkómen?
Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Houdingsveranderingen
Pas wisselhouding toe bij alle zorgvragers met risico op decubitus of met bestaande decubitus.
Frequentie van wisselhouding
Maak een schema met daarin de frequentie en duur van de verschillende houdingen.
Wissel de zorgvrager in principe elke 4 uur van houding, maar houd bij de frequentie rekening met:
- persoonskenmerken: weefseltolerantie, mate van activiteit en mobiliteit, algehele lichamelijke conditie, huidconditie;
- behandeldoelen;
- kenmerken van de onderlaag: bij liggen het soort drukverlagend matras (statisch of dynamisch) en bij zitten het soort drukverlagend kussen (bij zitten).
Herzie de frequentie en duur in het schema indien één van de hierboven beschreven kenmerken verandert of als decubitus dreigt, ontstaat of verergert.
Techniek van wisselhouding
Positioneer de zorgvrager in een houding die de druk op het lichaam – op die plaatsen waar dit contact heeft met de onderlaag – optimaal verdeelt.
Maak bij wisselligging gebruik van het schema ‘30 graden rechterzij, semi-Fowler-houding, 30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, enz.’.
Beperk houdingen die de druk verhogen, zoals de 90 graden zijligging of de halfzittende houding.
Vermijd dat zorgvragers in een onderuitgezakte houding zitten en houd de tijd dat zij in bed rechtop zitten zo kort mogelijk. Gebruik de mogelijkheden van het bed (zoals een knieknik).
Ondersteun de zorgvrager met kussens (bijv. met positioneringsrollen of wigkussens) om te voorkomen dat de zorgvrager terugschuift als deze in de 30 graden zijligging ligt.
Gebruik hulpmiddelen om schuifkrachten bij het wisselen van houding te verminderen en verwijder deze na gebruik. Bijvoorbeeld: papegaai, tillift, glijlaken, glijhandschoen of glijplank met glijlaken.
Overweeg bij zorgvragers die geen grote houdingsveranderingen aankunnen om frequenter kleinere houdingsveranderingen uit te voeren.
Positioneer de zorgvrager voor en na een operatie in een andere houding dan de houding tijdens de operatie.
Wisselhouding bij de zittende persoon
Voorkom dat de zorgvrager lange tijd in dezelfde houding zit en wees alert op roodheid op het zitvlak. Houd bij de frequentie van houdingsverandering rekening met:
- persoonskenmerken: weefseltolerantie, mate van activiteit en mobiliteit, algehele lichamelijke conditie, huidconditie;
- behandeldoelen;
- kenmerken van het zitkussen.
Zorg dat de zorgvrager bij een zithouding een hoek van 90 graden in de knieën heeft, waarbij de voeten volledig op de ondergrond steunen. Daardoor steunt de zorgvrager zoveel mogelijk op de bovenbenen. Plaats de voeten van de zorgvrager recht onder de knieën en gebruik zo nodig een voetenbank of voetensteun.
Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Drukverlagende maatregelen
Signaleer waar sprake is of kan zijn van druk- en schuifkrachten en beperk deze zoveel mogelijk.
Ga ook na de inzet van een drukverlagend matras of kussen door met wisselhouding.
Ondersteuning door gebruik te maken van materialen
Selecteer een drukverlagend matras dat aan de behoeften van de zorgvrager voldoet, rekening houdend met de volgende factoren:
- niveau van immobiliteit en inactiviteit van de zorgvrager;
- effecten van de houding van de zorgvrager en vervorming van het materiaal op de drukverdeling;
- behoefte aan regulering van warmte en transpiratie en wegglijden van de zorgvrager;
- lengte en gewicht van de zorgvrager;
- aantal, ernst en locatie van bestaande decubituswonden.
Selecteer eventueel een ander matras als één van de hierboven beschreven kenmerken verandert.
Zet een drukverlagend luchtmatras in als frequente houdingsverandering niet mogelijk is.
Gebruik extra steunvlakken (bijv. gezichtskussens) om in buikligging drukpunten op het gezicht en lichaam te ontlasten.
Gebruik in (rol)stoelen een drukverlagend zitkussen.
Selecteer een zitkussen en bijhorende materialen voor houding en drukverdeling dat aan de behoeften van de zorgvrager voldoet, rekening houdend met:
- niveau van immobiliteit en inactiviteit van de zorgvrager;
- effecten van de houding van de zorgvrager en vervorming van het materiaal op de drukverdeling;
- lengte en gewicht van de zorgvrager;
- aantal, ernst en locatie van bestaande decubituswonden.
Vermijd of beperk overbodige lagen onder de patiënt, zoals linnengoed, positioneringsmateriaal, celstofmatjes, incontinentiemateriaal, kleding en beddengoed.
Vermijd het gebruik van ring- en donutvormige hulpmiddelen en hulpmiddelen met zelf aangebrachte uitsparingen.
Overweeg de inzet van (Australische) medische schapenvachten, maar gebruik geen synthetische schapenvachten.
Overweeg om een meerlaags schuimverband aan te brengen op botuitsteeksels (bijv. hielen, sacrum) en continueer de andere preventieve maatregelen.
Leg zorgvragers met hoog risico op (verergering) van decubitus zowel voor, tijdens als direct na de operatie op een drukverlagend matras.
Voorkomen van decubitus op de hielen
Gebruik bij het vrij leggen van de hielen een (antidecubitus-hiel)kussen/hielbeschermer waarmee de druk over de kuit verdeeld wordt, zonder dat er druk ontstaat op de achillespees. De knie moet licht gebogen zijn door het bovenbeen te ondersteunen.
Het voorkomen van decubitus bij het gebruik van medische hulpmiddelen
Positioneer medische hulpmiddelen (zoals katheters, sondes en infusen) zodanig dat deze geen druk op het lichaam uitoefenen en gebruik eventueel schuimverband of hydrocolloïd verband.
Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Mobilisatie
Start indien mogelijk met het mobiliseren van de zorgvrager.
Zorg voor de zorgvrager – Huidzorg en inspectie
Beoordeling van de huid
Beoordeel de huid regelmatig op risicoplekken, (niet-)wegdrukbare roodheid en huidafwijkingen.
Houd bij elke huidbeoordeling rekening met de volgende factoren: temperatuur, oedeem, veranderingen in weefselconsistentie (in relatie tot het omliggende weefsel), aanwezigheid van vocht en plaatselijke pijn. Wees extra alert op deze factoren bij personen met een donkere huid.
Gebruik een vinger of een glaasje om te beoordelen of er sprake is van (niet-)wegdrukbare roodheid.
Frequentie van beoordeling
Voer bij zorgvragers met risico op decubitus zo snel mogelijk, maar binnen 8 uur, een huidbeoordeling uit.
Inspecteer de huid van zorgvragers met risico op decubitus in ieder geval dagelijks, bij elke verschoning van verband en bij draaien of verplaatsen van de zorgvrager.
Verhoog de frequentie van inspecteren als de algehele toestand verslechtert.
Controleer de huid onder en rondom medische hulpmiddelen tweemaal per dag op tekenen van drukgerelateerde symptomen.
Huidzorg
Houd de huid schoon en droog, gebruik eventueel een vochtinbrengende crème of zalf om de droge huid te hydrateren en het risico op huidbeschadiging te voorkomen.
Gebruik bij het wassen van de zorgvrager een pH-gebalanceerde huidreiniger (pH=5,5).
Gebruik een barrièremiddel ter bescherming van de huid die is blootgesteld aan vocht (bijv. bij incontinentie).
Zorg voor de zorgvrager – Voeding
Screen en beoordeel de voedingstoestand en gewichtsverandering van elke zorgvrager met risico op decubitus op de volgende momenten:
- als de zorgvrager in zorg komt;
- bij verandering in de medische toestand;
- als er geen vooruitgang in de wondgenezing is.
Gebruik bij screening en beoordeling van de voedingstoestand een valide en praktisch instrument, zoals beschreven in de richtlijn Ondervoeding.
Uitgangsvraag 5: Welke specifieke (verpleegkundige en verzorgende) interventies worden aanbevolen voor de behandeling van decubitus?
Bepaal wat de oorzaak is van de decubitus en intensiveer de preventieve maatregelen bij zorgvragers met decubitus.
Houdingsverandering:
- Pas het wisselhoudingsschema aan.
- Vermijd dat de zorgvrager op de decubituswond zit of ligt. Is dat niet mogelijk, beperk dan de tijd dat de zorgvrager op de decubituswond ligt.
Drukverlagende maatregelen
- Overweeg het gebruik van andere, hoogwaardiger materialen
Wondzorg:
- Gebruik voor de beoordeling van de decubituswond een eenduidig methode die richtinggevend is voor de wondbehandeling, zoals het TIME-model en/of het WCS-model.
Uitgangsvraag 6: Hoe kunnen zorgvragers met (risico op) decubitus het beste worden ondersteund bij het zelf managen van de preventie en behandeling van decubitus?
Bepaal de behoefte aan zelfmanagementondersteuning bij de zorgvrager en stem het type en de mate van ondersteuning af op de individuele persoon, de fase van het ziekteproces en de setting.
Begeleid de zorgvrager in zelfmanagement door coachende gesprekken, met behulp van bijvoorbeeld gezamenlijke besluitvorming, doelen stellen of motiverende gespreksvoering.
Geef zorgvragers met (risico op) decubitus informatie over risicofactoren, preventie en behandeling.
Benader ondersteuning van zelfmanagement als een continu proces, waarin regelmatige herhaling nodig is.
Uitgangsvraag 7: Wat zijn belangrijke aspecten bij de monitoring en evaluatie van het zorgplan bij zorgvragers met decubitus?
Beschrijf de volgende punten in het zorgplan van de zorgvrager:
- Risicobeoordeling: frequentie en methode
- Classificatie en locatie van decubituswond
- Oorzaak van de decubitus
- Preventieve maatregelen
-
- Houdingsverandering: wisselhoudingsschema
- Drukverlagende maatregelen: type maatregel/productspecificatie
- Huidinspectie en huidzorg: frequentie en gebruik van interventies
- Beweging: mobiliteitsdoelen
- Voeding: voedingstoestand en gewichtsverandering
- Behandeling van de wond
- Frequentie en wijze van evaluatie
- Betrokken disciplines in het behandelteam (discipline, naam en bereikbaarheid)
Stel het zorgplan en de evaluatie op in samenspraak met de zorgvrager en pas het aan zijn/haar individuele behoeften aan. Leg deze afspraken vast in het dossier van de zorgvrager.
Evalueer het zorgplan met de zorgvrager in ieder geval binnen twee weken, of eerder indien de decubituswond of risicofactoren veranderen.
Verwijs de zorgvrager naar een expert wondbehandeling als de decubituswond niet binnen twee weken verbetert.
Evalueer en documenteer bij elke verbandwissel de voortgang van de genezing met behulp van een instrument zoals het WCS-model of het TIME-model.
Monitor de invloed van decubitus op de activiteiten en participatie (ADL, functioneren binnen het gezin, sociaal functioneren, maatschappelijk functioneren) van de zorgvrager in het dagelijks leven.
Uitgangsvraag 8: Hoe kan de continuïteit van zorg het beste worden gewaarborgd bij het vaststellen van risico, voorkómen, behandelen en evalueren van decubitus?
Zorg voor een multidisciplinair en actueel zorgplan dat is afgestemd met de zorgvrager met (risico op) decubitus. De volgende onderwerpen moeten in het zorgplan zijn vastgelegd:
- afspraken over de risicobeoordeling, preventie, behandeling en evaluatie van decubitus;
- welke zorgverleners betrokken zijn bij de zorg voor de zorgvrager met (risico op) decubitus;
- wie de regiebehandelaar is bij de behandeling voor de zorgvrager met decubitus;
- wie de hoofdbehandelaar is bij de behandeling van de zorgvrager met decubitus (intramuraal);
- wie de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist is (extramuraal) voor de zorgvrager met (risico op) decubitus.
Maak per zorgteam afspraken met eventueel samenwerkende (multidisciplinaire) zorgverleners over de taken en verantwoordelijkheden in de zorg voor de preventie/behandeling van decubitus:
- verpleegkundig(wond)consulent: advisering preventie/behandeling;
- diëtist als voeding een risicofactor is op het krijgen van decubitus en voor zorgvragers met decubitus categorie III of hoger;
- ergotherapeut: adviseren over houding en de keuze en het gebruik van (preventieve) hulpmiddelen;
- fysiotherapeut om te adviseren bij bewegingsactiviteiten, zit- en lighouding en uitvoeren van transfers;
en informeer over de gemaakte afspraken:
- de regiebehandelaar voor zorgvragers met decubitus;
- de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist voor extramurale zorgvragers met risico op decubitus.
Maak een overdracht bij overplaatsing van een zorgvrager tussen afdelingen of teams in eenzelfde organisatie of tussen verschillende organisaties.
Zorg voor een (schriftelijke of digitale) overdracht met de volgende punten.
- Risicobeoordeling:
-
- de belangrijkste risicofactoren, het gebruikte risicobeoordelingsinstrument en de score.
- Preventieve maatregelen:
-
- de inzet van preventieve maatregelen, met een evaluatie van hoe de zorgvrager de preventieve maatregelen ervaart;
- een evaluatie van de locaties met het grootste risico om decubitus te ontwikkelen.
- Behandeling van decubitus:
-
- classificatie van de decubituswond per locatie met behulp van het internationale NPUAP/EPUAP-decubitus-classificatiesysteem;
- per locatie een evaluatie van de decubituswond met behulp van het WCS- of TIME-model.
- Betrokken zorgverleners:
-
- wie de regiebehandelaar is bij de zorg voor de zorgvrager met decubitus;
- wie de hoofdbehandelaar is bij de behandeling van de zorgvrager;
- welke typen zorgverleners betrokken zijn bij de zorg voor de zorgvrager;
- informeer de regiebehandelaar, de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist over de overdracht van de zorgvrager met decubitus
Leg vast welke afspraken gemaakt zijn met betreffende samenwerkende c.q. betrokken zorgverleners.
Inleiding
Aanleiding en doel
Decubitus is een plaatselijke schade aan de huid en/of het onderliggende weefsel ten gevolge van druk, al of niet in combinatie met schuifkrachten. Decubitus ontstaat meestal op de plaats van een uitstekend bot, maar kan ook het gevolg zijn van druk van medische of andere hulpmiddelen . Decubitus is een ernstige aandoening en leidt bij zorgvragers tot een hoge ziektelast met een negatieve invloed op de kwaliteit van leven . Behalve dat zorgvragers pijn en wondgerelateerde ongemakken ervaren , heeft decubitus ook invloed op hun lichamelijk functioneren (mobiliteit, dagelijkse activiteiten, algehele malaise en slaap) , hun psychisch welbevinden (stemmingsverandering, angst, piekeren, zelfredzaamheid, verstoord zelfbeeld en schaamte) en hun sociaal functioneren (verminderde participatie, isolatie) . De richtlijn Decubitus beschrijft (kern)aanbevelingen voor de beste zorg om decubitus te voorkomen en indien nodig te behandelen bij zorgvragers die in zorg zijn of komen. De richtlijn geeft richting aan de zorg en ondersteunt de zorgverlener en de zorgvrager in de keuzes van preventie- en behandelmogelijkheden. Zorgverleners uit alle velden ontwikkelden samen met zorgvragers deze standaard in de afgelopen anderhalf jaar in opdracht van ZonMw en waarvan V&VN de eigenaar is. Een projectteam – bestaande uit een verpleegkundig specialist, een senior onderzoeker en een junior onderzoeker uit het Radboudumc en de Hogeschool Arnhem Nijmegen – begeleidde dit project. De aanleiding voor deze richtlijn is de behoefte van verpleegkundigen en verzorgenden aan een update van de landelijke multidisciplinaire richtlijn Decubitus – preventie en behandeling (2011) . De internationale richtlijn Decubitus is al tweemaal geactualiseerd (2014 en 2019) . Bij de ontwikkeling van deze richtlijn is dan ook nauw samengewerkt met de werkgroepen van de internationale multidisciplinaire richtlijncommissie van de EPUAP/NPIAP/PPPIA . Deze herziening bevat twee grote verschillen ten opzichte van de richtlijn uit 2011:
- de primaire focus ligt op verpleegkundigen en verzorgenden;
- deze richtlijn bevat de essentie van de decubituszorg. Aanbevelingen die voor alle complexe wonden hetzelfde zijn, en dus niet specifiek voor decubitus, worden bijvoorbeeld in deze richtlijn niet besproken. Dit heeft geleid tot minder en concretere aanbevelingen.
Doelgroep
De richtlijn Decubitus is primair geschreven voor verpleegkundigen en verzorgenden, werkzaam in alle settings. De verpleegkundigen en verzorgenden acteren in een multidisciplinair netwerk van professionals om effectieve decubituszorg te kunnen verlenen. Binnen dit multidisciplinaire netwerk is het voor de verpleegkundigen en verzorgenden belangrijk om te weten naar wie de patiënt kan worden verwezen. Een zorgvrager met (risico op) decubitus krijgt te maken met een groot aantal zorgverleners: verpleegkundigen en verzorgenden, verpleegkundig specialisten, diëtisten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, artsen, medisch specialisten, physician assistants en ondersteunende disciplines.
De aanbevelingen in deze richtlijn betreffen activiteiten – in de ruimste zin van het woord – die door verpleegkundigen en verzorgenden worden geïnitieerd of waarover verpleegkundigen en verzorgenden advies geven aan zorgverleners van andere disciplines, de zorgvrager of mantelzorgers. Een voorbeeld: in de richtlijn wordt aanbevolen om de zorgvrager te verwijzen naar de diëtist om een (vermoeden van) voedingstekort vast te stellen en eventueel te behandelen. Hoe die diagnostiek en behandeling worden uitgevoerd, is geen onderdeel van deze richtlijn.
Ook zorgvragers zelf, mantelzorgers en andere zorg- en welzijnsprofessionals kunnen de aanbevelingen in deze standaard gebruiken om de juiste decubituszorg te plannen, uit te voeren en te evalueren. Beleidsmakers, zorgverzekeraars en gemeenten wordt aangeraden om de aanbevelingen in deze richtlijn te verwerken in instellingsdocumenten en in adviezen voor vergoedingen van de zorg. Door de primaire focus van de richtlijn Decubitus op verpleegkundigen en verzorgenden zullen niet alle professionals in dit document antwoorden op hun vragen vinden. Als handreiking aan deze groep is de Quick Reference Guide in het Nederlands vertaald. Dit is een officiële vertaling van de Engelstalige versie en bevat alle aanbevelingen uit de internationale richtlijn Decubitus (2019), bedoeld voor alle multidisciplinaire professionals werkzaam in de decubituszorg.
Doelpopulatie
De doelpopulatie is: zorgvragers die in zorg zijn of komen, zowel in de eerste-, tweede- als de derdelijnszorg. De richtlijn Decubitus beschrijft wat goede decubituszorg voor deze populatie is, uitgevoerd door verpleegkundigen en verzorgenden.
Publicatiedatum en herziening
De publicatiedatum van deze richtlijn is 1 maart 2021.
Uiterlijk in 2024, na publicatie van de volgende internationale richtlijn van de EPUAP/NPIAP/PPPIA, bepaalt het bestuur van V&VN of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.
V&VN is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. Andere aan deze richtlijn deelnemende beroeps- en wetenschappelijk verenigingen of gebruikers delen deze verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen.
Leeswijzer
De aanbevelingen zijn bedoeld als algemeen beeld, waarbij individuele afwegingen gemaakt worden en waarvan kan worden afgeweken als de omstandigheden dat vereisen. Om de leesbaarheid van de richtlijn Decubitus te verhogen, zijn er aan de aanbevelingen en begeleidende tekst zo min mogelijk vanzelfsprekende nuanceringen toegevoegd.
Daarom geven we de volgende voorwaarden bij het toepassen van een aanbeveling niet bij elke aanbeveling afzonderlijk, maar in het algemeen.
Alvorens een aanbeveling toe te passen, ga je na of
- de medische toestand van de zorgvrager dit toelaat;
- een opdracht van een supervisor of een andere discipline noodzakelijk is.
Voer een handeling uit
- nadat de zorgvrager informatie heeft ontvangen;
- nadat de zorgvrager goedkeuring heeft gegeven;
- rekening houdend met de voorkeur van de zorgvrager;
- rekening houdend met het comfort en de tolerantie van de zorgvrager.
Pas een aanbeveling alleen toe
- op verantwoorde wijze;
- in een veilige omgeving;
- en niet langer dan noodzakelijk.
Bekijk per situatie of hulpmiddelen (voor de zorgvrager in zijn specifieke situatie)
- geschikt zijn;
- gepast zijn;
- in gebruik zijn zoals beschreven in instructies van de fabrikant.
De uitgangsvragen in de richtlijn vormen tezamen één geheel. Het advies is dan ook om de Richtlijn Decubitus als één geheel te lezen. De uitgangsvragen zijn geen losstaande onderdelen maar vullen elkaar aan. Door enkel afzonderlijke uitgangsvraag te lezen, kan belangrijke informatie worden gemist.
Begrippenlijst en afkortingen
Zorgvrager
Een zorgvrager is een persoon die hulp nodig heeft bij zijn/haar dagelijkse functioneren. Dit kan hulp en zorg zijn op lichamelijk, geestelijk of sociaal gebied. De zorgvrager is de persoon aan wie een zorgverlener zorg geeft. Op aangeven van de zorgvrager kan de mantelzorger een rol hebben.
Zorgverlener
De richtlijn richt zich primair op verpleegkundigen en verzorgenden. Zij zijn onderdeel van een netwerk van zorgverleners dat naast henzelf bestaat uit verpleegkundig specialisten, artsen, medisch specialisten, physician assistants, paramedici en ondersteunende disciplines. In deze richtlijn wordt geen poging gedaan om een uitputtende lijst te genereren. Daarom wordt geschreven over de ‘zorgverlener’. Daarmee wordt elke professionele zorgverlener in de meest ruime zin van het woord bedoeld die op enige wijze uitvoering geeft aan decubituszorg, zoals bedoeld in deze richtlijn. Bij de toepassing van de aanbevelingen die in deze richtlijn staan beschreven, dient de zorgverlener te handelen volgens de juridische kaders waarbinnen de beroepsuitoefening van de zorgverlener valt en de algemene beroepsstandaarden die de zorgverlener geacht wordt te volgen.
Zorgplan
Het zorgplan geeft een beschrijving van de behandeling, het doel van de behandeling en de algemene gegevens van een patiënt. Het begrip zorgplan omvat tevens: behandeldoelen, behandelplan, zorgdoelen, etc.
Zorgvrager komt in zorg
Zorgvragers komen in alle settings ‘in zorg’; zowel de eerste-, tweede- als derdelijnszorg. In de tweede en derde lijn wordt vaak gesproken van opname, in de eerste lijn komt de zorgvrager bijvoorbeeld in zorg bij de thuiszorg of huisarts. Onder de definitie ‘zorgvrager komt in zorg’ vallen tevens de volgende situaties:
- opname van de zorgvrager;
- overname van de zorgvrager;
- consultatie van een zorgverlener over een zorgvrager.
Internationale richtlijn Decubitus (2019)
In deze richtlijn wordt regelmatig verwezen naar de internationale richtlijn Prevention and treatment of Pressure Ulcers/Injuries: Clinical Practice Guideline 2019. Deze zal worden aangeduid met de verkorte naam ‘internationale richtlijn Decubitus (2019)’.
Etiologie van decubitus
Veel van de huidige kennis over wat kwalitatief goede decubituszorg is, is terug te voeren op het ontstaansmechanisme van decubitus: druk gedurende een zekere tijd en de factoren die deze druk tijdrelatie beïnvloeden. Biomedische wetenschappers uit diverse landen die dit mechanisme onderzoeken, hebben de meest actuele inzichten hierover beschreven in de internationale richtlijn . Hieronder volgt een verkorte versie van het hoofdstuk The Etiology of Pressure Injuries uit de internationale richtlijn Decubitus (2019).
Decubitus wordt gedefinieerd als ‘plaatselijke schade aan de huid en/of onderliggend weefsel ten gevolge van druk of druk in combinatie met schuifkrachten’. Die druk kan zowel inwendige druk door het eigen lichaamsgewicht zijn (bijv. op een uitstekend bot) als aanhoudende uitwendige druk door medische hulpmiddelen of andere objecten. Bij decubitus kan de huid nog intact zijn of kan er sprake zijn van een open wond. De tolerantie voor deze druk- en schuifkrachten verschilt per weefselsoort en wordt beïnvloed door leeftijd, doorbloeding, gezondheidstoestand, het microklimaat en de conditie van de weke delen zelf. De belangrijkste beïnvloedende factor voor het ontstaan van decubitus is verstoorde mobiliteit .
Factoren die de gevoeligheid voor decubitus beïnvloeden
De factoren die van invloed zijn op het risico op het ontstaan van decubitus zijn in te delen in twee groepen (figuur 1.1) :
- mechanische eigenschappen (grootte en tijdsduur van de belasting en de wijze waarop de belasting plaatsvindt, zoals drukken of schuiven). Dit bepaalt de spanning en rek in weke delen, in combinatie met de kwaliteit van de doorbloeding van het weefsel en de afvoer van lymfe onder invloed van aanhoudende druk;
- tolerantie van het individu voor deze mechanische eigenschappen (anatomische structuur en vorm van het weefsel en de mate waarin botstructuren uitsteken, mechanische eigenschappen van het weefsel, herstellend vermogen van het weefsel en transport- en thermische eigenschappen van het weefsel). Deze factoren bepalen de drempelwaarde van de druk waarbij weefselschade optreedt.
Gezamenlijk bepalen de twee groepen factoren de tijd die nodig is tot het ontstaan van decubitus en de mate en ernst waarin decubitus zich ontwikkelt.
Figuur 1.1: Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van decubitus in individuele groepen
Mechanische eigenschappen
Soort mechanische belasting
Inwerking van de zwaartekracht op de lichaamsmassa veroorzaakt een mechanische belasting (lichaamsgewicht). Hierdoor ontstaan druk- en schuifkrachten tussen het lichaam en de onderlaag of tussen het lichaam en een hulpmiddel. Bij een mechanische belasting loodrecht op de huid spreken we van normaalkracht. Als deze parallel aan het huidoppervlak wordt uitgeoefend, is er sprake van schuifkracht. In de dagelijkse praktijk is de mechanische belasting op het lichaam een combinatie van beide krachten: de resultante. Dit laatste begrip wordt in de praktijk nooit gebruikt. Er wordt, misschien niet altijd correct, gesproken over druk- en schuifkracht.
Grootte en tijdsduur van mechanische belasting
De primaire oorzaak van decubitus is de aanhoudende mechanische belasting op weke delen. De grootte van de belasting die uiteindelijk decubitus kan veroorzaken, hangt samen met de tijdsduur van deze belasting. Zowel een hoge belasting gedurende kortere tijd als een lage belasting gedurende een langere tijd kunnen tot weefselschade leiden .
Spanning en rek
Als gevolg van de druk- en schuifkrachten (spanning) vervormen (rekken) de ‘weke delen’: de huid en onderliggende weke delen, zoals vet-, bind- en spierweefsel. Dit resulteert in de zogenaamde rek: een maat voor de relatieve vervorming en spanning . Meestal ontstaat decubitus in de buurt van een botuitsteeksel. Druk- en schuifkrachten vlak bij botuitsteeksels zijn aanzienlijk hoger dan die aan het oppervlak . Daardoor kan in diepe weefsels schade ontstaan zonder dat dit aan oppervlakte (de huid) met het blote oog zichtbaar is . Aanhoudende belasting van de huid door wrijving – al of niet in combinatie met vocht – tast de huidstructuur aan. Hierdoor kunnen vochtletsels ontstaan. Vocht of vochtletsels kunnen de barrièrefunctie van de epidermis verstoren en het weefsel gevoeliger maken voor decubitus.
Individuele gevoeligheid en tolerantie
Het weefseltype
Hoe lang cellen en weefsels ischemie kunnen verdragen, verschilt per weefseltype. Spierweefsel is gevoeliger voor ischemie dan huidweefsel . De huid is veel stugger dan spierweefsel en vetweefsel en vervormt daarom onder de verschillende klinische omstandigheden minder snel, zoals bij langdurig zitten of liggen in bed. Individuele kenmerken, zoals leeftijd, leefstijl en chronische aandoeningen, hebben invloed op deze eigenschappen .
Diep of oppervlakkig
Oppervlakkige decubitus ontstaat op een andere manier dan decubitus in diepere weefsellagen . Oppervlakkige decubitus wordt voornamelijk veroorzaakt door hoge schuifkrachten aan het huidoppervlak, terwijl diepere decubitus voornamelijk het gevolg is van een hoge druk in combinatie met een schuifkracht rondom benige uitsteeksels .
Verstoord transport
Ischemie als gevolg van aanhoudende vervorming van weke delen leidt tot hypoxie (zuurstoftekort), een verstoorde toevoer van voedingsstoffen en verminderde afvoer van afvalstoffen. Door de ophoping van afvalstoffen treedt verzuring op van het extracellulaire milieu, wat uiteindelijk zal leiden tot weefselbeschadiging en celdood . Hoe lang het duurt voordat weefselschade optreedt, hangt af van de fysiologische eigenschappen van het betreffende weefsel.
Druk- en schuifkrachten en aanhoudende vervormingen kunnen de stijfheid van weefsels veranderen, zelfs als er geen letsel ontstaat. Zo kunnen bijvoorbeeld skeletspieren gelokaliseerde ‘rigor-mortis’-verstijving vertonen (d.w.z. gelokaliseerde pathologische contracties als gevolg van de vernietiging van spiervezelmembranen). Dit veroorzaakt onevenredige belastingspatronen die de aanhoudende druk tussen spieren onderling verhogen, wat de omliggende weefsels bedreigt .
Aanhoudende vervorming kan ook lymfevaten blokkeren en de lymfeafvoer tijdens en na langdurige belasting verminderen. Het gevolg is een verdere biochemische verstoring in het reeds vervormde weefsel . Ischemie, inclusief het zure extracellulaire milieu (lage pH), vertraagt de celmigratie in celkweekmodellen, met name die van fibroblasten . Hierdoor komt het vermogen van het lichaam om microschade te herstellen in gevaar, waardoor weefselschade bij decubitus nog sneller verloopt .
Fysiologie en herstellend vermogen
Normaal gesproken kan weefsel herstellen door proliferatie, migratie en differentiatie van cellen. Decubitus ontstaat wanneer cellen en weefsel sneller doodgaan dan dat ze herstellen. Bij een beginnende decubitus is er bij microschade op verschillende weefseldieptes met name minder migratie van cellen . Belangrijk is het onderzoek naar het evenwicht in de interstitiële ruimte (de ruimte tussen de cellen). Daar vindt transport van voedingsstoffen en afvalproducten plaats, wat cruciaal is voor een gezond evenwicht in het weefsel. Bij schade door weefselvervorming wordt dat evenwicht verstoord doordat vervorming, ontsteking en ischemie elkaar beïnvloeden. Mechanische belasting verstoort in het bijzonder de aanvoer van voedingsstoffen, het opruimen van afvalproducten en aanvoer van hormonen die het spiermetabolisme reguleren .
Drempelwaarde voor weefselschade
Bij vervorming zijn er twee relevante fysiologische drempelwaarden: een lagere en een hogere. Afsluiting van de bloedvaten ontstaat al bij een lage drempelwaarde, met ischemische schade tot gevolg. Directe celschade als gevolg van vervorming ontstaat pas bij een hogere drempelwaarde . De directe vervormingsschade aan de cellen is waarschijnlijk het gevolg van beschadiging van de cel zelf en van beschadiging van de ondersteuningsstructuur ervan: het cytoskelet. Deze vervormingsschade houdt ook verband met het uitrekken van het plasmamembraan. Die rek neem toe als de ondersteuning van het membraan door het cytoskelet afneemt. Dan worden er signaalstoffen afgegeven die geprogrammeerde celdood tot gevolg hebben .
Risicobeoordelingsinstrumenten
Uitgangsvraag
Welke instrumenten worden geadviseerd bij zorgvragers om het risico op decubitus in te schatten?
Inleiding
Aanleiding en doel
Het vaststellen van (risico op) decubitus omvat:
- het beoordelen van het risico op decubitus;
- vaststellen of de zorgvrager hoort tot een patiëntengroep met risico;
- het indelen op decubitus-categorie.
Deze uitgangsvraag gaat over het beoordelen van het risico op decubitus. Het is essentieel om te herkennen of een zorgvrager gevoelig is voor het ontwikkelen van decubitus. Risicobeoordeling is een belangrijk onderdeel van de dagelijkse praktijk van verpleegkundigen en verzorgenden. Als je inzicht hebt in welke zorgvragers risico hebben op decubitus, geeft dat richting aan de preventieve maatregelen die je kunt of moet nemen. De bedoeling van deze uitgangsvraag is om verpleegkundigen en verzorgenden te adviseren welk risicobeoordelingsinstrument zij het best kunnen gebruiken bij het inschatten van het risico op decubitus. De keuze van dat instrument is mede afhankelijk van de setting en de risicofactoren van de zorgvrager.
Aanbevelingen
Gebruik bij het inschatten van het risico op decubitus altijd de klinische blik, eventueel in combinatie met een risicobeoordelingsinstrument uit deze richtlijn.
Kies bij voorkeur een risicobeoordelingsinstrument uit deze richtlijn en houd bij de keuze altijd rekening met de setting en aanwezige risicofactoren.
Voer zo snel mogelijk nadat een zorgvrager in zorg komt een risicobeoordeling uit. Evalueer en herhaal deze regelmatig, in elk geval als de situatie van de zorgvrager verandert.
Samenvatting van de kennis
In de wetenschappelijk literatuur bestaat geen unaniem oordeel over wat de beste methode is voor risicobeoordeling. Er wordt een structurele aanpak aangeraden om ervoor te zorgen dat alle relevante risicofactoren worden meegewogen . De basis is het klinisch oordeel, oftewel de klinische blik. Deze is een noodzakelijk onderdeel van elke risicobeoordeling. Wat is ‘de klinische blik’? Deze is te omschrijven als een algemeen inzicht dat alle redeneringstaken en handelingen van een zorgverlener integreert om een gezondheidstoestand te beschrijven en te beoordelen . In deze richtlijn wordt de klinische blik met betrekking tot de risicobeoordeling van decubitus daarom gezien als het totaal van de cognitieve handelingen die zorgverleners uitvoeren om informatie over de gezondheidstoestand van een persoon te interpreteren en te synthetiseren om een diagnose te kunnen stellen over het risico op decubitus. De klinische blik moet gebaseerd zijn op actuele kennis over de ontwikkeling van decubitus bij de zorgvrager, zorgvuldige en herhaalde risicobeoordelingen en voortdurende evaluatie en kritische reflectie van de zorgverlener zelf, de zorgvrager en de samenwerkende professionals. Echter, alleen de klinische blik is niet altijd voldoende. Een meta-analyse uitgevoerd door García-Fernández et al. (2014) laat relatief slechte voorspellende waarden zien voor het gebruik van enkel de klinische blik bij het inschatten van het relatief risico op decubitus .
De klinische blik kan worden aangevuld met diverse soorten risicobeoordelingsinstrumenten. Er zijn generieke instrumenten en setting- of doelgroep-specifieke instrumenten. In tabel 1.1 staat een overzicht van de generieke risicobeoordelingsinstrumenten voor de Nederlandse situatie. De drie internationaal meest gebruikte risicobeoordelingsinstrumenten – de Norton-schaal , de Waterlow-schaal en de Braden schaal – zijn meer dan 30 jaar geleden ontwikkeld op basis van literatuuronderzoek, het oordeel van deskundigen en/of een aanpassing van bestaande schalen. In Nederland komen daar twee veelgebruikte instrumenten bij: de PrePURSE en de CBO-lijst .
Tabel 1.1 Generieke instrumenten voor de beoordeling van decubitus in Nederland

