Uitgangsvraag 3: Welke maatregelen zijn effectief en worden aanbevolen als basis infectiepreventiemaatregelen bij alle cliënten in alle verpleegkundige zorgsettings?

Handhygiëne

1. Pas handhygiëne toe bij de volgende vijf momenten van cliëntgebonden werkzaamheden:

  1. voorafgaand aan lichamelijk contact met de cliënt;
  2. voorafgaand aan een schone of aseptische handeling;
  3. na (mogelijk) contact met lichaamsmaterialen en lichaamsvloeistoffen;
  4. na lichamelijk contact met de cliënt;
  5. na contact met de cliëntgebonden omgeving.

Overige, niet-patiëntgebonden, momenten voor het toepassen van handhygiëne staan beschreven in de bijlagen.

2. Maak bij niet-zichtbaar verontreinigde handen gebruik van handdesinfectans.

Techniek voor handdesinfectie
Zorg dat je handen droog zijn. Vocht maakt het desinfecterende middel dunner. Daardoor werkt het veel minder. Neem zo veel handalcohol dat het kuiltje van je hand vol is. Wrijf gedurende 30 seconden de handen tegen elkaar tot de handen droog zijn, volgens de drie volgende stappen:

  1. Wrijf handpalmen over elkaar en wrijf met de handpalmen over de bovenzijde van de handen;
  2. Wrijf de vingertoppen in de palm van de andere hand;
  3. Wrijf beide duimen met de vingers van de andere hand.

Als alternatief kunnen de volgende zes stappen worden gevolgd:

  1. Wrijf de handen over elkaar
  2. Wrijf tussen de vingers
  3. Wrijf aan de bovenzijde van de hand tussen de vingers
  4. Wrijf je twee vuisten in elkaar
  5. Wrijf elke vinger en de duimen apart met je gehele hand in
  6. Wrijf met je nagels in de handpalm

3. Was de handen met water en zeep bij zichtbaar vuil, bij plakkerig aanvoelen, na bezoek van het toilet en na het snuiten van je neus en hoesten.

Techniek voor handen wassen
Maak je handen nat en breng voldoende vloeibare zeep aan om de handen mee te bedekken. Wrijf gedurende 30 seconden de handen tegen elkaar, volgens de volgende stappen:

  1. Bedek alle oppervlakken van je handen;
  2. Wrijf de vingertoppen in de palm van je andere hand;
  3. Wrijf beide duimen met de vingers van je andere hand;
  4. Spoel de handen af met water en droog grondig met een wegwerp handdoek;
  5. Doe de kraan dicht zonder met de handen de kraan aan te raken, gebruik bijvoorbeeld een wegwerp handdoek.

Let op!

Persoonlijke hygiëne

Nagels

4. Houd je vingernagels kort en schoon.

5. Draag geen nagellak of kunstnagels (van bijvoorbeeld gel of acryl) op je vingernagels.

Sieraden

6. Draag tijdens de werkzaamheden geen sieraden/accessoires aan handen en polsen zoals ringen, armbanden, piercings, horloges en braces. Vermijd lange oorbellen of kettingen die contact kunnen maken met het werkveld

Haar en gezicht

7. Draag lang haar bijeengebonden of opgestoken.

8. Zorg voor een kortgeknipte baard/snor die niet in contact kan komen met (de omgeving van) de cliënt of de voorkant van de werkkleding. Draag indien nodig een baardmasker.

9. Raak met je handen zo min mogelijk je eigen gezicht (vooral rond mond, ogen, neus) of haar aan.

Schoeisel

10. Draag dicht schoeisel dat schoon en goed te reinigen is.

11. Reinig schoeisel met zichtbare verontreinigingen direct. Reinig en desinfecteer schoeisel wanneer er lichaamsmateriaal op is gekomen. Zie voor de procedure van reiniging en desinfectie aanbeveling 70 t/m 72.

Mobiele communicatieapparatuur

12. Gebruik mobiele communicatieapparatuur niet tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Indien het noodzakelijk is om mobiele communicatieapparatuur te gebruiken tijdens cliëntgebonden werkzaamheden: zie aanbeveling 67 t/m 72.

