De verwachting is dat de voorgestelde diagnostische instrumenten acceptabel zijn. De werkgroep geeft aan dat het bij cognitieve problemen moeilijk kan zijn voor een cliënt om een mictiedagboek of vragenlijst in te vullen. In dat geval, kan bijvoorbeeld de verzorging/verpleging of mantelzorg het invullen, samen met de cliënt. Ook geeft de werkgroep aan dat hoe meer dagen een mictiedagboek ingevuld moet worden, hoe groter de kans is dat men hier nonchalanter mee om zal gaan. Ze geven echter ook aan dat het dagboek lang genoeg (minstens 3 dagen) ingevuld moet worden om ervoor te zorgen dat het een goede representatie is van een ‘gemiddelde dag’ van de cliënt. Het moet dus als hier regelmatig sprake van is, ook bijvoorbeeld de dagactiviteit van de cliënt bevatten. Het moet ook lang genoeg zijn om bijvoorbeeld een indicatie te kunnen krijgen van of er sprake is van aandrang-, stress-, of gemengde incontinentie. Op basis van deze overwegingen geeft de werkgroep aan dat het dagboek drie aaneengesloten dagen bijgehouden moet worden.
Verder staan in internationale richtlijnen een aantal vragenlijsten zoals de I-QOL, EAPI-QMM en KHQ die nog niet gevalideerd werden voor de Nederlandse situatie en deze kunnen daarom niet aanbevolen worden voor de Nederlandse praktijk. Er is onderzoek nodig om Nederlandse vertalingen van deze internationale vragenlijsten kwaliteit van leven en/of symptoomscores te valideren voor gebruik bij ouderen in de Nederlandse praktijk. De werkgroep geeft aan dat er een vragenlijst bestaat, de PRAFAB, die in Nederland voor kwetsbare ouderen ontwikkeld en gevalideerd is waarmee de ernst en impact van UI gemeten kunnen worden (zie bijlage A). In bijlage A worden de verschillende vragenlijsten met hun afkappunten weergegeven. Hoe de vragenlijsten gebruikt moeten worden is uitgebreid te vinden op meetinstrumenten in de zorg. Daar zijn ook de vragenlijsten te downloaden.