De werkgroep is van mening dat er een zeer lage kans is op nadelige effecten van de aanbevolen stappen en instrumenten, en dat cliënten vooral voordelige effecten zullen ondervinden van een diagnose. Hoewel dit niet door wetenschappelijk bewijs onderbouwd kan worden, is de werkgroep van mening dat er altijd een verpleegkundige intake of anamnese hoort plaats te vinden. Daarom is deze aanbeveling sterk geformuleerd. De intake of anamnese kunnen gedaan worden zoals de wijkverpleging dat normaal ook in de organisatie gewend is. De werkgroep is van mening dat door op een sensitieve manier een verpleegkundige anamnese af te nemen een zorgprofessional meer begrip en kennis kan krijgen van de situatie van een cliënt. Door vragen te stellen over bijvoorbeeld de medische voorgeschiedenis, medicatiegebruik, comorbiditeit en voedingspatroon van de cliënt kan er meer inzichten worden opgedaan over het type incontinentie (stress-, aandrang-, gemengd of functioneel). Ook kunnen mogelijke oorzaken en verergerende factoren in kaart gebracht worden. Dit zou bij elke cliënt moeten gebeuren bij bijvoorbeeld beginnende continentieklachten of verergering van klachten (zie momenten in aanbeveling). Daarnaast is het ook belangrijk om na te vragen of er huidirritaties of huidproblemen zijn die mogelijk worden veroorzaakt door verlies van urine. Het is belangrijk dat de cliënt niet met deze klachten blijft doorlopen.
Incontinentie staat soms niet op zichzelf. Het is belangrijk dat er aandacht besteed wordt aan het feit dat er soms sprake is van potentieel behandelbare condities die los staan van de blaas zelf, maar die bij kwetsbare ouderen wel UI kunnen veroorzaken of verergeren (zie Tabel 1). Voordat de UI zelf behandeld wordt, is het van belang te achterhalen of deze andere aandoeningen behandeld kunnen worden, omdat dit er mogelijk voor kan zorgen dat de UI ook vermindert of zelfs verdwijnt. De werkgroep geeft ook aan dat bij de anamnese bij de kwetsbare oudere met UI gekeken moet worden 29 naar medicatie die mogelijk UI kan veroorzaken of verergeren. In Tabel 2 staat een overzicht van deze medicijnen weergegeven.
Bij kwetsbare ouderen kunnen omgevingsfactoren ook belangrijk zijn. Slechte toegankelijkheid van toiletten kan een oorzaak zijn van UI, met name bij kwetsbare ouderen met functionele stoornissen. Slechte verlichting en obstakels op de weg naar het toilet kunnen met name bij verminderd gezichtsvermogen interfereren met de mogelijkheid om onafhankelijk naar het toilet te gaan. De toiletgang kan bemoeilijkt worden omdat bijvoorbeeld de rolstoel niet kan draaien in het toilet. De werkgroep voegt daar nog aan toe dat kleding, bijvoorbeeld broeken met lastige knopen, er ook voor kan zorgen dat zelfstandig naar het toilet gaan bemoeilijkt wordt. Deze factoren kunnen UI veroorzaken of verergeren.
Het invullen van een mictiedagboek, en/of het afnemen van een gevalideerde vragenlijst naar de ernst van UI en/of de kwaliteit van leven kunnen goede ondersteuning geven bij de anamnese, maar zijn niet altijd noodzakelijk en daarom zijn deze aanbevelingen zwakker geformuleerd. Een vragenlijst geeft de cliënt ook de kans om de ervaren hinder te kwantificeren. Hierdoor kan een cliënt goed de situatie schetsen en is de kans groter dat er een passende behandeling of aanpak zal worden gevonden. De werkgroep is van mening dat het de voorkeur verdient dat de cliënt een mictiedagboek of vragenlijst zelf invult. De zorgverlener kan de gevolgen van UI op het leven van de cliënt onderschatten en zich richten op zaken die van minder belang zijn voor de cliënt.
Volgens de literatuur past een urineonderzoek in de zorg voor cliënten met (mogelijke) incontinentie. Ook is de werkgroep van mening dat het goed is om een urineweginfectie uit te kunnen sluiten bij plotseling of verergerende UI. De cliënt kan zelf, of met hulp, urine opvangen en dat afleveren bij de huisarts om te laten testen. Als het mictiepatroon plotseling erg veranderd is het verstandig dat de cliënt contact opneemt met de huisarts.