De betrouwbaarheid van een risicobeoordelingsinstrument wordt bepaald door de samenhang (consistentie) en reproduceerbaarheid van de scores wanneer de beoordelingen door verschillende beoordelaars worden uitgevoerd. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor de geldigheid (validiteit) van een instrument. De totaalscores op de Norton-schaal en de Braden-schaal hebben over het algemeen hoge betrouwbaarheidsniveaus (intraclass-correlatiecoëfficiënt voor de Norton-schaal=0,82, met een 95% betrouwbaarheidscoëfficiënt van 0,72; 0,93 ; bereik voor de Braden-schaal=0,72 tot 0,95) . Bij de Waterlow-schaal loopt de betrouwbaarheid tussen beoordelaars meer uiteen. Eén studie rapporteert een intraclass-correlatiecoëfficient van 0,36 (95%-betrouwbaarheidscoëfficiënt 0,09; 0,63)10 en een ander van 0,92 (95%-betrouwbaarheidscoëfficiënt 0,86; 0,96) .
Validiteit verwijst naar de mate waarin een instrument meet wat het beweert te meten. Er zijn vele soorten validiteit (bv. inhoud, construct en criterium). Bij risicobeoordelingsinstrumenten heeft ‘predictieve validiteit’ (de voorspellende waarde van een instrument) de meeste aandacht gekregen. Een groot probleem bij het vaststellen van de voorspellende waarde van risicobeoordelingsinstrumenten is dat in het merendeel van de studies preventieve maatregelen worden toegepast die van invloed zijn op de uitkomst van het instrument , terwijl de studies hier niet voor corrigeren. In studies naar de predictieve validiteit van de risicobeoordelingsinstrumenten wordt vooral de prognostische aard van het instrument beoordeeld (d.w.z. het inschatten van de waarschijnlijkheid van een toekomstig probleem), maar de validiteit wordt getest alsof het gaat om een diagnose (het identificeren van een bestaand probleem). Ondanks deze beperkingen rapporteren de meeste studies naar predictieve validiteit enkele statistische schattingen van de waarschijnlijkheid op basis van prognostische parameters zoals: sensitiviteit, specificiteit, positieve likelihood ratio, negatieve likelihood ratio, Area Under Receiver Characteristic (AUROC) en relatief risico. Hoewel deze parameters niet bij uitstek voor dit doel geschikt zijn, geven ze wel inzicht in de voorspellende waarde van de risicobeoordelingsinstrumenten, vooral wanneer de tussenliggende preventieve strategieën bij de beoordeling worden betrokken. Tabel 1.2 geeft een samenvatting van de schattingen uit twee meta analyses .
Tabel 1.2: Psychometrische eigenschappen van de risicobeoordelingsinstrumenten volgens diverse studies per instrument

Veertien studies vergeleken de doeltreffendheid waarmee verschillende risicobeoordelingsinstrumenten de incidentie van decubitus kunnen voorspellen.1 Zes studies meldden dat de AUROC’s vergelijkbaar waren . In vijf van deze studies varieerden de AUROC’s tussen 0,66 en 0,90, maar in één studie lagen de AUROC’s lager, variërend tussen 0,55 en 0,61. Een hoge AUROC geeft aan dat het risicobeoordelingsinstrument beter in staat is om onderscheid te maken tussen zorgvragers die wel en zorgvragers die geen decubitus zullen ontwikkelen.
Om tot een keuze voor een risicobeoordelingsinstrument te komen is het belangrijk rekening te houden met de setting waarin de zorgvrager de zorg ontvangt en met de risicofactoren. In bepaalde settings komen bepaalde risicofactoren niet voor (bijv. de risicofactor ‘operatie’). In elke setting dient dan ook de keuze te worden gemaakt voor een bepaald generiek risicobeoordelingsinstrument of een specifiek risicobeoordelingsinstrument (zoals voor kinderen en neonaten ), waarbij de risicofactoren van de zorgvragers steeds leidend zijn. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de generieke risicobeoordelingsinstrumenten waarbij factoren zijn opgenomen. Tabel 1.3 bevat de risicofactoren onderverdeeld naar de mechanische eigenschappen en de individuele tolerantie hiervoor (zie de uitleg hierover inleiding).
Tabel 1.3: Risicofactoren onderverdeeld naar mechanische eigenschappen en tolerantie

