De zoekactie in de literatuur leverde 9 systematische literatuurreviews (SLR’s) en 5 nieuwe individuele studies op. In Tabel 4 zijn de SLR’s en medicatie die zij onderzoeken weergegeven. Zoals in de tabel zichtbaar is worden verschillende type medicatie uit dezelfde klasse met elkaar vergeleken, maar ook combinaties van medicatie, en verschillende medicatieklassen. β3-adrenoceptoragonisten zijn een relatief nieuw type medicijn en pas op de markt gekomen na het uitkomen van de oude richtlijn in 2010

Beschrijving van geïncludeerde systematisch reviews
De meeste studies includeerden patiënten met OAB met een gemiddelde leeftijd van 55-60 jaar. Omdat de meeste patiënten in deze studies vrouw waren, kunnen de resultaten gegeneraliseerd worden voor vrouwen, maar niet voor mannen. De gerapporteerde uitkomstmaten voor het genezen van UI en/of het verminderen van OAB-symptomen (mictiefrequentie/d, aantal urgentie-episodes/d, aantal incontinentie-episodes/d, aantal UUI-episodes/d en/of verbetering van ziekte-specifiek kwaliteit van leven) gelden alleen op korte en niet op langere termijn (b.v. tot 12 weken). Een gedetailleerde beschrijving van de studies is te vinden in de bijlage – data extractie tabellen.

In de SLR van Abreu et al. werden 46 publicaties (artikelen en abstracts) geïncludeerd over farmacologische interventies en neuromodulatie voor patiënten met LUTS (lower urinary tract symptoms) . Deze studies waren gepubliceerd tussen januari 2018 en januari 2020. In totaal waren 20 van deze studies relevante voor de huidige richtlijn. In de review werden verschillende type medicatie met elkaar vergeleken, met placebo, en in combinatietherapieën. Drie geïncludeerde studies lieten zien dat anticholinergica het risico op dementie verhoogde in de studiepopulaties. De auteurs concludeerden na bestudering van zes studies dat het gebruik van mirabegron in vergelijking met placebo positieve effecten heeft op de symptoomscores en een gunstig veiligheidsprofiel heeft. In vergelijking met placebo ging het aantal voiding episodes significant omlaag. Ook in observationele studies verminderden de symptomen met een statistisch significant effect. Er werd minder continentiemateriaal gebruikt dan voor het gebruik van mirabegron. De kwaliteit van leven nam statistisch significant toe bij gebruikers. Ook vibegron heeft positieve effecten op verschillende symptomen scores. Vier studies lieten onder andere zien dat patiënten minder vaak hoeven te plassen en droger blijven. De beschikbaarheid van verschillende medicijnen die incontinentie via verschillende mechanismen kunnen verhelpen of verminderen bracht onderzoekers ertoe de combinatie van medicatie te overwegen om de werkzaamheid te vergroten en tegelijkertijd bijwerkingen te vermijden die gepaard gaan met dosisescalatie bij monotherapie. In zes studies werden combinatietherapieën onderzocht. Over het algemeen was een combinatietherapie effectiever dan een monotherapie. Op verschillende symptoomscores werden verbeteren gerapporteerd. Twee studies bestudeerden het risico op dementie bij gebruik van a1-adrenoceptor antagonists (alfablokkers), maar de resultaten waren conflicterend.

Alberquoni et al. voerden in een literatuurreview en meta-analyse uit om te effecten van zelfmanagement op lage urinewegklachten (lower urinary tract symptoms: LUTS) bij mannen te onderzoeken . Een systematisch zoekactie in de literatuur in 2019 leverde 12 studies op. De 12 RCT’s verricht onder mannen (in totaal n =1006) met LUTS, onderzochten het effect van: 1) zelfmanagementprogramma versus gebruikelijke zorg; 2) zelfmanagementprogramma versus muscarine-antagonist (gereguleerde afgifte tolterodine, 4mg/d of oxybutine 5-39mg/d); en 3) combinatie van zelfmanagement + muscarine-antagonist (tolterodine, 4mg) + α-blocker (tamsulosin 0.4 mg/d). Er werden 6 onderzoeken (RCT’s, n = niet vermeld) geïncludeerd in de meta-analyse. De aard van de zelfmanagementinterventies varieerde tussen de onderzoeken. De auteurs van de review concluderen dat matig bewijs bestaat dat zelfmanagement effectief is bij mannen met LUTS. Het effect (vermindering van LUTS-symptomen na 6 maanden) van zelfmanagement was vergelijkbaar met het effect van behandeling door middel van medicatie (muscarine-antagonist). Er was een klein maar wel een statistisch significant voordeel van het toevoegen van zelfmanagement aan medicamenteuze therapie. Onduidelijk is welke (combinatie) van elementen uit het programma het effectiefst waren en hoe het programma werd aangeboden (individueel vs. groepsverband).