Werk- en dienstkleding

13. Draag gedurende elke dienst schone werk- of dienstkleding:

14. Draag werk- of dienstkleding:

15. Trek werk- of dienstkleding zo kort mogelijk voor aanvang van de dienst aan en direct na afloop van de dienst uit

16. Draag op of over werk- of dienstkleding geen sieraden of andere accessoires.

17. Verschoon werk- of dienstkleding direct bij zichtbare verontreiniging.

Hoest-, snuit- en toilet hygiëne

18. Hoest/nies met een afgewend gezicht met een papieren zakdoek/tissue voor je mond of hoest/nies in de elleboog.

19. Gebruik een papieren zakdoek/tissue bij het snuiten van je neus.

20. Gebruik een papieren zakdoek/tissue eenmalig en gooi deze na gebruik direct weg.

21. Was je handen na gebruik van een zakdoek en na toiletbezoek

Eten en drinken

22. Eet of drink nooit tijdens zorghandelingen en in ruimten waarin cliëntgebonden werkzaamheden plaatsvinden of waar wordt gewerkt met cliëntmateriaal.

23. Pas handhygiëne toe voor het klaarmaken van eten en medicijnen voor de cliënt en voor hulp bij de maaltijd.

24. Pas handhygiëne toe voor- en nadat je zelf gaat het eten.

25. Blaas niet in het eten van cliënten om het te laten afkoelen

Persoonlijke beschermingsmiddelen

Handschoenen (niet-steriel)

26. Draag handschoenen:

27. Gebruik handschoenen altijd maar één keer.

28. Gebruik handschoenen alleen voor de handeling waarvoor je ze aandoet, doe ze daarna weer uit. Voor gebruik van handschoenen

29. Pas vóór gebruik van handschoenen handhygiëne toe in overeenstemming met de geformuleerde handhygiëne momenten. Zorg ervoor dat je handen goed droog zijn. Gebruik handschoenen dus niet in plaats van handhygiëne.

30. Gebruik handschoenen bij voorkeur direct uit de doos. Als dit niet kan, bewaar ze dan in bijvoorbeeld een afsluitbaar zakje (ziplock), niet in je (broek)zak of los in de tas.

Tijdens gebruik van handschoenen

31. Zorg dat de handschoenen tijdens het gebruik niet in contact komen met:

Verwisselen van handschoenen

32. Verwissel de handschoenen:

33. Was of desinfecteer de handen tussen het verwisselen van de handschoenen.

Na gebruik van handschoenen

34. Trek na gebruik de handschoenen uit door deze bij de opening voorzichtig beet te pakken en de binnenkant naar buiten te trekken. Zorg dat de gehandschoende hand daarbij je huid niet aanraakt en je niet- gehandschoende hand de vieze kant van de handschoen niet aanraakt.

35. Voer de handschoenen na gebruik af als gewoon afval conform het afvalstoffenbeleid van de instelling, tenzij anders wordt voorgeschreven.

36. Pas direct na het afvoeren van de handschoenen handhygiëne toe.

Let op! – Pas nooit handhygiëne toe op gehandschoende handen, ook niet als alternatief voor het verwisselen van handschoenen.

Beschermende kleding (schort)

37. Draag beschermende kleding als er kans is dat je werkkleding of eigen kleding in contact komt met slijmvliezen, niet-intacte huid en/of kleine hoeveelheden lichaamsvocht (verontreiniging) of nat wordt tijdens hulp bij het douchen of baden van een patiënt.

38. Gebruik beschermende kleding eenmalig.

Verwisselen van beschermende kleding

39. Verwissel beschermende kleding na elk cliëntgebonden contact en eerder bij zichtbare verontreiniging.

Na gebruik van beschermende kleding

40. Trek de beschermende kleding uit, waarbij je de binnenkant naar buiten klapt en oprolt. Zorg daarbij dat de vieze kant niet in contact komt met je huid of de omgeving.

41. Voer beschermende kleding na gebruik af als gewoon afval conform het afvalstoffenbeleid van de instelling, tenzij anders wordt voorgeschreven.

42. Pas direct na het afvoeren van de beschermende kleding handhygiëne toe.

Chirurgisch mondneusmasker type IIR

43. Draag een chirurgisch mondneusmasker wanneer er kans is dat je mond en/of neus in contact komen met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum).

44. Gebruik een chirurgisch mondneusmasker eenmalig.

Verwisselen van het chirurgisch mondneusmasker

45. Verwissel het chirurgisch mondneusmasker conform de bijsluiter van de fabrikant, en in elk geval na elk cliëntgebonden contact en eerder als deze verontreinigd en/of nat is.

Na gebruik van het chirurgisch mondneusmasker

46. Raak bij het verwijderen de voorkant van het masker niet aan.

47. Voer het chirurgisch mondneusmasker na gebruik af als gewoon afval conform het afvalstoffenbeleid van de instelling, tenzij anders wordt voorgeschreven.