Een risicobeoordeling dient te worden uitgevoerd zodra een zorgvrager in zorg komt. Hierdoor wordt duidelijk voor welke zorgvragers preventieve maatregelen moeten worden genomen. Doelgroepen die altijd risico op decubitus hebben, hoeven niet beoordeeld te worden en hebben altijd preventieve maatregelen nodig (zie uitgangsvraag 2).
Conclusies uit de kennis
De klinische blik en het gebruik van risicobeoordelingsinstrumenten worden als basis gezien voor het beoordelen van risico op decubitus. Op de eerste plaats staat het gebruik van de klinische blik, met inachtneming van de beschreven risicofactoren. Ter ondersteuning en aanvulling van de klinische blik wordt het gebruik van een risicobeoordelingsinstrument geadviseerd omdat je hiermee structuur kunt aanbrengen. Geen enkel risicobeoordelingsinstrument is echter superieur bij het bepalen van het risico op decubitus. De zorgverlener moet met zijn kennis en ervaring bepalen welk risicobeoordelingsinstrument het meest relevant is voor de betreffende setting en doelgroep, en daarbij ook rekening houden met risicofactoren die in het gekozen instrument niet worden genoemd.
Overwegingen
Voor het beoordelen van het risico op decubitus is een risicobeoordelingsinstrument niet allesomvattend. De werkgroep was daarom unaniem van mening dat risicobeoordeling niet kan bestaan zonder de klinische blik. Waar het risicobeoordelingsinstrument gestructureerd is en richting geeft aan zorgverleners, is de klinische blik een hulpmiddel dat je als zorgverlener zelf ontwikkelt. Een risicobeoordelingsinstrument wint aan kracht door de combinatie met de klinische blik.
De werkgroep wilde eveneens unaniem naast de klinische blik toch ook het gebruik van een risicobeoordelingsinstrument adviseren, om daarmee het belang te onderstrepen van het op gestructureerde wijze in kaart brengen van het risico op decubitus. Een risicobeoordelingsinstrument is daarbij een geschikt hulpmiddel. Het hulpmiddel dient aan te sluiten bij de Nederlandse situatie. Daarom is op voorhand bij de werkgroepleden en hun achterban geëvalueerd welke risicobeoordelingsinstrumenten in de Nederlandse praktijk worden gebruikt. Dit zijn de Braden- schaal, PrePURSE, de Norton-schaal, de CBO-risicoscorelijst en de Waterlow-schaal. Gezien de geringe wetenschappelijke onderbouwing van de PrePURSE en de CBO-risicoscorelijst, adviseert de werkgroep om deze lijsten niet als eerste keus te gebruiken. Met de huidige stand van de wetenschap hebben de Braden-, Norton- of Waterlow-schaal de voorkeur.
Er is geen bewijs dat één van de instrumenten superieur is. De werkgroep vindt de belangrijkste reden voor het inzetten van een risicobeoordelingsinstrument dat daarmee de risicobeoordeling gestructureerd wordt. Om de richtlijn zo toepasbaar mogelijk te maken voor alle settings waarin verpleegkundigen en verzorgenden werkzaam zijn, worden deze vijf generieke risicobeoordelingsinstrumenten aanbevolen. De zorgverlener bepaalt zelf welk risicobeoordelingsinstrument het meest relevant is voor de betreffende setting en doelgroep, daarbij ook rekening houdend met risicofactoren die niet in het gekozen instrument voorkomen.
Bewijs uit de literatuur voor de derde aanbeveling, om zo snel mogelijk nadat een zorgvrager in zorg komt een risicobeoordeling uit te voeren, ontbreekt. Toch is het volgens de werkgroep essentieel om tijdig te beginnen met preventieve maatregelen als een zorgvrager risico heeft op decubitus. Het is belangrijk om risicobeoordeling zo snel mogelijk uit te voeren, omdat de inventarisatie van het risico op decubitus in een aantal situaties noodzakelijk is om de juiste preventieve zorg te kunnen inzetten. Periodieke herhaling van de risicobeoordeling is voor elke zorgvrager essentieel, aangezien risicofactoren kunnen veranderen wanneer de situatie van de zorgvrager verandert. Daarom is herhaling nodig zodra de blootstelling aan het risico is veranderd (of waarschijnlijk zal veranderen) als gevolg van veranderingen in de gezondheidstoestand of de behandeling (bijv. chirurgie). Hoe vaak een risicobeoordeling moet worden gedaan, is dan ook afhankelijk van de setting en de risicofactoren van de zorgvrager: in de acute setting verandert de situatie voor de zorgvrager bijvoorbeeld sneller dan in een setting voor de langduriger zorg. In een complexe zorgsituatie waarin de ziekte-ernst en daarmee de risicostatus van de zorgvrager snel wisselt, is een risicoschatting dagelijks of zelfs per dienst noodzakelijk. In een zorgsetting waarin de risicostatus van de zorgvrager stabiel is, kan bijvoorbeeld een wekelijkse screening volstaan.
Patiëntengroepen met risico op decubitus
Uitgangsvraag
Bij welke doelgroepen kan direct worden gestart met preventieve maatregelen en is risicobeoordeling niet nodig?
Inleiding
Aanleiding en doel
Het vaststellen van (risico op) decubitus omvat:
- het beoordelen van het risico op decubitus;
- vaststellen of de zorgvrager hoort tot een patiëntengroep met risico;
- het indelen op decubitus-categorie.
Deze uitgangsvraag gaat over het vaststellen of de zorgvrager hoort tot een patiëntengroep met risico. Bij bepaalde doelgroepen en in sommige situaties hebben zorgvragers een verhoogd risico op decubitus. Het risico op decubitus is dan een vaststaand gegeven en preventie wordt altijd ingezet. In die gevallen hoeft risicobeoordeling, zoals beschreven in uitgangsvraag 1, niet uitgevoerd te worden. Het is voor verpleegkundigen en verzorgenden belangrijk om te weten welke groepen dit zijn, zodat meteen kan worden begonnen met de benodigde preventieve maatregelen.
Aanbevelingen
Ga vanwege het risico op decubitus bij onderstaande doelgroepen direct over tot preventieve maatregelen:
- zorgvrager met decubitus;
- zorgvrager die immobiel is;
- zorgvrager op de intensive care;
- zorgvrager op de operatiekamer;
- zorgvrager met een dwarslaesie;
- zorgvrager in de terminale fase.
Leg in het zorgplan vast dat de zorgvrager, als deze behoort tot één van bovenstaande doelgroepen, een vaststaand risico heeft op decubitus.
Samenvatting van de kennis
Het risico op decubitus is afhankelijk van de mate van mobiliteit van de zorgvrager en de mate waarin deze druk en/of pijn kan waarnemen. Bij sommige groepen zijn deze factoren bij de meeste patiënten beperkt of verstoord en is er vrijwel altijd een verhoogd risico op decubitus.
De volgende groepen zorgvragers hebben een verhoogd risico op decubitus.
- Zorgvragers met een decubituswond hebben een verhoogd risico op het ontstaan van andere decubituswonden en hebben per direct preventieve maatregelen nodig . Deze preventieve maatregelen worden vaak in intensievere vorm ingezet als onderdeel van de behandeling, zoals beschreven in uitgangsvraag 5.
- Zorgvragers die immobiel zijn hebben een verhoogd risico op decubitus. In 76% (38/50) van de prognostische studies was beperkte mobiliteit of activiteit een significant risico voor decubitus . Zowel de mate als de duur van immobiliteit bepalen het risico op decubitus.
- Zorgvragers op de intensive care (IC) worden gezien als ernstig zieke zorgvragers met een (ernstige) verstoring van de mobiliteit en een verstoorde waarneming van druk en pijn. Door hun slechte algemene toestand is de kans op decubitus bij zorgvragers op de IC dan ook het hoogst van alle zorgvragers in het ziekenhuis . Volgens een onderzoek in Australië komt decubitus op de IC 3,8 keer zo vaak voor als op andere afdelingen . In een ander onderzoek was de incidentie van het ontwikkelen van decubitus op de IC zelfs 10 keer verhoogd ten opzichte van andere afdelingen . Een uitgebreide review uit 2013 laat een prevalentie van decubitus op de IC tussen de 13,1% en 45,5% zien . Diverse factoren liggen ten grondslag aan de hoge incidentie- en prevalentiecijfers op de IC: hoge ziektelast, hemodynamische instabiliteit, slechte weefselperfusie en zuurstofvoorziening, stollingsstoornissen en herhaalde blootstelling aan risicofactoren van decubitus .
- Zorgvragers op de operatiekamer zijn tijdens en na de operatie immobiel. Daarnaast liggen ze tijdens de operatie op een relatief harde ondergrond en nemen ze algeheel of lokaal geen pijn en/of druk waar. Bij 4% tot 45% van de zorgvragers is decubitus gerelateerd aan een operatie . Bij deze cijfers wordt aangenomen dat decubitus die postoperatief wordt gesignaleerd vaak tijdens de operatie is veroorzaakt . De tijd tussen het ontstaan van decubitus en het moment waarop de decubitus zichtbaar wordt, varieert van enkele uren tot drie à vijf dagen . De volgende punten zijn van invloed op het ontstaan van decubitus bij zorgvragers rondom de operatiekamer:
1. Hoe langer de operatie duurt, des te groter het risico op decubitus . Bij operaties van vier uur of langer is er een significant verband tussen de duur van een operatie en het ontstaan van decubitus categorie II-IV .
2. Perioden van hypotensie tijdens de operatie leiden tot een toename van het risico op ontstaan van decubitus (hoe langer de periode van hypotensie, des te groter het risico op decubitus) .
3. Een lage lichaamstemperatuur tijdens de operatie vergroot het risico op ontstaan van decubitus .
4. Verminderde mobiliteit op de eerste dag na de operatie vergroot het risico op het ontstaan van decubitus . - Zorgvragers met een dwarslaesie hebben een verhoogd risico op decubitus door verminderde mobiliteit, verstoorde waarneming van druk en/of pijn en afwijkende fysiologie die de huid vatbaar maakt voor druk . Het risico op het ontstaan van decubitus is het grootst in de eerste 12 maanden na het ontstaan van een dwarslaesie . Factoren zoals leefstijl (roken, alcohol, fysieke activiteit), medicatiegebruik , naleving van het decubitus-preventieplan , kennis over decubitusstrategieën en toegang tot benodigde drukverlagende materialen zijn geassocieerd met de incidentie en herstelkansen van decubitus bij zorgvragers met een dwarslaesie. De prevalentie van decubitus ontstaan in een zorginstelling bij zorgvragers met een dwarslaesie varieert tussen 1,5% en 12% . Bij zorgvragers die zijn ontslagen uit een revalidatiekliniek loopt de prevalentie binnen zes maanden zelfs op tot 42% .
- Zorgvragers in de terminale fase verblijven thuis, in een instelling of in een hospice. In de laatste fase van hun leven kan orgaanfalen ontstaan, met als gevolg dat de huid minder is beschermd tegen druk- en schuifkrachten, waardoor decubitus kan ontstaan . In de terminale fase is de prioriteit om zorgvragers zoveel mogelijk comfort en kwaliteit van leven te bieden. Waar mogelijk dient decubitus te worden voorkomen, maar het nemen van preventieve maatregelen moet altijd worden afgewogen tegen de eventuele belasting en het comfort van de patiënt.
- Zorgvragers met obesitas hebben een risico op diverse huid- en weefselproblemen , maar er is geen causale relatie tussen obesitas en het ontstaan van decubitus. Een combinatie van onderzoeken laat een U-vormig verband zien tussen de BMI en decubitus : zowel patiënten met ondergewicht als met overgewicht hebben een grotere kans op decubitus. Dit is echter geen vaststaand risico en afhankelijk van vele andere factoren.
Conclusies uit de kennis
Een aantal groepen heeft standaard een hoog risico op decubitus doordat hun mobiliteit en/of mate van druk- en pijnwaarneming is verstoord. De literatuur laat zien dat zes groepen een duidelijk verhoogd risico hebben op decubitus: zorgvragers met bestaande decubitus, zorgvragers die immobiel zijn, zorgvragers op de intensive care, zorgvragers op de operatiekamer, zorgvragers met een dwarslaesie en zorgvragers in de terminale fase.
Overwegingen
De werkgroep vindt het belangrijk om specifieke groepen met een risico op decubitus te benoemen, omdat dit leidt tot taakverlichting bij verpleegkundigen en verzorgenden. Als het risico op decubitus zo groot is dat risicobeoordeling kan worden overgeslagen, kunnen direct preventieve maatregelen worden ingezet. In de werkgroep is besproken in hoeverre onderstaande patiëntengroepen een dusdanig verhoogd risico op decubitus hebben dat zij in deze aanbeveling opgenomen moeten worden.
- Zorgvragers met decubitus: bij zorgvragers met decubitus is het duidelijk dat preventieve maatregelen ingezet moeten worden en is risicobeoordeling dus niet nodig. Daarnaast hebben deze zorgvragers een verhoogd risico op het ontstaan van nieuwe decubitus. De werkgroep vindt het onnodig om bij deze groep risicobeoordeling uit te voeren.
- Zorgvragers die immobiel zijn: deze zorgvragers dienen altijd als hoogrisicogroep te worden gezien omdat deze zorgvragers niet zelfstandig in bed en/of stoel van houding kunnen veranderen.
- Zorgvragers op de intensive care: deze zorgvragers dienen altijd als een groep met hoog risico te worden behandeld. De patiënten zijn immobiel en nemen vaak geen pijn waar. Bovendien heeft de IC-zorgvrager meer – en andere – risicoplaatsen voor decubitus, zoals de neusbrug (door medische apparatuur) en het achterhoofd.
- Zorgvragers op de operatiekamer: factoren als het langdurig in één houding liggen (vaak rugligging), een harde ondergrond, immobiliteit en geen waarneming van druk en/of pijn leiden ertoe dat zorgvragers op de operatiekamer (preoperatief, tijdens operatie en postoperatief) moeten worden gezien als een hoogrisicogroep.
- Zorgvragers met een dwarslaesie: gezien de hoge mate van immobiliteit en verstoorde waarneming van pijn heeft deze groep altijd een verhoogd risico op het ontstaan van decubitus.
- Zorgvragers in de terminale fase: de werkgroep herkent de beschrijving in de literatuur dat zorgvragers in de terminale fase een hoog risico hebben. Het nastreven van comfort en kwaliteit van leven hebben in deze levensfase prioriteit en preventieve maatregelen moeten hierop worden aangepast.
De volgende groepen zijn tevens in de werkgroep besproken, maar van deze groepen is besloten dat zij niet standaard een verhoogd risico hebben op decubitus. Daarom zijn zij niet in deze aanbeveling opgenomen:
- Zorgvragers met obesitas: op het eerste gezicht lijkt deze groep een verhoogd risico te hebben doordat het hoge gewicht leidt tot meer druk, er vaak sprake is van immobiliteit en de huid van de zorgvrager moeilijker te verzorgen is. De werkgroep concludeert echter dat immobiele zorgvragers met obesitas dan vallen onder de groep ‘zorgvragers die immobiel zijn’ en dat zorgvragers met obesitas niet standaard een verhoogd risico op decubitus hebben. Bij zorgvragers met obesitas dient de zorgverlener wel rekening te houden met aangepaste (preventieve) maatregelen, zoals een goed passend matras.
- Oudere zorgvragers: bij oudere zorgvragers is de kans op de risicofactoren groter. De kwaliteit van de huid neemt immers af en daarmee ook de beschermende eigenschappen tegen druk- en schuifkrachten. Vooral de tijdsduur waarin risicofactoren tot schade zullen leiden zal daardoor aanzienlijk korter zijn. Echter, niet bij iedere oudere zorgvrager zijn risicofactoren aanwezig en het kan dus niet gesteld worden dat oudere zorgvragers standaard een verhoogd risico hebben.
- Zorgvragers in de palliatieve zorg: patiënten in palliatieve zorg hebben niet altijd een verhoogd risico. Dit is namelijk afhankelijk van de ziektefase, het medicatiegebruik en de geestelijke en lichamelijke situatie. Palliatieve zorgvragers in een verpleeghuis zijn bijvoorbeeld vaak immobiel en hebben daarom een hoog risico op decubitus. Palliatieve zorgvragers worden gezien als een brede groep in diverse situaties. Het nastreven van comfort en kwaliteit van leven heeft in deze groep de eerste prioriteit.
Neonaten/kinderen (pediatrie): pediatrische zorgvragers hebben niet standaard een verhoogd risico op decubitus. Dit is net als bij andere zorgvragers afhankelijk van de reguliere risicofactoren (uitgangsvraag 1). Bij kinderen wordt het risico op decubitus echter regelmatig over het hoofd gezien en daarom moeten zorgverleners extra alert zijn op dit probleem. Met name bij te vroeg geboren baby’s is deze alertheid vereist omdat de huid nog niet volledig is ontwikkeld.
Classificatiesysteem
Inleiding
Aanleiding en doel
Het vaststellen van (risico op) decubitus omvat:
- het beoordelen van het risico op decubitus;
- vaststellen of de zorgvrager hoort tot een patiëntengroep met risico;
- het indelen op decubitus-categorie.
Deze uitgangsvraag gaat over het indelen op decubitus-categorie. Verpleegkundigen en verzorgenden hebben behoefte aan één classificatiesysteem voor een uniforme indeling van de ernst van decubitus. Dit is van belang bij het opstellen en opvolgen van het behandelplan. Een classificatiesysteem is een middel om de mate van weefselschade bij decubitus te beschrijven. Bij juist gebruik van een classificatiesysteem wordt decubitus op betrouwbare wijze ingedeeld op basis van de mate van zichtbaar weefselverlies. Het gebruik van een decubitus-classificatiesysteem heeft de volgende voordelen:
- het geeft richting aan de keuze van decubitusbehandelingen;
- het verbetert communicatie tussen zorgprofessionals;
- het maakt vergelijking van gegevens tussen organisaties en organisatorische eenheden (afdelingen, locaties) mogelijk;
- het verbetert de methodologische kwaliteit van onderzoek naar decubitus, bijvoorbeeld omdat resultaten vergeleken kunnen worden.
Aanbevelingen
Gebruik voor de classificatie van decubitus het internationale NPIAP/EPUAP-decubitus classificatiesysteem, zoals beschreven in uitgangsvraag 3.
Let bij personen met een donkere huid bij het classificeren van decubitus ‘categorie 1’ en ‘vermoedelijke diepe weefselbeschadiging’ specifiek op de huidtemperatuur, gevoeligheid, veranderingen in weefselconsistentie en pijnverschillen tussen aangedane en niet-aangedane huid.
Samenvatting van de kennis
Decubitus is een plaatselijke schade aan de huid en/of onderliggend weefsel ten gevolge van druk of druk in combinatie met schuifkrachten. Het wordt beoordeeld en geclassificeerd aan de hand van visuele inspectie en palpatie, inclusief de omliggende huid, onderhuids vet, botten, spieren, pezen en banden. Bij het classificeren kan niet enkel van de diepte worden uitgegaan, omdat de diepte van de aangedane structuren per lichaamsplaats sterk kan variëren. Op plekken met weinig vetweefsel, zoals de neusbrug, het achterhoofd, het gebied achter het oor, het sacrum en de enkel, kan een oppervlakkige decubituswond toch onder een categorie III of zelfs IV vallen. Aan de andere kant kan een decubituswond op een plek met veel vetweefsel diep zijn maar niet tot de spier of bot reiken waardoor hij toch onder categorie III valt.
Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de resultaten uit studies naar de betrouwbaarheid van classificatiesystemen. Daarin is te zien dat geen enkel classificatiesysteem superieur is aan de andere. In de studies is zowel directe observatie toegepast als beoordeling aan de hand van foto’s. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (de mate van overeenstemming tussen verschillende beoordelaars) varieerde tussen de studies, maar was over het algemeen medium tot hoog.
Tabel 3.1: Overzicht van classificatiesystemen

De internationale richtlijn Decubitus (2019) laat zien dat in Europa vier classificatiesystemen regelmatig worden gebruikt: het internationale NPIAP/EPUAP-decubitus-classificatiesysteem (2009, 2014) , WHO-ICD 10 (2016) , WHO-ICD-11 (2018) en ICD-11-Australian Modified (2019) . Naar de juistheid van de beoordeling van deze systemen is nog geen onderzoek uitgevoerd. Eerdere versies van de NPIAP- en EPUAP-classificaties zijn wel onderzocht (tabel 3.1).
In de V&VN-richtlijn van 2011 werd het NPIAP/EPUAP-classificatiesysteem (2009) aanbevolen en dit is tot op heden het meest gebruikte systeem in Nederlandse zorg. Hoewel in de internationale richtlijn Decubitus (2019) geen specifiek classificatiesysteem wordt aanbevolen, beveelt de werkgroep in deze richtlijn toch het meest recente NPIAP/EPUAP-classificatiesysteem aan (zie Overwegingen). Hieronder staat een beschrijving van de diverse categorieën. NPIAP/EPUAP-decubitus-classificatiesysteem (2009, 2014).
Categorie I: Niet-wegdrukbare roodheid bij een intacte huid
Intacte huid met niet-wegdrukbare roodheid in een gelokaliseerd gebied ter hoogte van een botuitsteeksel. Een donkere huid vertoont mogelijk geen zichtbare verkleuring en is daarom moeilijker te beoordelen. Het gebied kan pijnlijk, stijf, zacht, warmer of kouder zijn in vergelijking met aangrenzend weefsel.

Categorie II: Verlies van een deel van de huidlaag of blaar
Een glimmende of droge oppervlakkige wond met een roze wondbodem, zonder wondbeslag of kneuzing. Een deel van de lederhuid (dermis) is verdwenen. De wond kan er uitzien als een intacte, een open of een gescheurde blaar. Ook een blaar gevuld met vocht (plasma) en/of bloed behoort tot categorie II.

Categorie III: Verlies van een volledige huidlaag (vet zichtbaar)
Een huidlaag is weggevallen, waardoor onderhuids vet zichtbaar is. Bot, pezen en spieren liggen niet bloot. Wondbeslag, ondermijning of tunnelvorming kunnen aanwezig zijn. De diepte van de categorie III-decubitus varieert per lichaamsplaats. De neusbrug, het oor, het achterhoofd en de enkel hebben geen subcutaan (vet)weefsel waardoor de wond oppervlakkig is. In gebieden met een grote hoeveelheid vet kunnen zich extreem diepe wonden ontwikkelen. Bot en pezen zijn niet zichtbaar of direct voelbaar.