Wani et al. voerden een literatuuronderzoek uit met als doel om antimuscarnica te vergelijken met bèta-adrenerge agonisten (mirabegron) bij de behandeling van een overactieve blaas . Een zoekactie was uitgevoerd om artikelen te vinden die gepubliceerd waren tussen 2015 en 2020. Er werden in totaal 20 studies geïncludeerd in deze literatuurreview, variërend van RCT tot cross-sectionele studies. Er kon geen meta-analyse worden uitgevoerd. De resultaten van alle onderzoeken concludeerden dat mirabegron even werkzaam is als elk ander anticholinergicum. De geïncludeerde studies lieten zien dat mirabegron minder bijwerkingen heeft in vergelijking met antimuscarnica. Uit twee geïncludeerde studies concludeerde Wani et al. dat combinatietherapie tot betere resultaten leidt dan monotherapie. Mirabegron plus solifancacin waren een uitstekende combinatie, volgens de auteurs.

De netwerkanalyse van Lozano-Ortega et al. uit 2020 includeerde 21 RCT’s waarin mirabegron werd vergeleken met diverse doseringen van muscarine-antagonist (ER of IR solifenancin, darifenancin, fesoterodine, tolterodine, oxybutine, trospium chloride) of placebo in patiënten ≥ 65 jaar OAB . De studies zijn gepubliceerd tussen januari 2000 en augustus 2018. Effect-uitkomstmaten waren urgentie episodes/24, UUI-episodes/24u en geplast volume per mictie. Follow-up duur was 12 weken. Wat betreft effect-uitkomstmaten, de mate van behandelingseffectiviteit geassocieerd met mirabegron en muscarine-antagonist varieerde. Vergeleken met muscarine-antagonist, mirabegron was sterk geassocieerd met een vermindering van incontinentie-episodes/24u t.o.v. placebo. Vergeleken met placebo, werd solifenancin zwak geassocieerd met een vermindering van incontinentie-episodes. In vergelijking met placebo was, fesoterodine sterk geassocieerd met een vermindering van urgentie-incontinentie episodes terwijl mirabegron en solifenancin elke zwakke associaties maar grotere reducties toonden. Zowel Mirabegron als muscarine-antagonist (behalve oxybutine en tolterodine) waren sterk geassocieerd met een vermindering wat betreft mictiefrequentie/24u, urgentie en incontinentie-episodes/24u en geplast volume per mictie t.o.v. placebo. De auteurs gaven aan dat het veiligheids-en effectiviteit-profile van mirabegron gunstig blijft vergeleken met muscarine-antagonist in de oudere patiëntenpopulatie. Dit omvat veiligheidsuitkomsten die typisch geassocieerd worden met anticholinergische klachten, die ook minder vaak geobserveerd waren in mirabegron-patiënten. Mirabegron ging niet gepaard met een verhoogd risico op het staken van de behandeling als gevolg van bijwerkingen vergeleken met placebo. Fesoterodine was sterk geassocieerd met een verhoogde kans op het ervaren van bijwerkingengerelateerde stopzetting van de behandeling in vergelijking met placebo, terwijl de associatie tussen alle andere antimuscarinica zwak was.

