Beschrijving studies en resultaten
Thuis
De inhoudelijke expertmeeting gaf aan dat de beste preventie waarschijnlijk bestaat uit het bieden van goede basiszorg zoals een optimale vochtintake, zorgdragen voor een goede uitscheiding (urine, ontlasting), urineweginfecties behandelen etc. De naaste/familie moet hierbij ook betrokken worden. Ook werd in de NVKG-richtlijn delier bij volwassenen en ouderen en in de literatuur bekeken welke andere preventieve activiteiten mogelijk zijn.
Eén studie was uitgevoerd in de thuissituatie. De studie van Simpson et al. (2019) is een case-control-studie en rapporteert resultaten van het Bundled HELP programma, een vervolg op het HELP programma van . Het HELP programma bestaat uit: screenen van cliënten bij opname gericht op zes delier risicofactoren: cognitieve achteruitgang, slaapproblemen, immobiliteit, uitdroging, zicht- of hoorproblemen en medicatie evalueren. Gerichte interventies gericht op deze factoren worden vervolgens opgestart. Uit een groot aantal verschillende zorgvuldig uitgevoerde onderzoeken blijkt dat met name de ernst en duur van het delier afneemt bij consequente toepassing van preventieve interventies (Basiszorg). Deze onderzoeken hebben echter plaatsgevonden binnen de ziekenhuissetting. Er bestaan verschillende varianten, waarbij onder andere vrijwilligers en/of familieleden betrokken worden bij de uitvoering van de interventies. Uitvoering van HELP lijkt een aantrekkelijke optie omdat de preventieve interventies eigenlijk passen binnen goede ‘basiszorg’ interventies (zorgdragen voor goede nachtrust, intake, cognitieve stimulering, mobiliseren).
De studie van Simpson et al. (2019) is een case-control-studie en deze paste het Bundled HELP programma toe wanneer wijkverpleging werd ingezet. De interventie omvatte oriëntatie en therapeutische activiteiten (bijv. klok in kamer, samen naar de agenda kijken en geplande activiteiten bespreken, de krant lezen), aandacht voor mobiliseren (in beweging komen door bijv. samen lopen of passieve bewegingsoefeningen), eten/intake (bijv. zorgen voor drie maaltijden per dag, aanmoediging tijdens het eten), drinken/intake hydratie (bijv. aanmoediging om te drinken, zorgen dat regelmatig drinken aangeboden wordt), gezichts- en gehoorvermogen (zorgen voor de aanwezigheid van goed functionerend gehoorapparaat en bril), en slaapbevordering (bijv. faciliteren van ruisonderdrukking, beschikbaar maken van niet-farmacologische slaaphulpmiddelen, zie ook richtlijn Slaapproblemen bij Ouderen) en werd thuis uitgevoerd door verpleegkundigen, verzorgenden, fysiotherapeuten, ergotherapeuten en logopedisten. Cliënten werden in het ziekenhuis voor ontslag geïncludeerd in deze studie, en kregen gemiddeld 13,4 bezoeken door de wijkverpleging tijdens de interventie, die 30 dagen duurde. Het was niet bekend of ze al dan niet een delier hadden gehad tijdens de ziekenhuisopname. Cliënten van 65 jaar of ouder werden geïncludeerd en cliënten in de palliatieve zorg werden geëxcludeerd. Cases waren cliënten die tussen 1 mei 2016 en 30 september 2017 met het Bundled HELP programma naar huis werden ontslagen (n=148). Controles waren cliënten die tussen 1 januari 2015 en 30 april 2016 – voor implementatie van het Bundled HELP programma – opgenomen in het ziekenhuis en daarna werden ontslagen naar huis (n=148). Controles werden gematcht met de cases op basis van de Charlson Comorbidity Index (CCI) score, primaire diagnose/orthopedische aandoening/letsel, en cardiovasculaire ziekte. Uitkomstmaten waren incident delier, gemeten met de Confusion Assessment Method (CAM), en ziekenhuisopname in de studieperiode.