Categorie IV: Verlies van een volledige weefsellaag (spier/bot zichtbaar)
Het verlies van een volledige weefsellaag met blootliggend bot, pezen of spieren. Een vervloeid wondbeslag of necrotische korst kan aanwezig zijn. Meestal is er sprake van ondermijning of tunnelvorming. De diepte van de wond varieert per lichaamsplaats. Categorie IV-decubitus kan zich uitbreiden in de spieren en/of ondersteunende structuren (bijv. fascia, pees of gewrichtskapsel) waardoor gemakkelijk osteomyelitis of osteïtis ontstaat. Blootliggend bot of spierweefsel is zichtbaar en direct voelbaar.

Niet naar categorie in te delen/ongeclassificeerd:
Verlies van een volledige huid- of weefsellaag. Diepte onbekend Het verlies van een volledige weefsellaag waarbij de diepte van de wond volledig wordt gevuld door wondbeslag (geel, geelbruin, grijs, groen of bruin) en/of necrose (geelbruin, bruin of zwart) in het wondbed. De diepte is pas te bepalen nadat voldoende wondbeslag en/of dood weefsel is verwijderd, waardoor het wondbed zichtbaar wordt. Het zal een categorie III of IV zijn.

Vermoedelijke diepe weefselbeschadiging. Diepte onbekend
Gelokaliseerd gebied van paars of kastanjebruin verkleurde intacte huid of een met bloed gevulde blaar als gevolg van schade aan onderliggend zacht weefsel door druk- en/of schuifkrachten. Het gebied kan zich kenmerken door weefsel dat pijnlijk, stijf, papperig, warmer of kouder aanvoelt dan het aangrenzende weefsel. Diepe weefselbeschadiging kan moeilijk te ontdekken zijn bij personen met een donkere huid. De wond kan zich ontwikkelen tot een dunne blaar over een donker wondbed.

Zorgverleners dienen alert te zijn bij zorgvragers met een donkere huid. Uit onderzoeken naar de prevalentie en incidentie van decubitus blijkt dat decubitus categorie I en vermoedelijk diepe weefselbeschadiging bij zorgvragers met een donkere huid minder snel worden herkend en behandeld . Een onderzoek onder 1938 bewoners in 59 verpleeghuizen toonde een significant hoger aantal decubituswonden categorie II-IV per persoonsjaar aan bij bewoners met een donkere huidskleur (0,56) dan bij bewoners met een lichte huidskleur (0,35) . Anderzijds lieten Vangilder en anderen (2008) zien dat categorie I minder vaak bij mensen met een donkere huidskleur wordt vastgesteld: 13% bij een donkere huid, 32% bij een getinte huid (32%) en 38% bij een lichte huid .
Conclusies uit de kennis
Uit onderzoek blijkt dat er zeven classificatiesystemen zijn die een medium tot hoge interbeoordelaarsbetrouwbaarheid laten zien, maar geen van deze systemen is superieur. De classificatiesystemen die wereldwijd worden gebruikt, zijn echter niet onderzocht op betrouwbaarheid. Sinds 2014 wordt door de EPUAP en NPIAP een gemeenschappelijke richtlijn uitgebracht, waarin het wereldwijd meest gebruikte NPIAP/EPUAP-classificatiesysteem wordt beschreven, bestaande uit vier categorieën met aanvullend twee niet te definiëren groepen. Een voorganger van dit systeem (NPIAP, 2009) is wel onderzocht en laat een medium tot hoge betrouwbaarheid zien. De categorieën bij deze twee systemen zijn hetzelfde, er zijn alleen aanpassingen in het taalgebruik geweest.
Overwegingen
De werkgroep heeft besloten om het gebruik van de meest recente versie van de NPIAP/EPUAP, bestaande uit vier categorieën en twee niet-te-definiëren, te adviseren. Tot op heden wordt in Nederland het EPUAP classificatiesysteem (1999) met vier categorieën gebruikt. In deze richtlijn worden naast de vier categorieën (categorie I t/m IV) twee weefseldefecten aanbevolen met een intacte huid: ‘ongeclassificeerd’ en ‘vermoedelijk diepe weefselschade’. Het gebruik van de vier categorieën met de twee niet-te-definiëren weefselschade-categorieën heeft de voorkeur van de werkgroep omdat het zorgt voor een duidelijker onderscheid en meer aandacht voor weefselschade die niet direct zichtbaar is. Dit systeem wordt aangeduid als het NPIAP/EPUAP-classificatiesysteem. Bovendien is onderzoek in Nederland op deze manier beter te vergelijken met internationale literatuur, aangezien dit classificatiesysteem in de meeste landen wordt gebruikt. De werkgroep is zich ervan bewust dat er maatregelen nodig zijn om dit nieuwe systeem in Nederland te implementeren. Zorgverleners dienen op de hoogte te worden gesteld van de aanpassing en te worden geschoold in de nieuwe indeling. Tevens zijn er aanpassingen in elektronische patiëntendossiers nodig om het praktisch mogelijk te maken om de twee niet-te-definiëren-weefselschade-categorieën te kunnen classificeren.
Het is belangrijk om op te merken dat, zoals ook uit de wetenschappelijke literatuur blijkt, classificatie van decubitus niet 100% betrouwbaar is. Bijvoorbeeld het maken van onderscheid tussen categorie I en II wordt in de praktijk als moeilijk ervaren. Bij twijfel dient de zorgverlener uit te gaan van de hoogste categorie.
Preventieve maatregelen
Uitgangsvraag
Welke preventieve maatregelen worden bij zorgvragers met (risico op) decubitus aanbevolen om decubitus te voorkómen?
Inleiding
Uit de knelpuntenanalyse blijkt dat het voor zorgverleners onduidelijk is welke preventieve maatregelen effectief zijn en welke niet, hoe je materialen moet gebruiken en welke materialen geadviseerd worden. Deze uitgangsvraag doet aanbevelingen voor welke preventieve maatregelen je in de praktijk kunt toepassen die het risico op het ontstaan van decubitus verkleinen.
Deze uitgangsvraag gaat in op de volgende groepen maatregelen:
1. Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Houdingsveranderingen
- Frequentie van wisselhouding
- Techniek van wisselhouding
- Wisselhouding bij de zittende persoon
2. Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Drukverlagende maatregelen
- Ondersteuning door gebruik te maken van materialen
- Het voorkomen van decubitus op de hielen
- Het voorkomen van decubitus bij het gebruik van medische hulpmiddelen
3. Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Mobilisatie
4. Zorg voor de zorgvrager – Huidzorg en inspectie
- Beoordeling van de huid
- Frequentie van beoordeling
- Huidzorg
5. Zorg voor de zorgvrager – Voeding
Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Houdingsveranderingen
Aanleiding en doel
Houdingsverandering is een essentieel onderdeel van de preventie van decubitus. Zorgvragers die zelf niet in staat zijn om van houding te veranderen, hebben hierbij ondersteuning nodig. Je kunt zorgvragers met een risico op decubitus ook aanmoedigen om zelf regelmatig van houding te veranderen, als ze dat kunnen. Uit de knelpunten blijkt dat zorgverleners graag aanwijzingen krijgen hoe ze van houding kunnen veranderen en hoe vaak dat moet gebeuren. Voor advies en begeleiding van houdingstechnieken kan de fysiotherapeut en/of ergotherapeut worden geconsulteerd.
Aanbevelingen
Pas wisselhouding toe bij alle zorgvragers met risico op decubitus of met bestaande decubitus.
Frequentie van wisselhouding
Maak een schema met daarin de frequentie en duur van de verschillende houdingen.
Wissel de zorgvrager in principe elke 4 uur van houding, maar houd bij de frequentie rekening met:
- persoonskenmerken: weefseltolerantie, mate van activiteit en mobiliteit, algehele lichamelijke conditie, huidconditie;
- behandeldoelen;
- kenmerken van de onderlaag: bij liggen het soort drukverlagend matras (statisch of dynamisch) en bij zitten het soort drukverlagend kussen (bij zitten).
Herzie de frequentie en duur in het schema indien één van de hierboven beschreven kenmerken verandert of als decubitus dreigt, ontstaat of verergert.
Techniek van wisselhouding
Positioneer de zorgvrager in een houding die de druk op het lichaam – op die plaatsen waar dit contact heeft met de onderlaag – optimaal verdeelt.
Maak bij wisselligging gebruik van het schema ‘30 graden rechterzij, semi-Fowler-houding, 30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, enz.’.
Beperk houdingen die de druk verhogen, zoals de 90 graden zijligging of de halfzittende houding.
Vermijd dat zorgvragers in een onderuitgezakte houding zitten en houd de tijd dat zij in bed rechtop zitten zo kort mogelijk. Gebruik de mogelijkheden van het bed (zoals een knieknik).
Ondersteun de zorgvrager met kussens (bijv. met positioneringsrollen of wigkussens) om te voorkomen dat de zorgvrager terugschuift als deze in de 30 graden zijligging ligt.
Gebruik hulpmiddelen om schuifkrachten bij het wisselen van houding te verminderen en verwijder deze na gebruik. Bijvoorbeeld: papegaai, tillift, glijlaken, glijhandschoen of glijplank met glijlaken.
Overweeg bij zorgvragers die geen grote houdingsveranderingen aankunnen om frequenter kleinere houdingsveranderingen uit te voeren.
Positioneer de zorgvrager voor en na een operatie in een andere houding dan de houding tijdens de operatie.
Wisselhouding bij de zittende persoon
Voorkom dat de zorgvrager lange tijd in dezelfde houding zit en wees alert op roodheid op het zitvlak. Houd bij de frequentie van houdingsverandering rekening met:
- persoonskenmerken: weefseltolerantie, mate van activiteit en mobiliteit, algehele lichamelijke conditie, huidconditie;
- behandeldoelen;
- kenmerken van het zitkussen.
Zorg dat de zorgvrager bij een zithouding een hoek van 90 graden in de knieën heeft, waarbij de voeten volledig op de ondergrond steunen. Daardoor steunt de zorgvrager zoveel mogelijk op de bovenbenen. Plaats de voeten van de zorgvrager recht onder de knieën en gebruik zo nodig een voetenbank of voetensteun.
Samenvatting van de kennis
De basis van het voorkomen van decubitus is: zorgen dat druk- en schuifkrachten op weefsels zo kort mogelijk duren door houdingsverandering toe te passen. Zonder druk op het weefsel kan immers geen decubitus ontstaan (zie inleiding). Houdingsverandering is het veranderen van de lichaamshouding waarin de zorgvrager ligt of zit, al of niet met hulp van een zorgverlener. Dit kan gaan om de verandering in de houding van het hele lichaam of van een deel van het lichaam. Wisselhouding wordt vaak ingezet met behulp van wisselschema’s, waarbij de zorgvrager op gezette tijden van houding wordt veranderd of zelf van houding verandert. Maar ook veranderen van houding om andere redenen, zoals de zorgvrager die zichzelf kan mobiliseren of door dagelijkse activiteiten zoals naar het toilet gaan, zijn vormen van houdingsverandering.
Frequentie van wisselhouding
Uit diverse studies blijkt dat het regelmatig wisselen van houding leidt tot een lagere incidentie van decubitus . Regelmatige houdingsverandering is enerzijds belangrijk om decubitus te voorkomen, maar vormt anderzijds ook een belasting van de zorgvrager. Daarom is het belangrijk om een schema voor houdingsverandering te maken en aan te houden. Houdingsverandering om de 4 uur leidt tot de beste balans tussen belasting van de zorgvrager en drukverlichting, zo blijkt uit de volgende onderzoeken. Als zorgvragers in een verpleeghuis elke 4 uur worden gedraaid, leidt dat tot een significante vermindering van de incidentie van decubitus categorie II en hoger en tot een kortere tijd tot het ontstaan van decubitus . Uit andere studies blijkt dat er geen verschil in effectiviteit is tussen wisseling van houding om de 2, 3 of 4 uur .
Bij het bepalen van de frequentie van wisselhouding moet je rekening houden met de mogelijkheden van de zorgvrager om zelf van houding te veranderen en met zijn of haar mate van activiteit. Zorgvragers die zelf in staat zijn om van houding te wisselen, blijken dat vaak al uit zichzelf binnen 4 uur te doen .
Techniek van wisselhouding
Bij het veranderen van houding dien je als zorgverlener te beoordelen op welke punten de druk oploopt als de zorgvrager hierop ligt of zit, en of de druk op die plaatsen door de houdingsverandering vermindert als de zorgvrager hierop ligt of zit. Uit de (huid)beoordeling moet blijken welke punten relevant zijn. Dit zijn vooral de plaatsen die rood zijn verkleurd, nadat de zorgvrager hier op heeft gelegen of gezeten. Meestal is dit op plaatsen waar botuitsteeksels door de huid goed voelbaar zijn, bijvoorbeeld ter hoogte van de zitbotjes, de stuit of de hielen. Als er sprake is van niet-wegdrukbare roodheid moet voorkomen worden dat de zorgvrager een volgende keer op deze botuitsteeksels wordt geplaatst. Bij houdingsverandering van de zorgvrager in bed (wisselligging) kan het volgende schema worden aangehouden: ’30 graden rechterzij, semi-Fowler-houding, 30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, …’ (zie figuur 4.1 en 4.2). Buikligging kan aan dit schema worden toegevoegd als de zorgvrager dit zelf een prettig alternatief vindt of als dit gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden (bijv. op de IC). Wees er als zorgverlener alert op dat buikligging op een veilige manier wordt ingezet.
Onderzoeken laten zien dat er bij de 30 graden zijligging minder druk is tussen de zorgvrager en het contactoppervlak dan bij 90 graden zijligging . Volgens één studie ontwikkelen zorgvragers in de 30 graden zijligging minder vaak decubitus dan zorgvragers in de 90 graden zijligging . Het wordt daarom aangeraden om de 90 graden zijligging niet toe te passen voor de preventie van decubitus. Voor een half zittende houding wordt de semi-Fowler-houding (figuur 4.2) aanbevolen. Hierbij zijn de voetensteun en de hoofdsteun beide geplaatst in een hoek van maximaal 30 graden. Aanwijzingen dat de semi-Fowler houding gunstig is, komen met name uit indirect onderzoek waaruit blijkt dat druk op de stuit toeneemt als het hoofdeinde van het bed steiler staat dan 30 graden . Hoe hoger (steiler) het hoofdeinde, hoe hoger de druk op het stuitje en de trochanter (heup of dijbeen) . Een achteroverleunende of onderuitgezakte houding moet ook vermeden worden, omdat dit gewichtsbelasting en schuifkracht op de stuit veroorzaakt. Hierbij kan de (been)lengte van de zorgvrager een rol spelen: bij bepaalde lengteverhoudingen tussen benen en romp van een zorgvrager kan de zorgvrager onderuitzakken en dan ontstaat er juist druk bij het sacrum.

Het inzetten van hulpmiddelen bij houdingsveranderingen lijkt de kans op decubitus te verkleinen. Het gebruik van een glijlaken leidt tot minder decubitus vergeleken met standaard draaitechnieken . De incidentie van decubitus is 5% tot 7% lager in instellingen waar hulpmiddelen worden gebruikt bij houdingsverandering .
Zorgvragers op de intensive care kunnen respiratoir, hemodynamisch of neurologisch instabiel zijn. Dit hoeft niet altijd een belemmering te zijn voor een regulier wisselhoudingsschema . Indien nodig kun je vaker een kleinere houdingsveranderingen bij de zorgvrager uitvoeren. Hoewel nog onduidelijk is in hoeverre dit effectief is, kunnen kleine verschuivingen leiden tot een andere drukverdeling en verbeteringen in bloeddoorstroming .
Wisselhouding bij de zittende persoon
Langere tijd in dezelfde houding zitten kan decubitus veroorzaken. Zorgvragers die in sessies van minder dan twee uur mochten zitten, ontwikkelden veel minder decubitus dan zorgvragers die onbeperkt in een stoel zaten (resp. 7% en 63%) . Een zorgvrager met risico op decubitus die op een stoel zit, dient zoveel mogelijk te steunen op de bovenbenen (zie figuur 4.3). Dit voorkomt dat het lichaam naar voren glijdt. Als de voeten niet op de vloer kunnen steunen, dient een voetenbankje te worden gebruikt waar de voeten op kunnen steunen. Het bekken is licht naar voren gekanteld en de bovenbenen moeten iets omhoog wijzen. Daardoor wordt het gewicht van het bovenlichaam naar de achterkant van de bovenbenen verplaatst. Indirect zijn er aanwijzingen dat je onderuit glijden in de stoel – en daarmee hogere druk – kunt voorkomen door de voeten te ondersteunen . Een andere geschikte zittende houding voor zorgvragers is in de gekantelde stoel (figuur 4.4). Hierbij moeten de dijen iets lager zijn geplaatst dan de voeten, waardoor het bekken licht naar voren kantelt. De voeten moeten niet te hoog liggen (dat veroorzaakt druk) en ook niet te laag (dat veroorzaakt schuiven), maar precies op voldoende hoogte om de druk maximaal over de volledige dijen te verdelen .

