Uit de praktijk is gebleken dat de problematiek bij tbc-patiënten in Nederland steeds complexer wordt. Diverse obstakels kunnen het verstrekken van adequate zorg verhinderen. Zo hebben tbc-patiënten regelmatig sociale, psychische en/of financiële problemen. Daarnaast heeft een deel van de patiënten lage taal- en gezondheidsvaardigheden. Deze factoren -en vooral combinaties hiervan- vormen een uitdaging in het ontwikkelen van de patiënt-verpleegkundige relatie. Ook cultuurverschillen, voornamelijk de omgangsvormen tussen mannen en vrouwen, en omgang met ziekte, taboe en stigma vormen soms een barrière in het ontwikkelen van een patiënt-verpleegkundige relatie. Ervaring leert dat sommige patiënten een diepgaand wantrouwen hebben ten opzichte van overheidsinstanties en zorginstanties. Dit wantrouwen komt voort uit slechte ervaringen met dergelijke instanties zowel in Nederland, als in het land van herkomst.

Daarnaast komt er ook een aantal praktische knelpunten naar voren in de praktijk; problemen met het contacteren van patiënten, patiënten die niet beschikken over een telefoon/ andere digitale middelen, grote reisafstanden, tussentijdse overplaatsing van asielzoekers, niet nakomen van afspraken en andere partijen die invloed hebben op de patiënt, bijvoorbeeld de werkgever.

Een belangrijk praktisch probleem is het gebrek aan tijd beschikbaar voor het verlenen van zorg door de tbc-verpleegkundige. Hoewel persoonlijk contact wordt gezien als belangrijk voor het ontwikkelen van een goede relatie, wordt hierom soms (sneller) gekozen voor een telefonisch consult.

Op dit moment is er geen eenduidige praktijk voor de ondersteuning van de medicatie inname. Uit werkgroepoverleg en focusgroepdiscussies blijkt dat een persoonsgerichte benadering van  groot belang is om tot een succesvolle afronding van de behandeling te komen. Daarbij bepalen tbc-verpleegkundige en patiënt samen de aard en frequentie van de contacten en wordt er aan de hand van een risico-inschatting (module 1) bepaald of extra interventies nodig zijn ter ondersteuning van de therapietrouw van de patiënt. Omdat er nog geen gestandaardiseerde methode voor is, wordt er een risico-inschatting gemaakt betreft de therapietrouw van de patiënt. De tool in de V&VN richtlijn Medicatietrouw kan hiervoor worden gebruikt . Aan de hand daarvan wordt er bepaald of extra interventies ter ondersteuning van medicatie-inname noodzakelijk zijn. Niet alleen aan het begin van de behandeling wordt deze risico-inschatting gedaan maar ook gedurende de behandeling zal dat worden geëvalueerd.

Mondelinge en schriftelijke voorlichting over tuberculose, TBI, de behandeling, medicatie-inname en het eventueel optreden van bijwerkingen vormen een standaard onderdeel van de zorg voor personen met tuberculose. De patiënt wordt geadviseerd om, indien er sprake is van bijwerkingen, contact op te nemen met de tbc-verpleegkundige.

In de praktijk wordt een aantal additionele interventies ingezet, die niet naar voren zijn gekomen uit het literatuuronderzoek. Zo benadrukken de zorgverleners naast het gebruik van DOT/VOT, ook het belang van een goede patiënt/verpleegkundige relatie, taal- en cultuur sensitieve voorlichting en psychosociale en economische ondersteuning. DOT kan worden uitgevoerd door de tbc-verpleegkundigen zelf, door de thuiszorg of andere betrokken hulpverleners of vertrouwenspersonen, of door derden zoals een familielid. Ook de weekdoos voor de medicatie wordt veelvuldig ingezet. De tbc-verpleegkundige verstrekt een medicijndoos aan de patiënt. Tijdens de eerste intake kunnen de patiënt en de tbc-verpleegkundige de medicijndoos samen vullen, waarna een foto gemaakt kan worden voor de patiënt ter ondersteuning bij het vullen van de volgende keer, en de tbc-verpleegkundige kan dan weer via een foto van de patiënt controleren of de medicijndoos correct is gevuld. Een alternatief is de Baxter-rol. Hierbij zijn de medicijnen in doorzichtige zakjes per innamemoment verpakt. Dit kan door de tbc-verpleegkundige bij de apotheek worden aangevraagd. Verder adviseren tbc-verpleegkundigen de patiënt om een alarm op hun telefoon aan te zetten als geheugensteuntje voor de inname van medicatie. Voor kinderen kan gewerkt worden met een beloningssysteem, via bv. stickers.  

Indien blijkt dat ambulant verpleegkundige interventies niet voldoende ondersteuning bieden, dan overweegt de tbc-verpleegkundige met de patiënt en de (behandelend) arts een doorverwijzing naar een (gespecialiseerd) ziekenhuis.

Ondersteuning die de patiënt ontvangt, reikt verder dan enkel het direct begeleiden van de behandeling. De patiënt kan aanspraak doen op financiële ondersteuning, bijvoorbeeld voor transport of voldoende gezonde voeding. In geval van psychosociale of verslavingsproblematiek kan de patiënt worden doorverwezen naar de desbetreffende zorginstantie. Verpleegkundigen of patiënten kunnen daarvoor een aanvraag indienen bij verscheidene instanties zoals het Fonds Bijzondere Noden, Bijzondere bijstand of andere lokale/regionale initiatieven. Uit de praktijk is ook gebleken dat patiënten behoefte hebben aan lotgenotencontact, er bestaan verschillende initiatieven waar patiënten gebruik van kunnen maken (zie module 4).