1. Pas als VenV een effectieve interventie toe bij ambulante cliënten van 18 jaar en ouder die geneesmiddelen (gaan) gebruiken. Doe dit om problemen met medicatietrouw te voorkómen en/of bij signalen van problemen met medicatietrouw.
  2. Bepaal – voorafgaand aan de keuze van de interventie – de fase van het medicatiegebruik (fase 1. Starten, fase 2. Gebruiken, fase 3. Stoppen).

Randvoorwaarde

Een belangrijke voorwaarde voor het inzetten van een interventie is dat je voldoende bekwaam bent in gesprekstechnieken die passen bij je rol als VenV.

Bij onvoldoende bekwaamheid:

Volg een adequate bijscholing in gesprekstechnieken die passen bij je rol.

Fase 1. Starten

1. Selecteer ter voorkóming van problemen met medicatietrouw óf bij signalen van problemen met medicatietrouw in de startfase een effectieve interventie voor de startfase die het beste aansluit op de werkwijze en mogelijkheden in de eigen dagelijkse praktijk en organisatie. Zie het kader ‘Effectieve interventies in de startfase van het medicatiegebruik’ voor de mogelijkheden.

Effectieve interventies in de startfase van het medicatiegebruik

2. Ga in het gesprek met de cliënt na welke factoren die in de startfase een positieve en negatieve invloed hebben op de medicatietrouw, van toepassing zijn op de cliënt. Je kunt hierbij de overzichten van factoren met positieve en negatieve invloed in bijlage 1B ‘Factoren bij medicatietrouw’ gebruiken.

3. Je kunt in de gekozen interventie de gedragsveranderende gesprekstechnieken gebruiken uit de taxonomie van De Bruin (2009) die aansluiten bij de factoren die van toepassing zijn op de cliënt. Zie hiervoor het overzicht met gesprekstechnieken in bijlage 1C ‘Gesprekstechnieken bij medicatietrouw’.

 4. Stem de frequentie en duur van de interventie af op de situatie van de individuele cliënt.

Fase 2. Gebruiken

1. Selecteer bij signalen van problemen met medicatietrouw in de gebruiksfase een effectieve interventie voor de gebruiksfase die het beste aansluit op de werkwijze en mogelijkheden in de eigen dagelijkse praktijk en organisatie

Effectieve interventies in de gebruiksfase van het medicatiegebruik

2. Ga in het gesprek met de cliënt na welke factoren die in de gebruiksfase een positieve en negatieve invloed hebben op de medicatietrouw, van toepassing zijn op de cliënt. Je kunt hierbij de overzichten van factoren met positieve en negatieve invloed in bijlage 1B ‘Factoren bij medicatietrouw’ gebruiken.

3. Je kunt in de gekozen interventie de gedragsveranderende gesprekstechnieken gebruiken uit de taxonomie van De Bruin (2009) die aansluiten bij de factoren die van toepassing zijn op de cliënt. Zie hiervoor het overzicht met gesprekstechnieken in bijlage 1C ‘Gesprekstechnieken bij medicatietrouw’.

4. Stem de frequentie en duur van de interventie af op de situatie van de individuele cliënt.

Fase 3. Stoppen

Voor de fase waarin de cliënt op eigen initiatief – zonder overleg met de voorschrijver – stopt met het medicatiegebruik zijn geen specifieke effectieve interventies geïdentificeerd. Je kunt de werkwijze zoals beschreven in fase 1. Starten (bij herstarten) of fase 2. Gebruiken volgen.