Conclusies uit de kennis
Houdingsverandering is de basis voor preventie van decubitus doordat dit de druk op de huid en onderliggende weefsels verlaagt. In een wisselhoudingsschema moet beschreven zijn dat zorgvragers minimaal elke 4 uur van houding wisselen (afhankelijk van persoonskenmerken, behandeldoelen en de onderlaag). Het aanbevolen schema is 30 graden rechterzij, semi-Fowler-houding, 30 graden linkerzij, semi Fowler-houding, 30 graden rechterzij, … etc. De 90 graden zijligging en halfzittende houdingen moeten beperkt worden. Als een zorgvrager zit, kan dit het beste met beide voeten volledig op een ondergrond met de knieën in een hoek van 90 graden voor optimale ondersteuning.
Overwegingen
De werkgroep ziet houdingsverandering als het belangrijkste onderdeel van preventie van decubitus. Eén van de prioriteiten van de werkgroep is om met zo min mogelijk aanbevelingen relevante handvatten te geven aan zorgverleners. Daarom willen we voorkomen dat in deze richtlijn aanbevelingen worden opgenomen die verpleegkundigen en verzorgenden als vanzelfsprekend beschouwen. Hierbij werd telkens de vraag ‘Wat is de essentie van preventie? Het verminderen van druk en schuifkrachten!’ in het achterhoofd gehouden. Door deze werkwijze is het aantal aanbevelingen sterk verminderd ten opzichte van de internationale richtlijn Decubitus (2019) en de huidige V&VN-richtlijn Decubitus (2011).
Voor de frequentie van houdingsverandering is gekozen voor 4 uur. Hiermee sluit de werkgroep aan bij bevindingen in de literatuur dat dit in de praktijk het meest haalbaar en effectief is voor alle doelgroepen. Het is echter belangrijk en ook mogelijk om het schema voor wisselhouding aan te passen aan de wensen, mogelijkheden en behandeldoelen van de zorgvrager.
Bij de techniek van wisselhouding wordt de afwisseling van de 30 graden zijligging en semi-Fowler-houding aanbevolen. Als basis wordt het schema ‘30 graden rechterzij, semi-Fowler-houding, 30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, enz.’ aanbevolen. Indien het voor zorgvrager en zorgverlener mogelijk is, kan het volgende schema worden overwogen: ’30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, 30 graden linkerzij, semi-Fowler-houding, 30 graden rechterzij, enz…’. Dit is een intensiever schema voor de zorgverlener, maar geeft het weefsel wel meer hersteltijd, met name bij het sacrum. Als aanvulling wordt specifiek aanbevolen om de 90 graden zijligging te beperken, hoewel in de praktijk blijkt dat dit niet altijd vermeden kan worden. Dit is geen goede houding om decubitus te voorkomen, omdat deze houding veel druk op risicoplekken oplevert. De semi-Fowler-houding wordt aanbevolen als halfzittende houding bij zorgvragers die voornamelijk op de rug liggen. Werkgroepleden signaleren dat deze houding in de praktijk niet altijd op de juiste manier wordt uitgevoerd, waardoor de zorgvrager onderuitzakt. Het hoofdeinde moet nooit eerder omhoog worden gezet dan het voeteneinde.
Bij de inzet van medische hulpmiddelen (aanbeveling 4.10) dienen zorgverleners alert te zijn op de kans dat het verkeerd gebruik van een hulpmiddel zoals een tillift juist een risicofactor voor het ontstaan van decubitus kan zijn. Het is van groot belang dat hulpmiddelen op de juiste wijze worden ingezet en dit mag alleen gebeuren door zorgverleners die hiertoe bekwaam zijn. Hierbij hoort ook het verwijderen van het transferhulpmiddel (bijv. glijzeil of glijrol) na het gebruik.
Uit het literatuuronderzoek blijkt dat er geen duidelijk bewijs is voor de effectiviteit van kleine houdingsveranderingen bij zorgvragers op de IC. Indirect bewijs laat echter zien dat er wel een effect op druk en bloeddoorstroming is. Daarom vindt de werkgroep het toch relevant om dit aan te bevelen. Decubitus is een groot probleem bij zorgvragers op de IC en de kans dat deze kleine houdingsveranderingen helpen bij de preventie van decubitus, moet benut worden. Dit kan bovendien breder worden getrokken en geldt voor alle zorgvragers die geen grote houdingsveranderingen aankunnen.
De internationale richtlijn Decubitus (2019) adviseert om de zorgvrager tijdens een operatie zodanig te positioneren dat de druk het beste verdeeld wordt en dat botuitsteeksels geen (overbodige) druk geven. De werkgroep vindt het niet haar taak om aanbevelingen te doen over de positie van zorgvragers tijdens een operatie, omdat deze positie van meerdere factoren afhankelijk is; met name de noodzakelijke positie voor de uit te voeren operatie. Zorgverleners die werkzaam zijn op de operatiekamer dienen zich bewust te zijn van het verhoogde risico op decubitus van zorgvragers tijdens een operatie en tijdens de operatie alle specifieke beschikbare drukverlagende middelen in te zetten om het risico op decubitus te verminderen.
Bovendien beveelt de werkgroep aan om de zorgvrager in ieder geval voor en na de operatie in een andere houding te positioneren dan tijdens de operatie.
Zithouding wordt sterk afgeraden als decubitus (bijvoorbeeld herkenbaar als niet-wegdrukbare roodheid) reeds op de zitknobbels aanwezig is. Als staan en lopen niet mogelijk is, is bedrust het enige alternatief. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als decubitus op de zitknobbels ontstaat bij zorgvragers met een dwarslaesie, spierziekte of spina bifida. Hoe lang een zorgvrager kan zitten, is afhankelijk van vele factoren en daarom kunnen we de aanbevelingen voor wisselhouding bij de zittende zorgvrager niet verder concretiseren. Factoren zoals de mate van mobiliteit, de eventuele vereiste hulp daarbij en alternatieven spelen een rol. Een oudere, verzwakte zorgvrager kan eventueel met hulp regelmatig een klein stukje wandelen. Een zorgvrager met een dwarslaesie kan zich bijvoorbeeld aanwennen om regelmatig in de rolstoel van houding te veranderen, bijvoorbeeld door voorover te buigen en van de ene bil op de andere bil te gaan zitten. Ook de behandeldoelen en de kenmerken van drukverlagende zitkussens zijn van invloed. Het is belangrijk te beseffen dat verandering van houding alleen zinvol is als een persoon daadwerkelijk een andere houding aanneemt (met ontlasting van drukpunten). Kantelen van de stoel kan bijvoorbeeld voor verlichting zorgen, maar hierbij blijft de zwaartekracht nog altijd op dezelfde punten van het lichaam inwerken als voor de kanteling.
Het verminderen van druk- en schuifkracten – Drukverlagende middelen
Aanleiding en doel
Er zijn diverse drukverlagende hulpmiddelen en technieken die voor de preventie van decubitus kunnen worden ingezet als aanvulling op de houdingsveranderingen. In deze paragraaf staan aanbevelingen wanneer en hoe deze hulpmiddelen en technieken worden ingezet. Voor advies en begeleiding bij de inzet van materialen kan de fysiotherapeut en/of ergotherapeut worden geconsulteerd.
Aanbevelingen
Signaleer waar sprake is of kan zijn van druk- en schuifkrachten en beperk deze zoveel mogelijk.
Ga ook na de inzet van een drukverlagend matras of kussen door met wisselhouding.
Ondersteuning door gebruik te maken van materialen
Selecteer een drukverlagend matras dat aan de behoeften van de zorgvrager voldoet, rekening houdend met de volgende factoren:
- niveau van immobiliteit en inactiviteit van de zorgvrager;
- effecten van de houding van de zorgvrager en vervorming van het materiaal op de drukverdeling;
- behoefte aan regulering van warmte en transpiratie en wegglijden van de zorgvrager;
- lengte en gewicht van de zorgvrager;
- aantal, ernst en locatie van bestaande decubituswonden.
Selecteer eventueel een ander matras als één van de hierboven beschreven kenmerken verandert.
Zet een drukverlagend luchtmatras in als frequente houdingsverandering niet mogelijk is.
Gebruik extra steunvlakken (bijv. gezichtskussens) om in buikligging drukpunten op het gezicht en lichaam te ontlasten.
Gebruik in (rol)stoelen een drukverlagend zitkussen.
Selecteer een zitkussen en bijhorende materialen voor houding en drukverdeling dat aan de behoeften van de zorgvrager voldoet, rekening houdend met:
- niveau van immobiliteit en inactiviteit van de zorgvrager;
- effecten van de houding van de zorgvrager en vervorming van het materiaal op de drukverdeling;
- lengte en gewicht van de zorgvrager;
- aantal, ernst en locatie van bestaande decubituswonden.
Vermijd of beperk overbodige lagen onder de patiënt, zoals linnengoed, positioneringsmateriaal, celstofmatjes, incontinentiemateriaal, kleding en beddengoed.
Vermijd het gebruik van ring- en donutvormige hulpmiddelen en hulpmiddelen met zelf aangebrachte uitsparingen.
Overweeg de inzet van (Australische) medische schapenvachten, maar gebruik geen synthetische schapenvachten.
Overweeg om een meerlaags schuimverband aan te brengen op botuitsteeksels (bijv. hielen, sacrum) en continueer de andere preventieve maatregelen.
Leg zorgvragers met hoog risico op (verergering) van decubitus zowel voor, tijdens als direct na de operatie op een drukverlagend matras.
Voorkomen van decubitus op de hielen
Gebruik bij het vrij leggen van de hielen een (antidecubitus-hiel)kussen/hielbeschermer waarmee de druk over de kuit verdeeld wordt, zonder dat er druk ontstaat op de achillespees. De knie moet licht gebogen zijn door het bovenbeen te ondersteunen.
Het voorkomen van decubitus bij het gebruik van medische hulpmiddelen
Positioneer medische hulpmiddelen (zoals katheters, sondes en infusen) zodanig dat deze geen druk op het lichaam uitoefenen en gebruik eventueel schuimverband of hydrocolloïd verband.
Samenvatting van de kennis
De belangrijkste hulpmiddelen om druk te verlagen, zijn drukverlagende onderlagen, zoals matrassen en kussens. Deze voorkomen beschadiging van huid en weefsel, voorkomen weefselvorming en zorgen dat bedreigde weefsels beter worden doorbloed. Het gebruik van deze hulpmiddelen alléén kan decubitus niet voorkomen of genezen, maar het draagt wel bij aan uitstel of verlichting. Zij worden ingezet als een aanvullende maatregel op de wisselschema’s voor houdingsverandering zoals hierboven beschreven.
Ondersteuning door gebruik te maken van materialen
Een drukverlagend matras verlaagt het risico op het ontstaan van decubitus in vergelijking met een standaard ziekenhuismatras . Bij de keuze voor een drukverlagend matras is het belangrijk om rekening te houden met de behoeften van de zorgvrager. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met de lengte en het gewicht van de zorgvrager, om ervoor te zorgen dat houdingsveranderingen mogelijk blijven. Zorgvragers met overgewicht of obesitas zullen bijvoorbeeld vaker een aangepast bed (en matras) nodig hebben . Tabel 4.1 geeft een overzicht van een aantal veelgebruikte drukverlagende matrassen met de belangrijkste kenmerken. Indien houdingsverandering bij een zorgvrager niet mogelijk is, wordt volgens de internationale richtlijn Decubitus de inzet van een dynamisch luchtmatras aanbevolen (alternerend, low air-loss, of air-fluidized matras). Uit onderzoek blijkt dat decubitus op een alternerend matras minder vaak voorkomt dan op een standaard ziekenhuismatras . Onderzoek uit 2019 laat echter zien dat statische luchtmatrassen (kosten)effectiever kunnen zijn dan alternerende matrassen .
Tabel 4.1: Overzicht van meest voorkomende antidecubitusmatrassen en hun kenmerken