In een andere netwerk meta-analyse van Lozano-Ortega et al. (2019) wordt het effect van mirabegron vergeleken met het effect van onabotulinumtoxin A . De meta-analyse includeerde 13 studies, gepubliceerd tussen januari 2005 en oktober 2016. In de netwerk meta-analyse werd gekeken naar het effect van mirabegron versus onabotulinumtoxin A, en mirabegron versus muscarine-antagonist (darifenancin, fesoterodine, oxybutine, solifenacine, tolterodine of trospium chloride. Het effect van elke middel werd op zowel korte termijn als lange termijn (48-52 weken) onderzocht onder ≥65 jaar oud OAB-patiënten (overwegende vrouwen). Onabotulinumtoxin A werd zwak geassocieerd met een superieure effectiviteit t.o.v. Mirabegron (50mg) bij het verminderen van dagelijkse mictiefrequentie/24u. In de netwerk meta-analyse waar alle placebo-vormen (diverse muscarine-antagonisten) gepoold werden tot één gemeenschappelijke placebo, was onabotulinumtoxin A sterk geassocieerd met een grotere werkzaamheid voor het verminderen van het dagelijkse mictiefrequentie/24u t.o.v. mirabegron. Dezelfde bevinding werd gevonden wat betreft het aantal incontinence-episodes. Tot slot, Mirabegron bleek even effectief te zijn als onabotulinumtoxin A wat betreft het verminderen van nycturie-episodes. Het resultaat m.b.t het effect van mirabegron versus pooled-placebo is in lijn met het eerder beschreven resultaat (d.w.z., mirabegron bleek even effectief te zijn als onabotulinumtoxin A in de sensitiviteitanalyse).

De studie van Hsu et al. is een update van een eerdere systematische literatuurreview . De nieuwe search werd uitgevoerd tot September 2018, en leverde informatie op uit 20 nieuwe RCTs. In de review worden verschillende behandelingen met elkaar vergeleken. In de review, werden drie RCTs besproken waarin het effect van fesoterodine t.o.v. tolterodine op relevante effect-uitkomstmaten werd onderzocht. Hoewel fesoterodine liet tot een statistisch significant vermindering in het aantal incontinentie- en urgentie-episodes en mictiefrequenties/24u, waren de absolute verschillen klein: minder dan een halve episode/dag voor elke effect-uitkomstmaat. Ook bleek uit de onderzoeken dat het percentage patiënten die geen incontinentie rapporteerden hoger was in de fesoterodinegroep vergeleken met de tolterodinegroep. Uit vier RCTs bleek dat solifenacine effectiever was in de afname van het aantal incontinentie-en urgentie-episodes dan tolterodine. Geen statistisch significant verschil werd gevonden voor mictiefrequentie/24u. Ten slotte, uit gepoolde analyse van acht RCTs uit dezelfde review was er geen statistisch significant verschil tussen solifenancin en oxybutine (directe afgifte) voor wat betreft incontinentie-episodes en mictiefrequentie/24u.

Daarnaast werd ook de werking van mirabegron vergelijken met muscarine-antagonisten. De gepoolde analyses van vier RCTs liet zien dat solifenacine effectiever was in het verminderen van het aantal incontinentie-episodes en mictiefrequentie/24u vergeleken met Mirabegron. Uit een gepoolde analyses met vijf RCTs bleek geen verschil tussen mirabegron en tolterodine (vertraagde afgifte) voor wat betreft de incontinentie-en urgentie-episodes, mictiefrequentie/24u en percentage patiënten die continent waren aan het eind van het onderzoek.

Uit drie RCTs werd bij de combinatietherapie (mirabegron + solifenacine) een statistisch significant verbetering gezien in het aantal incontinentie-episodes, het aantal urgentie-episodes en aantal micties/24u na 12 weken t.o.v. mirabegron als monotherapie. Het grootste verschil werd geobserveerd in het aantal urgentie-episodes.

