Niet-medicamenteuze interventies hebben de voorkeur bij de behandeling van UI in vergelijking met medicatie. Niet-medicamenteuze interventies geven geen of nauwelijks bijwerkingen. De werkgroep vindt het essentieel om dit te benoemen in deze module. Daarnaast zijn er weinig verpleegkundigen in de wijkverpleging die medicatie mogen voorschrijven. De werkgroep vindt het belangrijk dat de aanbevelingen voor dit onderwerp relevant zijn voor een groot deel van de professionals in de wijkverpleging en niet alleen voor een kleine selectieve groep. Wel denkt de werkgroep dat alle professionals in de wijkverpleging moeten kunnen signaleren als cliënten nadelige bijwerkingen ontwikkelen. Daarom zijn deze aanbevelingen ook sterk geformuleerd.
Omdat het voorschrijven van medicatie wordt gedaan door verpleegkundig specialisten en artsen vond de werkgroep het niet ideaal om in deze richtlijn precieze aanbevelingen voor dosering op te stellen of aanbevelingen te maken welke medicatie de voorkeur heeft in welke populatie. De werkgroep wil voorkomen dat de aanbevelingen in deze richtlijn afwijken van de aanbevelingen die worden gedaan door NHG of Farmacotherapeutisch Kompas. Daarnaast verwacht de werkgroep dat verpleegkundig specialisten bij medicatie de richtlijnen gebruiken die voor artsen zijn opgesteld. Als zij afwijken van de medicatierichtlijnen horen zij dat met een reden te doen en te registeren waarom. Toch vindt de werkgroep het belangrijk dat verzorgenden en verpleegkundigen in de wijkverpleging op de hoogte zijn van welke type medicatie beschikbaar zijn, welke bijwerkingen zij hebben, en welke plek medicatie heeft in de behandeling van UI. Ook kunnen ze letten op goed gebruik van de medicatie. In het geval wijkverpleging constateert dat medicatie niet juist wordt ingenomen, het gewenste effect niet heeft of nadelige effecten heeft zou de cliënt advies gegeven kunnen worden, maar zou ook overwogen kunnen worden de voorschrijver van de medicatie te raadplegen