Langdurig zitten kan bij zorgvragers met risico op decubitus resulteren in het ontwikkelen van decubitus. Wanneer iemand zit, wordt het lichaamsgewicht immers verdeeld over een relatief klein oppervlak (stuit, zitbeenknobbels, achterzijde van de bovenbenen en voeten) en dat leidt tot een hogere druk op de contactvlakken. Bovendien is een zorgvrager in zittende houding beperkter in de mogelijkheid om het lichaamsgewicht te verplaatsen naar andere anatomische gebieden. Om de drukverdeling te verbeteren, kun je een drukverlagend zitkussen inzetten. Dat leidt tot een significant lagere incidentie van decubitus op de zitbotjes dan bij een standaard schuimkussen . Kijkend naar decubitus op het sacrum, bleek er geen significant verschil tussen deze kussens te zijn. Een andere studie laat wel een significante vermindering van decubitus in het algemeen zien bij het gebruik van een drukverlagend zitkussen.
Wat betreft het gebruik van linnengoed, positioneringsmateriaal, incontinentiemateriaal, celstofmatjes, kleding en beddengoed is de algemene regel om overbodige lagen te voorkomen. Het inzetten van meerdere lagen incontinentiemateriaal en linnen leidt tot significant meer druk op het sacrum dan met een enkel laken . Drie studies laten zien dat medische schapenvachten een gunstig effect hebben op het verlagen van de incidentie van decubitus bij zorgvragers met risico daarop .Het gebruik van medische schapenvachten leidde tot een afname van 40% van categorie I of II decubitus op het sacrum . Het gebruik van medische schapenvachten kan wel leiden tot ongemak (warmte en jeuk) bij de zorgvrager . Verbandmiddelen kunnen afschuiving en wrijving voorkomen en daarom preventief worden ingezet . Uit studies met gezonde proefpersonen blijkt dat tien verschillende merken preventieve verbandmiddelen, gemaakt van diverse soorten materialen, zoals meerlaags schuimverband en hydrocolloïd verband, alle bijdragen aan verlaging van de druk . Inzet van preventief verband kan ook het microklimaat van de huid beïnvloeden . Preventieve verbandmiddelen kunnen erg verschillend zijn, ook in kwaliteit. Het meerlaags schuimverband is het meest onderzocht en laat positieve effecten zien op het voorkomen van decubitus .
Het gebruik van (aanvullende) drukverlagende schuimkussens tijdens de operatie in vergelijking met een standaard operatiematras leidde tot een lagere incidentie van decubitus gerelateerd aan de operatie . Uit de onderzoeken blijkt dat geen van de schuimkussens superieur is.
Het voorkomen van decubitus op de hielen
Na het sacrum zijn de hielen de plaats waar decubitus het vaakst voorkomt (24-35%) of het meest ernstig is . De belangrijkste oorzaak hiervan is dat in rugligging permanent druk op de hielen wordt uitgeoefend, zelfs bij gebruik van een drukverlagende onderlaag. Bovendien is de dikte van het subcutane weefsel bij de hiel minimaal, waardoor druk direct naar het bot wordt verplaatst. Om de hielen te ontlasten, worden deze vrij gelegd met kussens, zonder dat er te veel druk op de achillespees ontstaat. Het vrij leggen van de hielen verlaagt het risico op decubitus, zowel bij het gebruik van gewone schuimkussens als bij het gebruik van een speciaal antidecubitus-hielkussen (hielbeschermer) . Er zijn echter indicaties dat het gebruik van speciaal ontwikkelde hielbeschermers tot minder hieldecubitus leidt dan het gebruik van gewone schuimkussens .
Het voorkomen van decubitus bij het gebruik van medische hulpmiddelen
Decubitus kan ook ontstaan bij het gebruik van medische hulpmiddelen (bijv. katheters, infusen of beugels) en leidt vaak tot wonden die in patroon of vorm overeenkomen met het hulpmiddel . Uit een omvangrijke prevalentiestudie (n=104.266) bleek dat bijna 20% van de gevallen van decubitus gerelateerd was aan een medisch hulpmiddel .
Om dit te voorkomen, dient de huid regelmatig te worden geïnspecteerd. Daarnaast dienen medische hulpmiddelen regelmatig op een andere plaats op of aan te lichaam te worden aangebracht om voortdurende druk- en schuifkracht te voorkomen . Verder kun je de plaats waar het medisch hulpmiddel wordt bevestigd, beschermen door een beschermend verband (schuim- of hydrocolloïd) aan te brengen .
Conclusies uit de kennis
Voor vermindering van druk- en schuifkrachten worden materialen ingezet als aanvulling op houdingsverandering. Het is moeilijk om op basis van de onderzoeken conclusies te trekken over de effectiviteit van specifieke typen matrassen en kussens, omdat individuele factoren en de context altijd een rol spelen. Op basis van het huidige onderzoek kan daarom geen specifiek matras of kussen worden aanbevolen. Om de huid bij botuitsteeksels te beschermen, kan meerlaags schuimverband worden gebruikt. De inzet van materialen moet worden aangepast aan de behoeften en kenmerken van de zorgvrager. Als houdingsverandering bij een zorgvrager niet mogelijk is, heeft een dynamisch matras de voorkeur boven een basismatras. Er wordt een hielbeschermer geadviseerd om decubitus op de hielen te voorkomen.
Overwegingen
Net als bij het onderdeel over houdingsverandering zijn in deze richtlijn veel minder aanbevelingen opgenomen met betrekking tot drukverlagende maatregelen dan in de internationale richtlijn Decubitus (2019) en de V&VN-richtlijn Decubitus (2011). Bij elke aanbeveling gaat het de werkgroep om het vermijden van druk- en schuifkrachten. Drukverlagende hulpmiddelen, zoals matrassen, zijn hierbij een hulpmiddel. De werkgroep benadrukt dat deze hulpmiddelen aanvullend zijn op wisselhoudingsschema’s en dat je met die wisselschema’s moet doorgaan. De houdingsveranderingen zijn verreweg het belangrijkst om decubitus te voorkomen.
In aanbeveling 4.17 worden factoren genoemd om rekening mee te houden bij de inzet van een speciaal matras. De keuze van een matras is volgens de werkgroep afhankelijk van diverse factoren en hiervoor kan geen eenduidige aanbeveling worden gedaan. Daarom geeft de werkgroep geen advies voor een specifiek matras of merk. Van zorgverleners wordt verwacht dat zij kennis hebben van matrassen, en waar deze ontbreekt een deskundige (bijv. ergotherapeut/fysiotherapeut) inschakelen. Bij elke zorgvrager dient nauwkeurig te worden geobserveerd hoe deze op het hulpmiddel reageert. Uiteindelijk kun je pas beoordelen of een hulpmiddel bij de behoeften van de zorgvrager aansluit, als het daadwerkelijk in gebruik is. Als er factoren veranderen, moet je de keuze voor een speciaal matras heroverwegen. In buikligging ontstaat druk aan de voorzijde van het lichaam (aanbeveling 4.20). Dan kan decubitus op ongebruikelijke plaatsen ontstaan: in het gezicht, op de borst, aan de geslachtsdelen, op de knieën en op de wreven van de voeten. Als je een zorgvrager in buikligging positioneert, realiseer je dan dat ook aan de voorzijde van het lichaam decubitus kan ontstaan en gebruik drukverlagende onderlagen en kussen(s) om decubitus op deze ongewone plaatsen te voorkomen.
In zittende houding in de (rol)stoel) kan decubitus in korte tijd ontstaan. Hoewel de geadviseerde maximale tijd van 4 uur blijft staan, is alertheid geboden. Daarom is bij zorgvragers met risico op decubitus in zittende houding altijd een drukverlagend zitkussen nodig. De werkgroep vindt het belangrijk dat deze aanbeveling geldt voor alle (rol)stoelen, hoewel zij zich ervan bewust is dat dit niet altijd haalbaar is. Toch is het belangrijk deze aanbeveling sterk te overwegen, aangezien decubitus bij zitten in relatief korte tijd kan ontstaan. Ook bij het kiezen van een zitkussen moet je als zorgverlener rekening houden met de behoeften en mogelijkheden van de zorgvrager, zoals beschreven in aanbeveling 4.22. In sommige gevallen kunnen drukverlagende maatregelen leiden tot verminderde mobiliteit. In dat geval zullen met de zorgvrager en andere leden van het behandelteam prioriteiten moeten worden gesteld in een afgewogen zorgplan. Indien een preventieve maatregel om uitzonderlijke reden niet – of maar gedeeltelijk – kan worden toegepast, moet dit goed gemotiveerd in het dossier van de zorgvrager worden vastgelegd.
Het aantal lagen (linnengoed, positioneringsmateriaal, etc.) moet zoveel mogelijk beperkt worden omdat overtollige lagen een ingezet hulpmiddel minder effectief maken. De werking van ‘low-air-loss-’ en ‘air fluidized’-matrassen zijn bijvoorbeeld sterk afhankelijk van luchtstromingen in het matras en tussen het lichaam en het matras. Daarom is het belangrijk op te passen dat overtollig beddengoed, onderleggers en incontinentiematerialen deze luchtstroom niet belemmeren. Bovendien kunnen deze materialen ongewenst warmte en vocht op de huid vasthouden, en dat maakt de huid gevoeliger voor decubitus. Als incontinentiematerialen nodig zijn, plaats deze dan losjes tegen de huid.
Ring- of donutvormige hulpmiddelen, synthetische schapenvachten en zelf-aangebrachte uitsparingen in hulpmiddelen moeten worden vermeden. Er is geen wetenschappelijke of theoretische onderbouwing voor hulpmiddelen met deze afwijkende vormen. Toch worden ze in de praktijk nog veelvuldig gebruikt. De werking kan echter juist averechts zijn, doordat ze druk op andere plaatsen opleveren (en daardoor bijvoorbeeld beschadiging van de achillespees). De inzet van een medische schapenvacht (geen synthetische schapenvachten!) kan worden overwogen. Gezien de mogelijke nadelen (warmte, jeuk, kosten) is het echter belangrijk dit goed te overleggen met de zorgvrager. In de afgelopen jaren is er groeiend aantal aanwijzingen dat het gebruik van meerlaags schuimverband op botuitsteeksels het ontstaan van decubitus tegengaat. De werkgroep wil echter ook waarschuwen voor mogelijke negatieve neveneffecten van deze aanbeveling in de alledaagse praktijk. Het gebruik van een verband kan namelijk leiden tot minder huidbeoordeling en minder alertheid bij zorgverleners. Bovendien is de huid door het verband aan het zicht onttrokken, waardoor een bedreigde huid ook niet toevallig wordt opgemerkt. Daarnaast blijkt in de praktijk dat dergelijke producten regelmatig opkrullen en daardoor juist huidletsel veroorzaken. De zorgverlener moet de optie van het gebruik van meerlaags schuimverband bij de preventie van decubitus zeker overwegen, maar wel met inachtneming van deze kanttekeningen.
Bij operaties geldt dat zorgvragers met een hoog risico op decubitus zowel voor, tijdens als na de operatie op een drukverlagend matras dienen te liggen. Op de operatiekamer kan hiervan overigens worden afgeweken, afhankelijk van de situatie van de individuele zorgvrager, een patiëntengroep of het type operatie.
De druk op de hielen dient te worden opgeheven met kussens en bij voorkeur met een speciale hielbeschermer (aanbeveling 4.28). Aangezien hielbeschermers bij zorgvragers vaak langdurig in gebruik zijn, verwisseld worden en kwijtraken, is de aanschaf ervan en het beheer soms buitenproportioneel. De werkgroep is van mening dat het gebruik van kussens een goed alternatief is. De zorgverlener moet wel rekening houden met het valrisico als de zorgvrager, bijvoorbeeld ’s nachts, zelf wil opstaan. Daarnaast is regelmatig (huid)controle nodig, want ook hielbeschermers kunnen decubitus veroorzaken als zij te lang worden gedragen. Rolletjes van linnengoed (molton, handdoek, etc.) om de hiel te beschermen worden afgeraden. Deze geven juist lokale druk ter hoogte van de achillespees, met het risico dat op deze plaats decubitus ontstaat.
Medische hulpmiddelen worden vaak op het lichaam gefixeerd. Daardoor kunnen op die plaats druk- en schuifkrachten ontstaan, met decubitus als gevolg. Voorbeelden van medische hulpmiddelen zijn katheters, sondes, infusen, beugels, helmen en zuurstofbrillen. Deze kunnen dus beter worden gefixeerd op plaatsen waar geen botuitsteeksels voelbaar zijn en worden bevestigd met een techniek die geen druk- en schuifkrachten op het lichaam veroorzaakt. Bij patiënten met risico op decubitus moet de observatie van deze drukplaatsen worden opgenomen bij de frequente controle van de gebruikelijke voorkeursplaatsen van decubitus.
Het verminderen van druk- en schuifkrachten – Mobilisatie
Aanleiding en doel
Vroeg en actief mobiliseren van zorgvragers (zitten, staan, lopen) is belangrijk om druk- en schuifkrachten te voorkomen. Uit de knelpuntenanalyse blijkt dat zorgverleners niet altijd weten welke bewegingsstrategieën wanneer ingezet kunnen worden. Voor advies en begeleiding bij de inzet van bewegingsstrategieën kan de fysiotherapeut en/of ergotherapeut worden geconsulteerd.
Samenvatting van de kennis
Onderzoeken naar programma’s die zich richten op het vroeg mobiliseren van zorgvragers laten verschillende resultaten zien. In twee studies met programma’s gericht op mobiliseren was de afname van in de instelling ontstane decubitus 2-3% . In een studie bij IC-patiënten ontstond er bij de implementatie van een mobilisatie programma juist meer decubitus en een vierde studie toonde geen effecten.
Conclusies uit de kennis
De wetenschappelijke onderbouwing van de positieve effecten van mobilisatie op het ontstaan van decubitus is zwak en studies spreken elkaar tegen. Op basis van de literatuur kan geen aanbeveling voor mobiliseren door verpleegkundigen en verzorgenden worden gedaan voor de preventie van decubitus.
Overwegingen
Hoewel wetenschappelijk onderzoek geen duidelijk positief effect van mobilisatie laat zien, twijfelt de werkgroep niet aan de relevantie ervan. Een onderzoek waarin zelfs een negatief effect werd gevonden, vond plaats bij IC-patiënten. De onderzoekers twijfelen zelf niet aan de interventie (mobilisatie), maar denken wel aan andere tekortkomingen in de studie, zoals onvergelijkbaarheid van de onderzoeksgroepen en onvoldoende compliance met het protocol. Op theoretische gronden kun je aannemen dat mobiliseren (zitten, staan, lopen) leidt tot drukvermindering of drukverplaatsing. Daarom adviseert de werkgroep om zorgvragers met (een hoog risico op) decubitus zo snel mogelijk te (helpen met) mobiliseren. Een bijkomstig voordeel is dat de zorgvrager door middel van mobilisatie zelf meer verantwoordelijkheid kan nemen voor eventuele drukverlaging, wat een lagere werklast betekent voor de zorgverleners. Bij het inzetten van bewegingsstrategieën moet de zorgverlener aandacht besteden aan de opbouw en de duur van de mobilisatie, en daarbij altijd zorgen voor een adequate ondersteuning van de zithouding en voor een geschikte/passende zitvoorziening.
Deze richtlijn doet geen aanbevelingen over technieken van mobiliseren die buiten het competentiegebied van verpleegkundigen en verzorgenden vallen; daarvoor wordt geadviseerd de ergotherapeut en/of fysiotherapeut te consulteren.
Zorg voor de zorgvrager – Huidzorg en inspectie
Aanleiding en doel
Huidzorg bestaat uit het beoordelen en verzorgen van de huid. Veranderingen van de vochtigheid, huiddikte of ontstekingsverschijnselen (roodheid, zwelling, warmte, pijn) van de huid zijn geassocieerd met decubitus. Inspectie van de huid en het onderliggende weefsel is belangrijk omdat huidveranderingen de eerste tekenen van decubitus zijn. Ook draagt het behouden van een vitale en gezonde huid bij aan de preventie van decubitus.
Aanbevelingen
Beoordeling van de huid
Beoordeel de huid regelmatig op risicoplekken, (niet-)wegdrukbare roodheid en huidafwijkingen.
Houd bij elke huidbeoordeling rekening met de volgende factoren: temperatuur, oedeem, veranderingen in weefselconsistentie (in relatie tot het omliggende weefsel), aanwezigheid van vocht en plaatselijke pijn. Wees extra alert op deze factoren bij personen met een donkere huid.
Gebruik een vinger of een glaasje om te beoordelen of er sprake is van (niet-)wegdrukbare roodheid.
Frequentie van beoordeling
Voer bij zorgvragers met risico op decubitus zo snel mogelijk, maar binnen 8 uur, een huidbeoordeling uit.
Inspecteer de huid van zorgvragers met risico op decubitus in ieder geval dagelijks, bij elke verschoning van verband en bij draaien of verplaatsen van de zorgvrager.
Verhoog de frequentie van inspecteren als de algehele toestand verslechtert.
Controleer de huid onder en rondom medische hulpmiddelen tweemaal per dag op tekenen van drukgerelateerde symptomen.
Huidzorg
Houd de huid schoon en droog, gebruik eventueel een vochtinbrengende crème of zalf om de droge huid te hydrateren en het risico op huidbeschadiging te voorkomen.
Gebruik bij het wassen van de zorgvrager een pH-gebalanceerde huidreiniger (pH=5,5).
Gebruik een barrièremiddel ter bescherming van de huid die is blootgesteld aan vocht (bijv. bij incontinentie).
Samenvatting van de kennis
Beoordeling van de huid
Het onderscheid tussen wegdrukbare en niet-wegdrukbare roodheid is belangrijk voor het nemen van de juiste preventieve maatregelen. Plekken met niet-wegdrukbare roodheid (categorie I-decubitus) blijven rood bij toepassing van druk en worden gezien als voorspellers voor decubitus categorie II of hoger . Het onderscheid tussen wegdrukbare roodheid en niet-wegdrukbare roodheid kan op twee manieren worden bepaald: door middel van de vingerdrukmethode of met een drukglaasje. Bij het gebruik van de vingerdrukmethode wordt met de vinger of duim gedurende drie seconden voorzichtig druk uitgeoefend op de rode huidplek. Als de rode huidplek wit wordt, wordt dit geclassificeerd als wegdrukbare roodheid en als dit niet het geval is, is er sprake van niet-wegdrukbare roodheid. Het drukglaasje wordt op een plaats met roodheid geplaatst en door het transparante materiaal kan worden geobserveerd of de huid door druk wit wordt of niet . Drie studies van hoge kwaliteit laten positieve eigenschappen zien van de vingerdrukmethode voor het differentiëren tussen wegdrukbare en niet-wegdrukbare roodheid . Eén studie van lage kwaliteit prefereert het gebruik van de vingerdrukmethode boven het gebruik van een glazen drukschijfje . Bij de beoordeling van de huid dient de zorgverlener tevens op de volgende aanwijzingen voor decubitus te letten.
- Temperatuur: een lage temperatuur in het gebied van huidverkleuring is voorspellend voor decubitus ontwikkeling .
- Oedeem en veranderingen in weefselconsistentie: oedeem en verandering in weefselconsistentie kunnen wijzen op het ontstaan van decubitus (zie etiologie in de inleiding).
- Aanwezigheid van vocht: beschadiging van de huid door vocht is een risicofactor voor decubitus.
- Plaatselijke pijn: pijn wijst op activiteit in of verstoring van huid of onderliggend weefsel (zie etiologie in de inleiding).
Frequentie van beoordeling
Zo snel mogelijk nadat de zorgvrager in zorg is gekomen, dient een eerste uitgebreide huidbeoordeling plaats te vinden, als onderdeel van de risicobeoordeling . Na deze uitgebreide huidbeoordeling dient regelmatige evaluatie plaats te vinden om veranderingen in de toestand (van de huid) vast te stellen.
Huidzorg
Door verzorging en schoonmaken van de huid worden vuil, talg en andere ongewenste substanties verwijderd. De frequentie van schoonmaken wordt afgestemd op de individuele behoefte van de zorgvrager. Let erop dat de huid kan uitdrogen als hij te vaak wordt schoongemaakt . De inzet van een pH gebalanceerde huidreiniger (pH 5,5) leidt tot significant minder decubitus . Ook is aangetoond dat de conditie van de huid intact blijft of herstelt wanneer een reinigingsmiddel met een pH-waarde van 5,5 wordt gebruikt .
Hoewel beschadiging van de huid door vocht geen decubitus is, is deze beschadiging wel een risicofactor voor decubitus. Vocht vergroot de wrijving tussen de huid en het onderliggende oppervlak, waardoor het risico op decubitus door schuifkrachten toeneemt . Er dient een barrièremiddel te worden ingezet om de huid tegen vocht te beschermen. Deze barrièremiddelen (en andere maatregelen om de huid tegen vocht te beschermen) worden beschreven in de richtlijn Smetten en incontinentie-geassocieerde dermatitis .
Conclusies uit de kennis
De huid moet regelmatig worden beoordeeld op risicoplekken, (niet-)wegdrukbare roodheid en huidafwijkingen. Deze huidbeoordeling moet zo snel mogelijk, en binnen 8 uur na opname, worden uitgevoerd en vervolgens minimaal dagelijks. De huid moet worden beschermd tegen uitdroging en te veel vocht.
Overwegingen
Op basis van de literatuur concludeert de werkgroep dat er geen huidverzorgingsmiddelen geadviseerd kunnen worden om decubitus te voorkomen. Dat maakt huidzorg in deze uitgangsvraag als onderdeel van de preventie van decubitus niet minder belangrijk. Een belangrijk onderdeel van huidzorg is de huidbeoordeling. De beoordeling van de huid maakt zorgverleners alert op veranderingen aan de huid. Deze richtlijn biedt handvatten voor de wijze waarop dit moet gebeuren en hoe vaak.
De werkgroep is het eens met de wijze van beoordeling zoals beschreven in de internationale richtlijn Decubitus : de huid moet worden gecontroleerd op risicoplekken, (niet-)wegdrukbare roodheid en huidafwijkingen. Hierbij dient de zorgverlener ook te letten op temperatuur, oedeem, veranderingen in weefselconsistentie, aanwezigheid van vocht en plaatselijke pijn. Met name bij personen met een donkere huid is extra alertheid op deze factoren vereist, omdat roodheid dan minder duidelijk is.
De frequentie van beoordeling hangt af van de setting. De gegeven aanbevelingen zijn immers een richtlijn. In een setting waarin de omstandigheden van de patiënten snel kunnen veranderen, zal de huid vaker beoordeeld moeten worden dan in een setting waarin de omstandigheden doorgaans stabiel zijn of heel langzaam veranderen (langdurige zorg). De werkgroep doet de aanbeveling om de huid bij zorgvragers met risico op decubitus binnen 8 uur na opname de huid te beoordelen. Dit geldt dus voor zorgvragers bij wie reeds een risico op decubitus is vastgesteld. Beoordeling kort na opname is ook van belang om vast te stellen of een eventuele decubitus al of niet in de desbetreffende zorginstelling is ontstaan. Zorgvragers bij wie dit risico nog niet is vastgesteld, dienen zo snel mogelijk op risico te worden beoordeeld, waarbij ook aandacht dient te worden gegeven aan de huid (zoals beschreven in uitgangsvraag 1).
Hoewel er weinig bewijs is voor specifieke huidverzorgingsmaatregelen die decubitus kunnen voorkomen, is de algemeen aanvaarde opinie dat een goed verzorgde huid de kans op decubitus verkleint. Het uitgangspunt voor een goed verzorgde huid is een schone huid met een goede vochtigheidsgraad. Voor het wassen van de huid wordt een pH-gebalanceerde huidreiniger geadviseerd om de huid minder nat en vochtig te laten worden.
Zorg voor de zorgvrager – Voeding
Aanleiding en doel
Voeding speelt een rol bij zowel preventie als behandeling van decubitus. Het doel van dit onderdeel is om zorgverleners handvatten te bieden bij het signaleren van voedingsproblemen die kunnen leiden tot (een risico op) decubitus. Voor advies en begeleiding bij de inzet van voedingsinterventies kan de diëtist worden geconsulteerd.
Aanbevelingen
Screen en beoordeel de voedingstoestand en gewichtsverandering van elke zorgvrager met risico op decubitus op de volgende momenten:
- als de zorgvrager in zorg komt;
- bij verandering in de medische toestand;
- als er geen vooruitgang in de wondgenezing is.
Gebruik bij screening en beoordeling van de voedingstoestand een valide en praktisch instrument, zoals beschreven in de richtlijn Ondervoeding.
Samenvatting van de kennis
Een slechte voedselinname, een slechte voedingstoestand en een laag lichaamsgewicht zijn geassocieerd met de ontwikkeling van decubitus . Een slechte voedingstoestand is een toestand waarin een voedingstekort of een overmaat aan of disbalans in energie, eiwitten en andere voedingsstoffen, meetbare ongewenste effecten veroorzaakt aan het weefsel, de lichaamsstructuur, lichaamsfunctie en klinische uitkomsten. Vroege onderkenning van een slechte voedingstoestand en gewichtsverandering is belangrijk om risicofactoren voor decubitus op te sporen . Bij de screening van de voedingstoestand dient de zorgverlener een valide en praktisch instrument te gebruiken dat zowel de gewichtstoestand en gewichtsveranderingen als voedselinname beoordeelt. Het instrument dient zowel ondergewicht als overgewicht te kunnen beoordelen. Voor het kiezen van een screeningsinstrument wordt verwezen naar de multidisciplinaire richtlijn Ondervoeding .
Conclusies uit de kennis
Het ontstaan van decubitus is gerelateerd aan slechte voedselinname, slechte voedingstoestand en een laag lichaamsgewicht. Zorgverleners dienen op deze punten te screenen als een zorgvrager in zorg komt, bij verandering of wanneer er geen voortuitgang in wondgenezing is.
Overwegingen
Zorgverleners zijn zich bewust van het effect van voeding op de behandeling van decubitus, maar bij preventie wordt dit vaak over het hoofd gezien. Hoewel er geen bewijs is voor een oorzakelijk verband tussen voedingsinterventies en preventie van decubitus, kunnen voedingstoestand en gewicht wel voorspellers zijn voor het ontstaan van decubitus. De werkgroep vindt het daarom van belang dat zorgverleners kennis en aandacht hebben voor het onderdeel (onder)voeding. De rol van verpleegkundigen en verzorgenden bij de detectie van ondervoeding of verstoorde voedselinname is essentieel. Verpleegkundigen en verzorgenden meten de voedingstoestand en het gewicht van de zorgvrager en monitoren veranderingen. Bij de screening van het voedingsrisico dient een valide en praktisch instrument te worden gebruikt, zoals beschreven in de multidisciplinaire richtlijn Ondervoeding . Indien een voedingsrisico wordt vastgesteld, dient de zorgverlener een diëtist te consulteren volgens de verwijzingsafspraken in de betreffende organisatie. De diëtist stelt een zorgplan op voor de behandeling van de ondervoeding of verstoorde voedselinname, (mede) in relatie tot het risico op decubitus.
De behandeling van decubitus
Uitgangsvraag
Welke specifieke (verpleegkundige en verzorgende) interventies worden aanbevolen voor de behandeling van decubitus?
Inleiding
Aanleiding en doel
Decubitus ontstaat wanneer preventieve maatregelen (zoals beschreven in uitgangsvraag 4) niet, niet goed of te laat zijn toegepast. Ook als een decubituswond is vastgesteld, blijft het belangrijk om de preventieve maatregelen uit te voeren. Daarbij moet worden nagegaan wat de oorzaak van de decubituswond is. Daar moeten interventies op ingezet worden.
Voor zorgverleners is het echter onduidelijk welke interventies effectief zijn bij de behandeling van decubitus. Veel behandelinterventies worden toegepast op basis van ervaring en het ontbreken van wetenschappelijke onderbouwing leidt tot discussie. Vooral over de toepassing van verbandmaterialen bestaat onduidelijkheid. Een onderliggende vraag hierbij is in hoeverre een decubituswond anders behandeld moet worden dan andere complexe wonden.
Het doel is om verpleegkundigen en verzorgenden te adviseren welke interventies en maatregelen zij moeten uitvoeren als een zorgvrager decubitus heeft.
Aanbevelingen
Bepaal wat de oorzaak is van de decubitus en intensiveer de preventieve maatregelen bij zorgvragers met decubitus.
Houdingsverandering:
- Pas het wisselhoudingsschema aan.
- Vermijd dat de zorgvrager op de decubituswond zit of ligt. Is dat niet mogelijk, beperk dan de tijd dat de zorgvrager op de decubituswond ligt.
Drukverlagende maatregelen
- Overweeg het gebruik van andere, hoogwaardiger materialen
Wondzorg:
- Gebruik voor de beoordeling van de decubituswond een eenduidig methode die richtinggevend is voor de wondbehandeling, zoals het TIME-model en/of het WCS-model.
Samenvatting van de kennis
De behandeling van de decubituswond is tweeledig. Allereerst worden de preventieve maatregelen geïntensiveerd om de druk- en schuifkrachten op de wond te verminderen. Ten tweede wordt de wond zelf behandeld. Bovendien moet de zorgverlener rekening houden met dat iemand met een decubituswond een groter risico heeft op het ontwikkelen van meer decubituswonden .
Intensiveren van preventieve maatregelen
Studies naar de effectiviteit van (de intensivering van) preventieve maatregelen bij de behandeling van een decubituswond geven geen inzicht in welke maatregelen precies effectief zijn . Op basis van logica en om van de oorzaak weg te nemen (zie etiologie in de inleiding) dienen de preventieve maatregelen geïntensiveerd te worden als de zorgvrager een decubituswond heeft. De kern van deze preventieve maatregelen is het verminderen van druk- en schuifkrachten op de wond. Continue druk op een decubituswond vertraagt de genezing en kan de wond verergeren. Daarom moeten we voorkomen dat de zorgvrager op de decubituswond zit of ligt. Dat kan bijvoorbeeld door het wisselhoudingsschema aan te passen. Als zitten of liggen op de wond niet te vermijden is (bijvoorbeeld als de zorgvrager wonden op verschillende plaatsen heeft), is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de zorgvrager een kortere tijd op de decubituswond zit of ligt.
Bij decubitus categorie I of II kan drukvermindering in veel gevallen worden bereikt door houdingsveranderingen, zoals zijligging bij een decubituswond op de stuit of door de hielen vrij te leggen bij hieldecubitus. Als bij houdingsverandering of ernstige decubituswonden (categorie III/IV) het gewenste effect uitblijft of de decubitus verslechtert, moet worden overwogen om de onderlagen (zoals matrassen of kussens) te vervangen door een hoogwaardiger soort. De internationale richtlijn Decubitus (2019) beveelt aan om de inzet van een hoogwaardigere onderlaag te overwegen in de volgende gevallen:
- als wisselhouding de druk niet van de decubituswond kan wegnemen;
- als er in verschillende houdingen op twee of meer plaatsen decubituswonden aanwezig zijn (bijvoorbeeld op het stuitje en de zitbotjes);
- als de decubituswond niet verbetert;
- als de zorgvrager een operatie met huid- of spierlappen of een huidtransplantatie heeft ondergaan;
- als de zorgvrager niet comfortabel ligt of zit;
- als de zorgvrager zo ver door de onderlaag zakt dat het lichaam de bodem raakt.
De zorgverlener dient te controleren of de interventies effectief zijn en of de decubituswond geneest. Bij zorgvragers met een decubituswond moet de huid vaker worden beoordeeld. Beoordeel de huid bij elke houdingswisseling.
Behandeling van de decubituswond
Om te bepalen hoe een decubituswond lokaal moet worden behandeld, is het aan te raden dat de zorgverlener de wond beoordeelt met het WCS-model of het TIME-model. Het WCS-model (figuur 5.1) is ontwikkeld door de Zweedse dermatoloog Lars Hellgren in samenwerking met het Nederlands Kenniscentrum Wondzorg. Het is een betrouwbaar en accuraat meetinstrument om de kleur (zwart, geel en/of rood) van de wond te kunnen vaststellen en wordt wereldwijd toegepast . Het TIME-model (tabel 5.1 ) is een gedetailleerder model dat met name bij complexe wonden wordt toegepast . Het TIME-model beschrijft de wond op basis van vier lokale verstorende kenmerken: weefsel, infectie, vochtigheid en wondranden (Tissue, Infection, Moisture, Edge).
Figuur 5.1: WCS Classificatiemodel