Het doel van de review van Riemsma et al. was om te beoordelen het genezingspercentage van het behandelen van UI onder mensen van 18 jaar en ouder . De auteurs zochten tussen januari 2005 tot juni 2015 naar artikelen in verschillende databases en includeerden 127 artikelen die in totaal 98 studies beschreven (niet allemaal relevant voor deze richtlijn). De meeste studies die in de review werden geïncludeerd rapporteerden genezingspercentages (vooral korte termijn genezing) voornamelijk onder patiënten met aandrangincontinentie (overwegende vrouwen) die behandeld werden met een muscarine-antagonist (darifenancin, fesoterodine, oxybutine, solifenancin, tolterodine, trospium chloride). Het onderzoek liet zien dat met farmacotherapie, het genezingspercentage van UUI na behandeling met muscarine-antagonist was 49% (interkwartielrange: 35.6 – 58%). De auteurs van de review concluderen dat er meer onderzoek nodig is om een concrete conclusie te kunnen te trekken. De auteurs beoordeelden de kwaliteit van de geïncludeerde onderzoeken als matig. Er was vaak kans op bias vanwege het ontbreken van een heldere omschrijving van het term ‘genezing’. Daarnaast was er sprake van onnauwkeurigheid doordat onderzoeken vaak maar weinig specifieke patiënten includeerden (bv. 65+ plussers, patiënten met cognitie problemen). Er was aanzienlijke heterogeniteit tussen de verschillende onderzoeken en deze was grotendeels te verklaren door onderlinge verschillen in de onderzoeksopzet, patiëntenpopulatie en uitkomstmaten. Ook, per onderzoek is de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’’ verschillend. De gehanteerde definitie was in veel van de onderzoeken niet duidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt.

Een review door Sameulsson et al. uit 2015, onderzocht de effectiviteit van medicamenteuze behandeling voor UI bij ouderen en kwetsbare ouderen (overwegende vrouwen) . De review zocht naar literatuur gepubliceerd tot oktober 2013. De review bevatte 13 RCTs, waarvan 11 RCTs het effect van muscarine-antagonist (oxybutine, tolterodine, fesoterodine, solifenancin, darifenancin en trospium chloride) bij de behandeling van UUI onderzocht en twee RCTs het effect van duloxetine bij SUI evalueerden. Uit drie studies bleek dat oxybutine geen effect had op urineverlies. Ook werd er geen verschil gevonden in bijwerkingen tussen de oxybutine-en placebogroepen. Acht RCTs lieten zien dat na behandeling met muscarine-antagonist (behalve oxybutine) het urineverlies verminderde. Uit een meta-analyse bleek dat muscarine-antagonist effectiever was in het vermindering van de frequentie van urineverlies vergeleken met placebo. Bijwerkingen kwamen vaker voor in de behandelingsgroepen. Er was een vergelijkbaar trend van bijwerkingen in onderzoeken van muscarine-antagonist (behalve oxybutine). Patiënten die behandeld werden met muscarine-antagonist hadden meer last van bijwerkingen zoals droge mond vergeleken met placebo. Daarnaast had de muscarine-antagonist-groep meer last van constipatie t.o.v. placebo. De auteurs concludeerden dat meer onderzoek nodig is om de effecten van duloxetine, mirabegron en oestrogeen bij ouderen te evalueren

Ebell et al. includeerde 10 RCT’s over de effectiviteit van diverse doseringen desmopressin versus placebo in patiënten van 55-75 jaar met nycturie (nachtelijke plas/mictiefrequentie ≥ 2) . Een zoekactie in de literatuur werd uitgevoerd tot november 2013. Een meta-analyse uit het onderzoek toonde aan dat desmopressin effectief was in de vermindering van het aantal mictie per nacht en een verlenging van de tijd tot de eerste urinelozing. Een subgroepanalyses lieten statistische significante reducties zien op het aantal mictie per nacht en tijd tot de eerste urinelozing (duur eerste slaapperiode in minuten) bij lager (<100mcg) en hoger doseringen desmopressin (≥ 100mcg). Concluderende is dat desmopressin een veilig en effectief behandeling lijkt te zijn van nycturie, vooral bij gezonde volwassenen. Het is aanbevolen om te beginnen met een dosering tussen 50 en 100mcg. Hogere dosering van desmopressin lijken niet effectiever te zijn en moeten met voorzichtigheid worden gebruikt. Een dosering tussen 25 en 50 mcg is aanbevolen te gebruiken bij oudere patiënten (>65 jaar) in verband met verhoogde kans op verwardheid.