Beschrijving studies en resultaten
Er werd een literatuuronderzoek uitgevoerd gericht op prognostische factoren die een slechter herstel na een delier voorspelden. Studies die de gevolgen van een delier beschreven werden ook geïncludeerd. Er werden zeven prospectieve cohortstudies en één systematische review geïncludeerd. De systematische review van Jackson (2016) zocht naar cohortstudies die voorspellers van een slechte delier uitkomst aanwezen.
Thuis
Er werden geen studies gevonden die thuis waren uitgevoerd. Omdat een deel van de cliënten met een delier recent uit het ziekenhuis was ontslagen, werden de in het ziekenhuis uitgevoerde studies ook beschreven.
Verpleeghuis
Eén studie was uitgevoerd in 90 verpleeghuizen in Zwitserland .
Resultaten
Uitkomstmaat Functioneren na een delier
Twee studies beschreven de gevolgen (functioneren) na een delier . Eén studie naar de gevolgen van postoperatief delier op de IC na een grote chirurgische ingreep bij 562 patiënten liet zien dat er meer sterfte was 6 maanden na een delier (OR 2.562, P<0,001) en dat een delier een risicofactor was voor persoonlijke afhankelijkheid (OR 2.188, P<0,046). De SF-36 liet zien dat er na een delier een grotere afname was in fysieke functie, vitaliteit en sociale functie .
Een cohortstudie bij 112 patiënten die hartchirurgie ondergingen (Koster 2009), liet zien dat mortaliteit verhoogd was na een delier (12,5% versus 4,5%, p=0,16), er meer heropnames in het ziekenhuis plaatsvonden (47,6% versus 32,6%, p=0,19) er meer geheugen- (31,6% versus 20,2%, p=0,39) en concentratieproblemen (36,8% versus 20,2%, p=0,13) waren en dat het geassocieerd was met slaapstoornissen (47,4% versus 23,8%, p=0,03).
Uitkomstmaat 1.2 Voorspellers aanhoudend delier
Eén studie liet zien dat kwetsbaarheid (zoals gemeten met de frailty index) een voorspeller was van delier in een cohort van 234 patiënten die waren opgenomen op een geriatrieafdeling. Ook functioneel herstel na 12 maanden was slechter bij kwetsbare patiënten.
Lam 2014 keek ook naar voorspellers van delier bij 234 patiënten van 65 jaar en ouder opgenomen op de geriatrische afdeling waarbij een delier was vastgesteld met de CAM. De volgende voorspellers werden gevonden: dementie OR 2,35 (95% BI [0,06 – 5,22]); delier ernst bij opname: OR 1,20 (95% CI [1,07 – 1,34]) en de delier ernst (DRS-R98 ernst op dag 1 min dag 3 van verblijf geriatrische monitoringseenheid (GMU)) OR 0,81 (95% BI [0,74 – 0,88).
De cohortstudie van Cole 2015 liet zien dat bij 278 patiënten van 65 jaar en ouder, die acuut werden opgenomen op een medische of chirurgische afdeling in een ziekenhuis, een lang aanhoudend delier vaak geassocieerd was met een diagnose van dementie OR 2,51 (95% CI 1,38 – 4,56), de aanwezigheid van een maligniteit OR 5,79 (95% CI [1,51; 22,19]) of een grotere ernst van het delier OR 9,39 [95% CI 3,95 – 22,35]).
Von Gunten (2013) keek naar voorspellers van het delier beloop bij cliënten opgenomen in 90 verzorgingshuizen in Zwitserland. De volgende voorspellers van het beloop van delier werden gevonden: de score op een cognitieve prestatieschaal (CPS), depressie, leeftijd, incontinentie, aantal medicijnen, BMI, aantal ziektes en het aantal nieuwe en recent voorgeschreven drugs. De verklaarde variantie (I2) van dit model was slechts 28%.
Uitkomstmaat 1.3 Voorspellers slecht herstel van delier
De systematische review van Jackson (2016) includeerde cohortstudies die voorspellers van een slechte delier uitkomst (mortaliteit, langere verblijfsduur, functionele achteruitgang in ADL activiteiten en institutionalisering) identificeerde. Er werden 27 studies geïncludeerd en de voorspellers konden worden ingedeeld in vier categorieën: delier-gerelateerde -, comorbiditeit gerelateerde -, cliënt gerelateerde- en biomarker gerelateerde voorspellers. De vijf meest gerapporteerde voorspellers waren duur van delier (acht studies), hypoactief delier (zeven studies), delier ernst (drie studies), dementie (zes studies) en depressie (vier studies). Een langere duur van delier zorgde in de meeste studies voor een slechtere uitkomst zoals meer mortaliteit, institutionalisering en een slechtere functionele uitkomst; maar twee studies lieten dit niet zien. Bij een hypoactief delier lieten vier studies een slechtere uitkomst zien en in drie studies maakte het geen verschil. Delier ernst werd in drie studies onderzocht met de MDAS en dit was geassocieerd met een slechtere uitkomst. De gelijktijdige aanwezigheid van dementie en depressie werd onderzocht in zes studies en de gerapporteerde uitkomst was slechter met meer mortaliteit, cognitieve achteruitgang en institutionalisering. De gelijktijdige aanwezigheid van delier en depressie leidde ook tot meer sterfte of opnames in verpleeghuizen (Jackson, 2016).
In de cohortstudie van Dasgupta 2014 werd tweederde van de populatie gebruikt om een model te ontwikkelen om slecht herstel (mortaliteit, langetermijnopname of functionele achteruitgang in ADL activiteiten) te voorspellen en daarin werden de volgende variabelen opgenomen: gevorderde leeftijd 1,14 (95% BI [1,01; 1,20]), lagere baseline ADL functie 0,88 (95% BI [0,78; 0,99]), hypoxie 2,28 (95% BI [1,12; 4,64]), hogere delier ernst score (MDAS): 1,16 (95% BI [1,06; 1,26]) en acuut nierfalen 2,69 (95% BI [1,10; 6,58]). Dit model werd gevalideerd met het overige deel (een derde) van de populatie. Het oppervlak onder de ROC-curve was 0,80 (95% BI [0,74; 0,85]) voor de groep waarin het model ontwikkeld werd en 0,68 (95% BI [0,57 – 0,79]) voor het validatiecohort.