Tabel 5.1: Beschrijving TIME-model

Conclusies uit de kennis
Het intensiveren van de preventieve maatregelen en de behandeling van de decubituswond zijn de twee belangrijke interventies na ontstaan van een decubituswond. Het intensiveren van de preventieve maatregelen (houdingsverandering en drukverlagende maatregelen) is gericht op het verminderen van druk- en schuifkrachten. Maak voor de behandeling van de decubituswond gebruik van het WCS- en/of TIME-model en van behandelmaatregelen voor complexe wonden.
Overwegingen
De werkgroep stelt vast dat de behandeling van decubitus, rekening houdend met risicofactoren (zie etiologie in de inleiding), bestaat uit twee onderdelen: 1) het intensiveren van de preventieve maatregelen en 2) lokale behandeling van de decubituswond.
Voor het intensiveren van de preventieve maatregelen moet het individuele zorgplan worden geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Mogelijke aanpassingen zijn: frequentere houdingsveranderingen, hoogwaardigere materialen voor drukverlaging, voedingsinterventies en frequenter beoordelen van de huid zodat verandering van de wond en decubitus op andere plaatsen tijdig worden opgemerkt.
De behandeling van een decubituswond houdt meer in dan lokale wondbehandeling, omdat de druk- en schuifkrachten een negatief effect hebben op de wondgenezing. De volgende andere aspecten zijn belangrijk bij de behandeling van een decubituswond: leefstijl (stoppen met roken, gevarieerde voeding en extra eiwitten bij wonden met exsudaat), zelfmanagement (zie aanbeveling 6 Zelfmanagement) en aanvullende diagnostiek met verwijzing naar een expertteam bij uitblijven van gewenste effecten. In deze fase moeten verpleegkundigen en verzorgenden de samenwerking zoeken met andere disciplines.
- Schakel de ergotherapeut in voor het geven van advies over de inzet van houdingsverandering en de inzet van aanvullende materialen (o.a. matrassen en kussens).
- Schakel de fysiotherapeut in voor het geven van advies over de inzet van houdingsverandering en de inzet van bewegingsstrategieën.
- Schakel de diëtist in voor het adviseren van voedingsinterventies, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan screening, ondervoeding en mogelijke andere problemen die gerelateerd kunnen zijn aan de voeding. Voor meer informatie over screening en beoordeling van de voedingstoestand wordt verwezen naar de richtlijn Ondervoeding .
De werkgroep concludeert dat de lokale behandeling van de decubituswond gelijk is aan de behandeling van complexe wonden die niet worden veroorzaakt door druk- en schuifkrachten. Voor de lokale wondbehandeling van decubitus gelden dan ook de algemene aanbevelingen die van toepassing zijn voor alle complexe wonden. Een belangrijk onderdeel van de wondbehandeling is het hanteerbaar houden van (wondgerelateerde) pijn. Zie voor de behandeling van pijn de multidisciplinaire richtlijn Pijn van Verenso en de richtlijn Wondzorg (hoofdstuk Pijnbestrijding) . De werkgroep merkt op dat er in Nederland geen richtlijn is die de lokale behandeling van de complexe wond beschrijft. Daarom verwijst de werkgroep naar het standaardwerk Het WCS-wondenboek , waar vrijwel alle Nederlandse richtlijnen naar refereren. De werkgroep adviseert het gebruik van het WCS- en/of het TIME-model voor alle verpleegkundigen en verzorgenden. Het WCS-model is eenvoudiger en het TIME-model is complexer in gebruik. TIME is daarom meer geschikt voor gespecialiseerde wondverpleegkundigen en verpleegkundig specialisten.
Zelfmanagementondersteuning
Uitgangsvraag
Hoe kunnen zorgvragers met (risico op) decubitus het beste worden ondersteund bij het zelf managen van de preventie en behandeling van decubitus?
Inleiding
Aanleiding en doel
Zelfmanagement is het vermogen van mensen om hun ziekte of aandoening – in deze kwaliteitstandaard (het risico op) decubitus – optimaal te kunnen inpassen in hun leven. Dit betekent dat zij kunnen omgaan met de symptomen, de behandeling, lichamelijke en sociale gevolgen van (het risico op) decubitus en met de benodigde leefstijlveranderingen . Een hoge mate van zelfmanagement heeft een groot voordeel omdat zorgvragers zich dan meer verantwoordelijk voelen voor de resultaten van hun eigen preventie . Zorgvragers hebben echter vaak ondersteuning nodig om hun decubituszorg op een adequate manier zelf te managen. Verpleegkundigen en verzorgenden zijn de aangewezen persoon om deze zelfmanagementondersteuning te bieden. Dit kan door het geven van informatie, met motiverende gesprekstechnieken of door te helpen met het stellen van doelen. Zorgverleners en zorgvragers zijn het erover eens dat zelfmanagement relevant is. In de knelpuntenanalyse gaven zorgverleners aan dat in de zorg voor decubitus onvoldoende rekening gehouden wordt met de potentiële vermogens van de zorgvrager om de decubituszorg zelf te managen. Er wordt bijvoorbeeld onvoldoende informatie aan zorgvragers verstrekt om hun eigen regie in de zorg voor decubitus te vergroten. Zorgverleners vinden dat ze te weinig instrumenten hebben om het vermogen tot zelfmanagement systematisch te diagnosticeren en te evalueren, en ook te weinig technieken om dit vermogen positief te beïnvloeden. Zorgvragers geven aan dat zij behoefte hebben aan meer en beter toegankelijke informatie. Tevens vinden ze dat zorgverleners te weinig rekening houden met het dagelijks leven van de zorgvragers.
Het doel van deze uitgangsvraag is om verpleegkundigen en verzorgenden bij het ondersteunen van zorgvragers met (risico op) decubitus handvatten te bieden om zorgvragers zelf de preventie of behandeling van decubitus te laten managen. Dit kunnen zowel interventies door verpleegkundigen zijn, gericht op het verhogen van zelfmanagement bij zorgvragers (bijv. motivational interviewing), als interventies ontwikkeld voor zorgvragers, waarnaar verpleegkundigen en verzorgenden kunnen verwijzen.
Aanbevelingen
Bepaal de behoefte aan zelfmanagementondersteuning bij de zorgvrager en stem het type en de mate van ondersteuning af op de individuele persoon, de fase van het ziekteproces en de setting.
Begeleid de zorgvrager in zelfmanagement door coachende gesprekken, met behulp van bijvoorbeeld gezamenlijke besluitvorming, doelen stellen of motiverende gespreksvoering.
Geef zorgvragers met (risico op) decubitus informatie over risicofactoren, preventie en behandeling.
Benader ondersteuning van zelfmanagement als een continu proces, waarin regelmatige herhaling nodig is.
Samenvatting van de kennis
Uit een literatuursearch naar dit onderwerp zijn 15 studies geselecteerd. Deze gaan over diverse typen interventies en vormen van ondersteuning bij zelfmanagement voor zorgvragers met (risico op) op decubitus. De geïncludeerde studies hebben de volgende designs: drie (systematische) literatuurreviews, acht gerandomiseerde gecontroleerde studies en vier pretest-posttest-onderzoeken. De drie literatuurreviews laten hoopvolle resultaten zien, maar geven geen uitsluitsel over de effectiviteit van zelfmanagementinterventies . De review van Cogan en collega’s (2017) concludeert dat er geen positief bewijs is voor gedrags- of educatieve interventies gericht op het voorkomen van decubitus . Tung en collega’s (2015) zagen wel een positief kortetermijneffect van educatie op kennis . Ook de review van Baron en collega’s (2018) is positief over het effect op kennis en op het toepassen van drukverlaging, maar minder enthousiast over het daadwerkelijk voorkomen van decubitus . Voor alle reviews geldt dat de kwaliteit van de geïncludeerde studies laag is en dat het risico op bias vaak niet te bepalen is. Zowel de interventies als de uitkomstmaten en de robuustheid van de geïncludeerde studies zijn zeer heterogeen.
De gevonden overige literatuur is gegroepeerd naar drie typen interventies: educatie (informatievoorziening), coaching (bijv. doelen stellen en motiverende gespreksvoering) en een combinatie van beide. De interventies die zich enkel richtten op educatie (n=5) , hebben een positief effect op kennis van zorgvragers over preventie en behandeling van decubitus. De hoofdfocus in de artikelen is preventie, en alle geïncludeerde zorgvragers hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van decubitus. De informatie wordt op diverse manieren gegeven: via e-learning, op papier of mondeling tijdens een groepsbijeenkomst.
Twee studies richtten zich op alleen coaching bij zorgvragers met een decubituswond. Arora en collega’s (2017) deelden aan alle deelnemers aan de studie een folder uit met informatie over omgaan met decubitus. Aanvullend was er gedurende 12 weken wekelijks telefonisch contact met de deelnemers in de interventiegroep, waarbij gefocust werd op het bekrachtigen van zelfhulpstrategieën (bijv. doelen stellen). De interventie liet geen effect zien op de primaire uitkomstmaat (grootte van de wond), maar wel op secundaire uitkomstmaten zoals het risico op decubitus, de ernst van de decubitus en het vertrouwen in zelfmanagement . Een andere interventie gericht op zelfmanagement en behandeling van decubitus, werd door zorgverleners uitgevoerd bij zorgvragers met een ernstige vorm van decubitus. Er werden zeven online groepsbijeenkomsten georganiseerd, gericht op onder andere probleem oplossen, zelfmonitoring en omgaan met stress. Aanvullend werd in acht individuele telefoongesprekken motiverende gespreksvoering toegepast. Deze studie liet geen significante effecten door de interventie zien. Bij ernstige decubitus lijkt de gedragsinterventie dus geen effect meer te hebben .
Een combinatie van educatie en coaching lijkt het meest veelbelovend (n=4) . Drie studies laten positieve effecten zien van telefonische ondersteuning en educatie op aanwezigheid van decubitus, zelfmanagementgedrag en kennis van zelfmanagement. Een e-health-programma van Dicianno en collega’s (2016) dat gebruikmaakte van herinneringen, berichten en foto’s via een app op de mobiele telefoon, had positieve effecten op zelfmanagementvaardigheden, het aantal wonden, en het aantal bezoeken aan het ziekenhuis . Het onderzoek van Chaboyer en collega’s (2016) is gericht op educatie met als aanvulling één keer counseling. Deze methode laat geen effect zien op de incidentie van decubitus .
Conclusies uit de kennis
Studies die zich richten op interventies bij zelfmanagementondersteuning bij decubitus zijn over het algemeen van lage kwaliteit (zie tabel 6.1). Hoewel er dus meer en beter onderzoek nodig is, zijn de effecten van de interventies veelbelovend. Het geven van informatie kan kennis van zorgvragers vergroten en de combinatie met coaching kan zelfmanagementgedrag en vertrouwen in zelfmanagement verbeteren en het ontstaan van decubitus voorkomen.
Tabel 6.1: GRADE beoordelingen bij conclusies uit de literatuur

