Het is belangrijk om als zorgprofessional te weten wie je voor je hebt. Hoe identificeert iemand zich? Is die persoon religieus en speelt dit een rol? Tot wie voelt deze persoon zich aangetrokken? Etc. Dit kan allemaal van invloed zijn op de signalen die de patiënt afgeeft rondom seksuele gezondheid. Het is belangrijk hier als zorgprofessional zicht op te hebben. Naast deze elementen van iemands identiteit, zijn er ook andere elementen die niet direct in verband staan met veranderende seksuele gezondheid, maar wel van invloed kunnen zijn op. Denk hierbij aan een patiënt met verblijfskatheter, amputatie van ledematen, status na CVA, verminderde energie van de cliënt, toename van stijfheid, post IC syndroom, lang verblijf op IC. Dit kan allemaal invloed hebben op iemands seksuele gezondheid.

In een recente peiling van V&VN onder haar leden is gevraagd aan welke signalen men merkt dat er sprake is van veranderende seksuele gezondheid bij de patiënt. Dit verschilt per setting. In de wijkverpleging zijn ongeremd gedrag/delirium/manie (32%), (non-)verbale uitingen/opmerkingen (17%) en de patiënt die vertelt over verandering (13%) de belangrijkste signalen. In verpleeg- en verzorgingshuizen is het ongeremd gedrag/delirium/manie (39%), (non-)verbale uitingen/opmerkingen (13%) en handtastelijkheden. In ziekenhuizen gaat het over ongeremd gedrag/delirium/manie (30%), patiënt vertelt over verandering (19%) en medicijnen/behandeling (17%) .

Het kunnen signaleren van veranderde seksuele gezondheid omvat dat het gesprek daarover op initiatief van de verpleegkundige/verzorgende wordt aangegaan . Het is hierbij wenselijk dat seksualiteit een onderdeel is van een integrale/holistische benadering van de patiënt/cliënt/ bewoner en een standaard plek krijgt binnen de zorg, ook in de zorg voor mensen op oudere leeftijd . Naast goede communicatiestijlen aanleren, dienen zorgprofessionals meer kennis te vergaren over seksuele gezondheid . Op de websites van De Nederlandse Federatie van Kankerpatiënten organisaties (NFK), Zorg voor beter en websites van Rutgers worden laagdrempelige tips aan zorgverleners gegeven om het onderwerp aan te kaarten tijdens een gesprek met de patiënt.

De verpleegkundige diagnostiek van de North American Nursing Association (NANDA, 1973) en de Nursing Intervention Classification (NIC) geven beide handvatten in het ordenen en classificeren van de verpleegkundige diagnosen en daarbij horende verpleegkundige interventies. Deze verpleegkundige diagnosen en interventies worden in de initiële verpleegkundige opleiding op MBO en HBO niveau aangeleerd, veelal via een handzaam boekje, waarin beiden zijn samengebracht per diagnose. Dit ‘Zakboek voor verpleegkundige diagnosen’ is een bruikbare handleiding die voornamelijk wordt ingezet in de ziekenhuiszorg, seksueel functioneren wordt hierin benoemd. Het is een handzame samenvatting van wat er in NANDA, NIC en NOC wordt toegelicht (bijlage 6). Met behulp van de NANDA-International-taxonomie worden verpleegkundige diagnoses gesteld. Door middel van 13 domeinen wordt op een gestructureerde manier een verpleegkundige diagnose gesteld. Met behulp van de NOC worden vervolgens de gewenste zorgresultaten beschreven. Tenslotte zijn met behulp van de NIC de bijbehorende interventies uitgewerkt.
In de verpleeghuiszorg en thuiszorg wordt voornamelijk gebruik gemaakt van het Omaha systeem, bestaande uit verschillende zorgdomeinen. Dit systeem is een classificatie die verpleegkundige/verzorgende helpt bij het identificeren en vastleggen van aandachtsgebieden, acties en uitkomsten van en voor cliënten.
In de Nederlandse ziekenhuizen is het model van Gordon met de 11 gezondheidspatronen algemeen geaccepteerd en opgenomen in het EPD en biedt structuur aan de anamnese. Binnen deze 11 gezondheidspatronen zijn alle aspecten van het menselijk functioneren opgenomen en kan worden bepaald bij opname of hierin tekorten zijn. Tot slot word het ICF-model8 (International Classification of Functioning, Disability and Health, 2018) als bruikbaar classificatie instrument aanbevolen. Dit is een veelgebruikt model dat het functioneren van patiënten in hun sociale context in kaart kan brengen. Iemands gezondheidstoestand is met behulp van het ICF te karakteriseren in lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen en activiteiten en participatie. Van dit model is ook een Nederlandse versie beschikbaar.