48. Pas direct na het afvoeren van het chirurgisch mondneusmasker handhygiëne toe.

Oogbescherming

49. Draag een oogbeschermingsmiddel wanneer er kans is dat je ogen in contact komen met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum). Zorg dat de oogbescherming je ogen en de zijkant van je ogen bedekt en goed aansluit op je gezicht.

50. Gebruik oogbescherming altijd in combinatie met een chirurgisch mondneusmasker.

Verwisselen van oogbescherming

51. Verwissel de oogbescherming na elk cliëntgebonden contact en als deze verontreinigd/nat is.

Na gebruik van oogbescherming

52. Verwijder na gebruik het oogbeschermingsmiddel door de bandjes of de pootjes beet te pakken en raak daarbij de voorkant van het oogbeschermingsmiddel niet aan met je handen.

53. Reinig en desinfecteer een oogbeschermingsmiddel voor hergebruik volgens voorschrift van de fabrikant met een desinfectans dat hiervoor is toegelaten.

54. Voer het wegwerp oogbeschermingsmiddel na gebruik af als gewoon afval conform het afvalstoffenbeleid van de instelling, tenzij anders is voorgeschreven.

55. Pas direct na het verwijderen of afvoeren van het oogbeschermingsmiddel handhygiëne toe.

Aan- en uittrek volgorde van meerdere persoonlijke beschermingsmiddelen

56. Aantrekvolgorde als meerdere persoonlijke beschermingsmiddelen worden gecombineerd:

  1. beschermende kleding (schort);
  2. chirurgisch mondneusmasker;
  3. beschermende bril;
  4. handschoenen.

57. Uittrekvolgorde als meerdere persoonlijke beschermingsmiddelen worden gecombineerd:

  1. handschoenen, pas hierna handhygiëne toe;
  2. beschermende bril;
  3. chirurgisch mondneusmasker;
  4. beschermende kleding (schort), pas hierna handhygiëne toe.

Veilig gebruik van naalden en scherpe voorwerpen

57. Maak gebruik van een veilig naaldsysteem (volgens Arbowet artikel 4.97).

58. Gebruik naalden eenmalig.

59. Zet hoesjes nooit terug over de naald, gooi de naald direct na gebruik in een naaldcontainer met het UN-keurmerk.

60. Zorg dat de naaldcontainer tijdens de handeling binnen handbereik staat.

61. Doe naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die huid of slijmvlies doorboren, direct na gebruik in een naaldcontainer met het UN-keurmerk. Doe het scherpe afval nooit in een gewone afvalemmer.

62. Vul een naaldcontainer niet voorbij de vullijn; druk de inhoud niet aan. Sluit het deksel, bewaar de containers altijd in een gesloten ruimte en in de thuiszorg buiten bereik van kinderen. Lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van de instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Reiniging en desinfectie van cliëntomgeving en materialen

Cliëntomgeving

64. Een schone cliëntomgeving en schoon sanitair zijn voorwaarden om hygiënisch te kunnen werken. Indien de cliëntomgeving en/of het sanitair onvoldoende schoon of zichtbaar vies is:

Verpleegkundig materiaal

65. Reinig verpleegkundig materiaal:

66. Wanneer verpleegkundig materiaal verontreinigd is met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je na reinigen te desinfecteren.

Mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen zoals sleutels, druppels of pasjes

67. Reinig mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen aan het begin en aan het einde van de dienst en bij verontreiniging.

68. Gebruik mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen niet tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Indien dat niet mogelijk is:

69. Bij verontreiniging van toegangsmiddelen met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je na het reinigen te desinfecteren.

Procedure reiniging

70. Gebruik bij reiniging bij voorkeur een klam vochtige wegwerp microvezeldoek. Gebruik bij andere reinigingsmethoden altijd de op de verpakking aangegeven concentratie van een reinigingsmiddel.

Procedure reiniging & desinfectie

71. Bij verontreiniging met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je als volgt te handelen:

  1. Maak gebruik van wegwerphandschoenen (conform aanbevelingen 25 t/m 35);
  2. Neem indien nodig vocht op met behulp van een tissue;
  3. Reinig het materiaal grondig met een klam vochtige microvezeldoek;
  4. Het gereinigde materiaal drogen;
  5. Het gereinigde materiaal desinfecteren;
  6. Doe de handschoenen uit en pas handhygiëne toe.

72. Desinfecteer alleen met desinfectans conform het beleid van de organisatie. Let hierbij op de inwerktijd en het soort waartegen het middel werkzaam is.

Let op! – – Niet desinfecteren als reinigen voldoende is. Altijd eerst reinigen vóór desinfectie.