Overwegingen
Kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs
De kwaliteit van de geïncludeerde studies (het wetenschappelijk bewijs) bij uitgangsvraag 6 is laag. In meerdere studies is het risico op bias groot. Er zijn vier pretest-posttest-onderzoeken zonder controlegroep geïncludeerd. Een positief effect van informatie aan de zorgvrager op kennis over preventie en behandeling van decubitus wordt beschouwd als indirect bewijs, omdat kennis noodzakelijk is voor gedragsverandering, maar niet voldoende . Uit onderzoek in patiëntengroepen met andere chronische ziekten blijkt dat er een relatie bestaat tussen kennis en gedragsverandering – en daarmee het voorkomen en verbetering van de aandoening . Het is waarschijnlijk, maar niet vanzelfsprekend, dat deze relatie ook geldt voor zorgvragers met (risico op) decubitus. Toekomstig onderzoek zal moeten uitwijzen of een effect van kennis op zelfmanagement- en decubitus-gerelateerde klinische uitkomstmaten ook daadwerkelijk kan worden bevestigd.
Perspectief van zorgverleners
Het thema zelfmanagement en de conclusies uit de literatuur zijn in werkgroepbijeenkomsten besproken. De werkgroepsleden maken hierbij de kanttekening dat de aanbevelingen bij deze uitgangvraag zich richten op de zorgvragers die in staat zijn tot zelfmanagement, terwijl er ook een groep zorgvragers die niet in staat is tot zelfmanagement. De behoeften en verwachtingen van de zorgvrager dienen voorop te staan. Dit betekent dat het bespreken van het zelfmanagementvermogen een vast onderdeel in het zorgproces moet zijn om te komen tot interventies die aansluiten op het zelfmanagementvermogen van de zorgvrager. Daarbij dient er aandacht te zijn voor de zelfmanagementinterventies (bijv. preventieve maatregelen) die de zorgvrager reeds toepast. De werkgroepleden zijn van mening dat het vermogen tot zelfmanagement bij de zorgvrager en de ondersteuning van dit vermogen door de zorgverlener worden beïnvloed door persoon, tijd, plaats en middel.
- De zorgverlener heeft kennis nodig van de mogelijkheden tot zelfmanagement van de zorgvrager (de persoon). Is deze al bezig met zelfmanagement? Zo ja, op welke manier? Op welke onderdelen heeft hij nog ondersteuning nodig?
- Tijd betreft het juiste moment van de informatievoorziening in het zorgproces. In een acute fase van een ziekte met veel onzekerheid heeft zelfmanagement geen prioriteit. De behoefte van de zorgvrager zal dan vooral liggen bij informatie en advies. Zelfmanagementondersteuning door middel van programma’s en coaching ligt meer voor de hand als de zorgvrager gedurende een langere periode in een stabiele situatie verkeert.
- De plaats/setting is van invloed op het zelfmanagementvermogen en de ondersteuning van dit vermogen. Programma’s om zelfmanagement en eigen regie en de ondersteuning daarbij vorm te geven, zullen bijvoorbeeld in een ziekenhuis anders zijn dan bij een zorgvrager die thuiszorg ontvangt. Dit komt door plaatsgebonden en settingspecifieke normen, waarden, voorschriften, richtlijnen, huisregels etc.
- De middelen voor zelfmanagementondersteuning zijn divers: mondeling, schriftelijk, digitaal, beeldbellen, etc. De keuze van het middel dient te worden afgestemd op de wensen, behoeften en cognitie van zorgvrager.
In de alledaagse praktijk zal de vorm van ondersteuning bij zelfmanagement voor het grootste deel bestaan uit informatievoorziening en coaching. De werkgroep is van mening dat de informatievoorziening voornamelijk digitaal geleverd dient te worden, aangezien schriftelijke informatie (bijv. brochures) in de meeste instellingen niet meer wordt gebruikt. Informatievoorziening is vaak een ondersteunende en makkelijk inzetbare interventie om zelfmanagement in gang te zetten. De werkgroep is van mening dat zorgverleners deze interventie dienen toe te passen als aanvulling op coaching (doelen stellen, motiverende gespreksvoering). De werkgroep benadrukt dat zelfmanagementondersteuning beschouwd moet worden als een cyclisch proces van diagnose, interventie en evaluatie. Dat betekent dat de behandeldoelen telkens bijgesteld dienen te worden op basis van de evaluatie. Zowel bij informatievoorziening als bij coaching is het belangrijk om op een later moment te controleren of de informatie is begrepen en of eventuele acties zijn uitgevoerd. Er moet ook ruimte voor de zorgvrager zijn om terug te komen als doelen te hoog of te laag gegrepen zijn. Daarnaast is het belangrijk dat andere leden van het multidisciplinaire team van zorgverleners op de hoogte zijn van de uitgevoerde ondersteuning door dit systematisch op te nemen in de dossiervoering.
Perspectief van zorgvragers
Er zijn interviews onder zorgvragers uitgevoerd om het perspectief van zorgvragers met (risico op) decubitus in kaart te brengen. Uit deze interviews blijkt dat zorgvragers informatie over de risico’s en preventie belangrijk vinden, omdat ze vinden dat ze over verschillende aspecten van preventie te weinig kennis hebben. Bovendien geven zowel zorgvragers in de interviews als werkgroepleden aan dat het belang van decubituspreventie soms wordt onderschat. Zorgvragers hebben vaak geen decubitus en/of hebben dit nog nooit gehad, waardoor ze (nog) niet hebben ervaren hoeveel impact een decubituswond heeft. Vaak moeten zorgvragers eerst de noodzaak inzien voordat ze zelfmanagement daadwerkelijk uitvoeren. Verder geven zorgvragers aan dat zij het gezamenlijk met de zorgverlener vaststellen van een behandelplan zeer relevant vinden. Een behandeling kan een grote invloed hebben op het dagelijks leven en de zorgvragers bespreken graag mogelijkheden om de kwaliteit van hun leven zo hoog mogelijk te houden. Zorgvragers ervaren zelf dat zij meer de eigen regie nemen naarmate zij meer ervaring met en kennis van de behandeling hebben. De zorgvragers in de werkgroep benadrukken dat het belangrijk is dat zorgverleners er rekening mee houden dat een grote groep zorgvragers niet in staat is tot zelfmanagement. Tevens is het van belang om de verantwoordelijkheid voor preventie en behandeling (mede met behulp van zelfmanagementondersteuning) bij alle betrokkenen neer te leggen: zorgvrager, zorgverlener en mantelzorgers. Zorgvragers zien informatievoorziening als een middel om zelfmanagement te ondersteunen, maar wel als een beperkt middel. De werkgroep vindt de cursus Weer op Weg een voorbeeld van een goede interventie . Deze online cursus is ontwikkeld door Dwarslaesie Organisatie Nederland en is specifiek gericht op zelfmanagement (leren omgaan met de ziekte) bij zorgvragers in een rolstoel, waarbij een gedeelte ingaat op decubitus.
Monitoren en evalueren
Uitgangsvraag
Wat zijn belangrijke aspecten bij de monitoring en evaluatie van het zorgplan bij zorgvragers met decubitus?
Inleiding
Aanleiding en doel
Het zorgplan voor de lokale decubituswond wordt gemonitord en geëvalueerd aan de hand van het zorgplan zelf en het al of niet behalen van de behandeldoelen. Decubituszorg gaat echter niet alleen om zorg voor de wond, maar ook om het uitvoeren van preventieve maatregelen en om de invloed van de decubitus(zorg) op het leven van de zorgvrager. Zorgverleners ervaren dat het monitoren en evalueren van de zorg rondóm de decubituswond vaak wordt overgeslagen. Goede verslaglegging ontbreekt, onder andere omdat zorgverleners niet weten op welke punten ze moeten evalueren. Het doel is om aanbevelingen te doen voor verpleegkundigen en verzorgenden bij het monitoren en evalueren van het zorgplan.
Aanbevelingen
Beschrijf de volgende punten in het zorgplan van de zorgvrager:
- Risicobeoordeling: frequentie en methode
- Classificatie en locatie van decubituswond
- Oorzaak van de decubitus
- Preventieve maatregelen
-
- Houdingsverandering: wisselhoudingsschema
- Drukverlagende maatregelen: type maatregel/productspecificatie
- Huidinspectie en huidzorg: frequentie en gebruik van interventies
- Beweging: mobiliteitsdoelen
- Voeding: voedingstoestand en gewichtsverandering
- Behandeling van de wond
- Frequentie en wijze van evaluatie
- Betrokken disciplines in het behandelteam (discipline, naam en bereikbaarheid)
Stel het zorgplan en de evaluatie op in samenspraak met de zorgvrager en pas het aan zijn/haar individuele behoeften aan. Leg deze afspraken vast in het dossier van de zorgvrager.
Evalueer het zorgplan met de zorgvrager in ieder geval binnen twee weken, of eerder indien de decubituswond of risicofactoren veranderen.
Verwijs de zorgvrager naar een expert wondbehandeling als de decubituswond niet binnen twee weken verbetert.
Evalueer en documenteer bij elke verbandwissel de voortgang van de genezing met behulp van een instrument zoals het WCS-model of het TIME-model.
Monitor de invloed van decubitus op de activiteiten en participatie (ADL, functioneren binnen het gezin, sociaal functioneren, maatschappelijk functioneren) van de zorgvrager in het dagelijks leven.
Samenvatting van de kennis
Bij het evalueren van de effecten van de behandeling van een decubituswond is het belangrijk rekening te houden met meer aspecten dan alleen de genezing van de wond. Zo dient er bij de evaluatie van het zorgplan, behalve aan de wond zelf, ook aandacht te worden gegeven aan factoren die de wondgenezing kunnen beïnvloeden, zoals voeding, pijn en activiteiten en participatie van de zorgvrager. Dit dient te gebeuren in samenspraak met de zorgvrager, het behandelteam en eventueel andere betrokken disciplines (o.a. diëtist, ergotherapeut en fysiotherapeut) . Hierbij wordt de zorgvrager gestimuleerd om zijn wensen, doelen en zorgen kenbaar te maken.
Het opgestelde zorgplan dient binnen twee weken te worden geëvalueerd, of eerder indien de wond of risico’s veranderen. Studies laten zien dat decubituswonden die de vereiste zorg ontvangen binnen twee weken tekenen van genezing laten zien . Categorie III en IV decubitus blijken binnen de eerste twee weken van de behandeling zelfs 45% kleiner te worden . Tekenen die wijzen op genezing van decubitus zijn: afname van lengte, breedte of diepte van de wond, minder lekkage (of exsudaat), afname van necrose of beslag en toename van granulatieweefsel waarmee het weefsel verbetert. Bij het monitoren van genezing moet de zorgverlener rekening houden met factoren die van invloed zijn op de wondgenezing:
- categorie van de decubituswond: een categorie II decubitus heeft minder tijd nodig om te genezen dan categorie III en IV;
- grootte van de wond: hoe groter de wond is, des te langer duurt de genezing
- voedingsstatus: problemen met voedselinname of een slechte voedingstoestand verlengen de genezingstermijn;
- comorbiditeit(en);
- aanwezigheid van wondinfectie of biofilm.
Het wordt aangeraden om een gevalideerd instrument te gebruiken om genezing van decubitus te monitoren/evalueren omdat dit een goede maat is voor de genezing van een decubituswond . Er is geen eenduidigheid over de relatie tussen monitoringsinstrumenten en de klinische blik. Enerzijds leidt het gebruik van een instrument tot betere voorspelling dan de klinische blik , anderzijds wordt dit voordeel niet gevonden bij ervaren wondverpleegkundigen . Bij elke verbandwissel zou een instrument moeten worden gebruikt om de voortgang van wondgenezing te bepalen .
Een decubituswond heeft een grote impact op de kwaliteit van leven van de zorgvrager . Bij de evaluatie van het zorgplan dient te worden nagegaan of de gegeven zorg goed is afgestemd op de individuele behoeften van de zorgvrager.
Conclusie uit de kennis
Om de zorg voor zorgvragers met decubitus te monitoren en evalueren, moeten alle punten uit deze richtlijn (risicobeoordeling, classificatie, preventie, behandeling, samenwerking) worden beschreven in het zorgplan, waarbij er tevens aandacht moet zijn voor activiteiten en participatie. Het zorgplan wordt in samenspraak met de zorgvrager opgesteld. Het zorgplan wordt minstens iedere twee weken geëvalueerd.
Overwegingen
De evaluatie van het lokale behandelplan van een decubituswond bestaat uit twee onderdelen: 1) het verminderen van de druk- en schuifkrachten en 2) de wondbehandeling. De werkgroep is van mening dat – net als de wondbehandeling van decubitus niet verschilt van die van complexe wonden – de evaluatie van de behandeling voor decubituswonden niet anders is dan die bij andere complexe wonden. Als druk- en schuifkrachten de oorzaak zijn van de wond, betreft het een decubituswond. Daarom zijn preventieve maatregelen om druk – en schuifkrachten te verminderen een belangrijk onderdeel van de behandeling van de wond – en dus ook van de evaluatie.
Het zorgplan wordt opgesteld in samenspraak met de zorgvrager – en dat geldt ook voor de evaluatie ervan. Bij het vaststellen van preventieve maatregelen en de behandeling(en) zijn de behoeften en wensen van de zorgvrager het uitgangspunt, zoals besproken in de betreffende uitgangsvraag. De zorgvrager dient op de hoogte te zijn van de wijze waarop het zorgplan wordt gemonitord en geëvalueerd en wordt gestimuleerd om mee te denken over welke doelen bij de evaluatie van belang zijn. Een praktische aanbeveling voor het monitoren en evalueren van wonden kan zijn om, in overleg met de zorgvrager, gebruik te maken van foto’s.
De werkgroep ondersteunt de bevinding uit de literatuur dat een decubituswond in twee weken verbetering moet laten zien, maar brengt hierbij een nuancering aan, namelijk dat er rekening moet worden gehouden met de setting. In een zorgsetting met sterk wisselende omstandigheden kunnen risicofactoren binnen twee weken veranderen. Zorgverleners in deze settings dienen hier alert op te zijn. Daarom is gekozen voor de toevoeging ‘of eerder indien de decubitus of risicofactoren veranderen’. Bij achteruitgang van de situatie, bijvoorbeeld verslechtering van de decubituswond, ontstaan van een nieuwe decubituswond of verandering in het risico van de zorgvrager, dient het zorgplan onmiddellijk te worden heroverwogen. Als een decubituswond binnen twee weken geen verbetering laat zien, dient verwijzing naar een expert wondbehandeling plaats te vinden voor uitgebreide anamnese en aanvullende diagnostiek. Bespreek de verwijzing met de hoofdbehandelaar.
In de literatuur wordt het gebruik van een instrument voor het monitoren en evalueren van wonden aangeraden. De werkgroep adviseert het WCS- en/of het TIME-model voor de Nederlandse situatie. De wetenschappelijke onderbouwing voor dit advies is minimaal, maar deze instrumenten worden in vrijwel alle Nederlandstalige handboeken, opleidingen en cursussen als instrument gehanteerd om de (genezingstendens van een) wond te beschrijven. Een belangrijk voordeel van dit advies is dat beide instrumenten richtinggevend zijn bij zowel het vaststellen van behandeldoelen als de evaluatie. Dit vergemakkelijkt het samenvoegen van behandeling en evaluatie.
Het zorgplan bevat naast uitgewerkte doelen voor de decubituswond ook andere onderdelen die voor de zorgvrager van belang zijn. Bespreek en evalueer met de zorgvrager de invloed die decubitus heeft op de deelname aan activiteiten in het dagelijks leven. Denk bijvoorbeeld aan de inzet van intensivering van preventieve maatregelen: een maatregel als frequenter van houding veranderen kan invloed hebben op de kwaliteit van leven van de zorgvrager, doordat hij regelmatig zijn dagelijkse activiteiten moet onderbreken. Het is belangrijk om samen met de zorgvrager te bespreken wat de beste balans is tussen inzet van de preventieve maatregelen en het behoud van kwaliteit van leven. Een decubituswond heeft doorgaans veel invloed op het dagelijks leven van de zorgvrager. Stimuleer de zorgvrager om deze aspecten te bespreken.
Organisatie van zorg
Uitgangsvraag
Hoe kan de continuïteit van zorg het beste worden Gewaarborgd bij het vaststellen van risico, voorkómen, behandelen en evalueren van decubitus?
-
- Welke samenwerkingsafspraken worden aanbevolen tussen verpleegkundigen, verzorgenden en andere zorgverleners bij het vaststellen van risico, voorkómen, behandelen en evalueren van decubitus?
- Wat zijn de taken van verpleegkundigen en verzorgenden in de samenwerking met andere (zorg)professionals bij het vaststellen van risico, voorkómen, behandelen en evalueren van decubitus?
Inleiding
Aanleiding en doel
De aanbevelingen die volgen uit deze uitgangsvraag adviseren verpleegkundigen en verzorgenden over de acties en inrichting binnen het multidisciplinaire netwerk om efficiënt samen te werken met andere zorgverleners. Daardoor ontvangen zorgvragers de juiste zorg en wordt de continuïteit van zorg gewaarborgd. De aanbevelingen beschrijven welke taken de verpleegkundige/verzorgende zelf heeft en wanneer deze andere zorgverleners buiten de verpleegkundige/verzorgende beroepsgroep moet inschakelen. Om de continuïteit van zorg te waarborgen volgen aanbevelingen wat wordt overgedragen voor zorgvragers met (risico op) decubitus die verplaatst worden binnen één organisatie of tussen verschillende organisaties.
Aanbevelingen
Zorg voor een multidisciplinair en actueel zorgplan dat is afgestemd met de zorgvrager met (risico op) decubitus. De volgende onderwerpen moeten in het zorgplan zijn vastgelegd:
- afspraken over de risicobeoordeling, preventie, behandeling en evaluatie van decubitus;
- welke zorgverleners betrokken zijn bij de zorg voor de zorgvrager met (risico op) decubitus;
- wie de regiebehandelaar is bij de behandeling voor de zorgvrager met decubitus;
- wie de hoofdbehandelaar is bij de behandeling van de zorgvrager met decubitus (intramuraal);
- wie de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist is (extramuraal) voor de zorgvrager met (risico op) decubitus.
Maak per zorgteam afspraken met eventueel samenwerkende (multidisciplinaire) zorgverleners over de taken en verantwoordelijkheden in de zorg voor de preventie/behandeling van decubitus:
- verpleegkundig(wond)consulent: advisering preventie/behandeling;
- diëtist als voeding een risicofactor is op het krijgen van decubitus en voor zorgvragers met decubitus categorie III of hoger;
- ergotherapeut: adviseren over houding en de keuze en het gebruik van (preventieve) hulpmiddelen;
- fysiotherapeut om te adviseren bij bewegingsactiviteiten, zit- en lighouding en uitvoeren van transfers;
en informeer over de gemaakte afspraken:
- de regiebehandelaar voor zorgvragers met decubitus;
- de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist voor extramurale zorgvragers met risico op decubitus.
Maak een overdracht bij overplaatsing van een zorgvrager tussen afdelingen of teams in eenzelfde organisatie of tussen verschillende organisaties.
Zorg voor een (schriftelijke of digitale) overdracht met de volgende punten.
- Risicobeoordeling:
-
- de belangrijkste risicofactoren, het gebruikte risicobeoordelingsinstrument en de score.
- Preventieve maatregelen:
-
- de inzet van preventieve maatregelen, met een evaluatie van hoe de zorgvrager de preventieve maatregelen ervaart;
- een evaluatie van de locaties met het grootste risico om decubitus te ontwikkelen.
- Behandeling van decubitus:
-
- classificatie van de decubituswond per locatie met behulp van het internationale NPUAP/EPUAP-decubitus-classificatiesysteem;
- per locatie een evaluatie van de decubituswond met behulp van het WCS- of TIME-model.
- Betrokken zorgverleners:
-
- wie de regiebehandelaar is bij de zorg voor de zorgvrager met decubitus;
- wie de hoofdbehandelaar is bij de behandeling van de zorgvrager;
- welke typen zorgverleners betrokken zijn bij de zorg voor de zorgvrager;
- informeer de regiebehandelaar, de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist over de overdracht van de zorgvrager met decubitus
Leg vast welke afspraken gemaakt zijn met betreffende samenwerkende c.q. betrokken zorgverleners.
Samenvatting van de kennis
Continuïteit van zorg in deze richtlijn is het naadloos voortzetten van geplande zorg voor de zorgvrager bij overplaatsing binnen een organisatie of naar een andere organisatie en tussen de betrokken disciplines.
De organisatie en planning van zorg voor een zorgvrager en de samenwerking tussen disciplines zijn afhankelijk van de individuele factoren van de zorgvrager (die in de tijd kunnen veranderen) en van de setting waarin de zorgvrager verblijft. Afspraken hierover moeten goed gedocumenteerd worden en moeten worden overgedragen in het besef dat elke zorgvrager het meest kwetsbaar is bij overplaatsing van de ene zorgvorm naar de andere. De zorgvrager kan zelf een rol krijgen bij de planning van zorg, ofwel op eigen initiatief ofwel na een aanbod of stimulans vanuit de zorgverleners.
Het is belangrijk dat iedereen op de hoogte is van ieders taak en verantwoordelijk bij de zorg voor een zorgvrager met (risico op) decubitus. Sinds 2018 is hiervoor de kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg in Nederland beschikbaar. Deze kwaliteitsstandaard geeft aanbevelingen voor een optimale organisatie van de wondzorg, waaronder decubitus, in de keten en beschrijft de rol en taken van de zorgverleners en zorgvragers in deze keten. De kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg is richtinggevend voor de samenwerkingsafspraken in deze richtlijn ten aanzien van de preventie en behandeling van decubitus. Voor een optimale samenwerking dienen er zowel intern als extern afspraken te zijn over de verwijzingen en behandelprotocollen.
Actueel zorgplan met betrokken samenwerkende (multidisciplinaire) zorgverleners
Het zorgplan is de basis voor de organisatie van zorg. Elk zorgplan dient actueel te zijn en inzicht te geven in de betrokken samenwerkende zorgverleners. Tevens worden de samenwerkingsafspraken tussen de zorgverleners vastgelegd. De regiebehandelaar, die voor zorgvragers met een decubituswond de regie voert over het gehele zorgproces, wordt in navolging van de kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg aangewezen door het regionale expertteam. De (hoofd)behandelaar of verpleegkundig specialist in het ziekenhuis of de instelling voor langdurig verblijf is verantwoordelijk voor de behandeling van de zorgvrager die in zorg is met (risico op) decubitus. In de eerstelijnszorg is de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist veelal de hoofdbehandelaar.
- Verpleegkundigen en verzorgenden hebben behalve in de uitvoering van de geplande zorg bij de zorgvrager met (risico op) decubitus in het bijzonder ook een rol en verantwoordelijkheid in het signaleren, zelfstandig verwijzen of het adviseren van de behandelaar/regiehouder voor een verwijzing naar samenwerkende (multidisciplinaire) zorgverleners:
- naar een wondexpertisecentrum (WEC) of medisch specialist (chirurg, plastisch chirurg, dermatoloog, revalidatiearts) bij het uitblijven van effect of bij het verergeren van decubitus na twee weken behandeling volgens de aanbevelingen in deze richtlijn;
- naar de diëtist om eventuele voedingstekorten vast te stellen en voedingsadviezen te geven . Het inschakelen van een diëtist is relevant voor zorgvragers met risico op decubitus waarbij de voedingstoestand of voedingsinname een risicofactor is. Schakel een diëtist in bij zorgvragers met decubitus categorie III of hoger;
- naar de ergotherapeut omdat deze advies kan geven over een adequate zit- of lighouding, mede in relatie tot de dagelijkse activiteiten. De ergotherapeut geeft advies over geschikte (medische) hulpmiddelen afgestemd op de individuele zorgvrager. Deze heeft inzicht in de bekostiging van de (medische) hulpmiddelen die ingezet worden in de eerstelijnszorg. Daarnaast kan de ergotherapeut zowel zorgverleners als zorgvragers adviseren bij het omgaan met (medische) hulpmiddelen . Dit geldt in het bijzonder voor rolstoelgebonden zorgvragers: bij hen kan de ergotherapeut deskundig advies geven over drukverlagende zitondersteuning en (het corrigeren van) de rompbalans;
- naar de fysiotherapeut voor advies en begeleiding bij bewegingsactiviteiten en vroege en actieve mobilisatie. Daarnaast kan de fysiotherapeut zowel zorgverleners als zorgvragers adviseren bij lig- en zithouding, het omgaan met (medische) hulpmiddelen en het uitvoeren van transfers met zo min mogelijk trek- en schuifkrachten.
In tabel 8.1 volgt de verduidelijking van begrippen uit de Kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg in Nederland .
Tabel 8.1: Verduidelijking van begrippen in de Kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg in Nederland

Overdracht van zorg
Continuïteit van zorg valt en staat met de momenten waarop overdracht van zorg plaatsvindt. Voor zorgvragers met (risico op) decubitus zijn dit met name de overdrachtmomenten tussen 1) zorgverleners met eenzelfde achtergrond in dezelfde organisatie (dienstoverdracht); 2) zorgverleners met verschillende achtergronden in dezelfde organisatie en 3) zorgverleners uit verschillende organisaties. Het zorgplan is de basis van waaruit de overdracht van zorg wordt vormgegeven. Zorgverleners uit dezelfde organisatie dienen (met instemming van de zorgvrager) toegang te hebben tot het zorgplan van de zorgvrager.
Als de zorgvrager van de ene organisatie naar een andere organisatie wordt overgeplaatst, hebben zorgverleners uit de verschillende organisaties geen toegang tot eenzelfde zorgplan. Dergelijke overdrachtmomenten vereisen speciale aandacht om de continuïteit van zorg te waarborgen . Hiervoor is een schriftelijke of digitale overdracht essentieel waarin alle onderdelen van de decubituszorg aan bod komen. Vastgelegd dient te worden welke afspraken er zijn gemaakt en met wie.
Toegang tot zorg en (medische) hulpmiddelen
De toegang tot voorgeschreven (medische) hulpmiddelen dient binnen de zorgorganisatie geregeld te zijn om de continuïteit van zorg te waarborgen. Voor zorgvragers in de eerstelijnszorg is het vaak niet eenvoudig om toegang te krijgen tot de vereiste zorg. Het kan voor hen lastig zijn om aan geschikte (medische) hulpmiddelen te komen . Tevens blijkt uit onderzoek dat toegang tot specialistische zorg in de eerstelijnszorg essentieel is bij de preventie van decubitus .
Bij het aanvragen van preventieve (hulp)middelen voor zorgvragers in de eerstelijnszorg moet een bevoegd zorgverlener de aanvraag ondertekenen. Onder andere de huisarts, specialist ouderengeneeskunde, ergo /fysiotherapeut en verpleegkundig (wond)specialisten in de eerstelijnszorg zijn hiervoor bevoegd.
Verwijzen
Verpleegkundigen en verzorgenden hebben doorgaans niet de bevoegdheid om de zorgvrager binnen het formele verwijssysteem te verwijzen. Indien bij een zorgvrager (een risico op) decubitus wordt vastgesteld, dienen verpleegkundigen en verzorgenden contact te leggen met de samenwerkende zorgverleners die de bevoegdheid hebben om indien nodig te verwijzen. In intramurale organisaties zal dit doorgaans de (hoofd)behandelaar of verpleegkundig specialist zijn. In de eerstelijnszorg is dit doorgaans de huisarts, specialist ouderengeneeskunde of verpleegkundig specialist.
Conclusie uit de kennis
De continuïteit van zorg voor zorgvragers met (risico op) decubitus kan het beste worden gewaarborgd door duidelijke samenwerkingsafspraken tussen zorgverleners en helderheid over een ieders taken. Deze afspraken worden per zorgteam gemaakt en afspraken voor de individuele zorgvrager worden in het zorgplan vastgelegd. Bij overplaatsing van een zorgvrager tussen afdelingen en/of organisaties moeten de afspraken die in het zorgplan zijn vastgelegd, worden overgedragen
Overwegingen
Voor de organisatie van de zorg voor de zorgvrager met decubitus verwijst de werkgroep naar de in 2018 vastgestelde Kwaliteitsstandaard Organisatie van Wondzorg in Nederland. De preventie en behandeling van zorgvragers met (een risico op) decubitus valt bij uitstek binnen de doelpopulatie van deze kwaliteitsstandaard. De betreffende kwaliteitsstandaard biedt echter geen oplossingen voor de gesignaleerde problemen met de organisatie van de preventie van decubitus. Uit de knelpuntenanalyse blijkt dat zorgverleners juist bij het organiseren van preventieve maatregelen vaak niet weten hoe zij aan geschikte zorg en middelen komen. De werkgroep vindt het belangrijk om met bovenstaande aanbevelingen een handvat te geven voor de zorgvrager met risico op decubitus.
De aanbevelingen bij deze uitgangsvraag richten zich op de continuïteit van zorg voor de zorgvrager met (risico op) decubitus. De werkgroep is van mening dat het zorgplan voor de zorgvrager het instrument moet zijn om inzicht te krijgen in het actuele zorgproces (diagnose, behandeling, evaluatie). Zorgvragers krijgen vaak te maken met veel verschillende zorgverleners. Ook kunnen intramurale zorgvragers meerdere afdelingen doorlopen, soms ook nog eens in verschillende organisaties. De werkgroep vindt het belangrijk dat de ingezette zorg wordt gecontinueerd.
Het is belangrijk dat één persoon primair verantwoordelijk is voor de realisatie van het zorgplan binnen de context waarin de zorg geleverd wordt. Die persoon kan in elke situatie anders zijn (bijv. de huisarts, specialist ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialist, medisch specialist). Deze verantwoordelijke zorgverlener dient te zijn vastgelegd in het zorgplan. Benadrukt wordt dat de verantwoordelijke zorgverlener in een bepaalde context niet dezelfde hoeft te zijn als de regie-verantwoordelijke.
Het is na uitputtende verkenningen gebleken dat het voor de aanvraag van preventieve (hulp)middelen niet mogelijk is om een sluitende lijst met hulpmiddelen te maken waaruit zorgvragers kunnen kiezen. Dit heeft onder andere te maken met veranderende wet- en regelgeving, interpretatie van regels, verschillen in vergoedingen door zorgverzekeraars en regionale verschillen in de uitvoering. Het is belangrijk dat zorgvragers de weg weten te vinden naar de juiste persoon die bevoegd is om de zorgvrager te ondersteunen bij de aanvraag voor een hulpmiddel. Voor verpleegkundigen en verzorgenden is het belangrijk te weten wie de samenwerkingspartners zijn en hoe deze elkaar aanvullen in de zorg voor de zorgvrager, waarbij een aantal disciplines bekend zijn met het bekostigingssysteem van de preventieve (hulp)middelen.
Bijlagen
Bijlage
- Bijlage 1 – Algemene achtergrondgegevens
- Bijlage 2 – Samenstelling werk-, project-, & adviesgroep
- Bijlage 3 – Knelpunteninventarisatie
- Bijlage 4 – Methodologie samenwerking internationale richtlijn Decubitus (2019)
- Bijlage 5 – Verantwoording per uitgangsvraag
- Bijlage 6 – Commentaarronde
- Bijlage 7 – Autorisatie
- Bijlage 8 – Indicatoren
- Bijlage 9 – Implementatie
- Bijlage 10 – Kennislacunes
- Bijlage 11 – Juridische betekenis
- Bijlage 12 – Literatuurlijst
11. Bijlagen
11.1 Bijlage
- Bijlage 1 – Algemene achtergrondgegevens
- Bijlage 2 – Samenstelling werk-, project-, & adviesgroep
- Bijlage 3 – Knelpunteninventarisatie
- Bijlage 4 – Methodologie samenwerking internationale richtlijn Decubitus (2019)
- Bijlage 5 – Verantwoording per uitgangsvraag
- Bijlage 6 – Commentaarronde
- Bijlage 7 – Autorisatie
- Bijlage 8 – Indicatoren
- Bijlage 9 – Implementatie
- Bijlage 10 – Kennislacunes
- Bijlage 11 – Juridische betekenis
- Bijlage 12 – Literatuurlijst