In de niet-gerandomiseerd en niet geblindeerde studie van Simpson et al. (2019) ontwikkelde 2% (3 van 148) van de deelnemers in de interventiegroep, en geen van de deelnemers (0 van 148) die gebruikelijke zorg ontvingen een delier.
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar over de uitkomstmaten delier vermindering, cognitieve en fysieke functieverandering, of overlijden in verband met acute medische aandoeningen onder thuiswonende kwetsbare ouderen en volwassenen.
Verpleeghuis
Twee studies over de verpleeghuissituatie werden geïncludeerd.
In de niet-geblindeerde studie van Culp et al. (2003) werden resultaten gerapporteerd van een interventie om de vochtintake te verbeteren. Per individu werd de vloeistofbehoefte berekend op basis van het lichaamsgewicht. De interventie werd door verpleegkundigen ondersteund en duurde vier weken. Cliënten met een terminale ziekte, met sondevoeding via een maagsonde in de slokdarm of maag, met ernstig nier- of hartfalen, urineweginfectie, of een serum natrium boven 135 mEq/L werden geëxcludeerd. De interventiegroep van de studie bevatte 53 deelnemers, en de controlegroep bevatte 45 cliënten die gebruikelijke zorg ontvingen. Uitkomstmaten waren acute verwardheid (we nemen aan dat hiermee delier werd bedoeld), gemeten met The Neelon and Champagne Confusion Scale (NEECHAM), en mortaliteit. De interventie werd in zeven verpleeghuizen uitgevoerd.
Culp et al. (2003) rapporteerden dat 6% van de deelnemers in de interventiegroep en 7% van de deelnemers die gebruikelijke zorg ontvingen acute verwardheid ontwikkelden. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten een verlaagd risico op acute verwardheid in de interventiegroep zien. De effectschatting was echter zeer imprecies (RR 0.85, 95% BI 0.18;4.00), en onbetrouwbaar door onvoldoende power (98 deelnemers en 6 events). Het is dus onduidelijk of de interventie een effect had op het risico op acute verwardheid.
Siddiqi et al. (2016) voerden een RCT uit in 14 verpleeghuizen. De verpleeghuizen werden gerandomiseerd naar een interventie, met drie opleidingsmomenten voor het personeel in de verpleeghuizen van een verpleegkundige met expertise op het gebied van delier, of gebruikelijke zorg. Blindering was niet mogelijk in deze studie. De interventiegroep bevatte 103 deelnemers en de controlegroep 112 deelnemers, en de deelnemers werden gedurende 16 maanden gevolgd. De helft van de deelnemers in de interventiegroep en een derde van de deelnemers in de controlegroep hadden een diagnose dementie. Uitkomstmaten waren incident delier en mortaliteit, delier werd met CAM beoordeeld. Er was geen blindering, dus er is risico op bias.
In de studie van Siddiqi et al. (2016) ontwikkelden 20% van de deelnemers in de interventiegroep en 15% van de deelnemers in de controlegroep delier. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten een verhoogd risico op incident delier in de interventiegroep zien. De effectschatting was echter zeer imprecies (RR 1,4, 95 % BI 0,6; 3,0). Verder overleden 18% (19 van 103) van de deelnemers in de interventiegroep en 25% (28 van 84) van de deelnemers in de controlegroep. Er was geen statistische vergelijking, maar berekeningen lieten zien dat het risico op overlijden in de interventiegroep verlaagd was (RR 0,74, 95% BI 0,44; 1,24). De effectschatting was imprecies (omvat zowel een klinisch relevant verlaagd risico als een klinisch relevant verhoogd risico) en niet statistisch significant.
Er waren geen onderzoeksgegevens beschikbaar voor delier remissie, ziekenhuisopname, cognitieve en fysieke functieverandering onder kwetsbare ouderen en volwassenen in verpleeghuizen.