Voor het beantwoorden van deze uitgangsvraag is gebruikgemaakt van wetenschappelijke literatuur, richtlijnen, en de kennis van de werkgroep. (Verpleegkundige) handelingen gericht op FI zijn zeer beperkt onderzocht bij ouderen in de thuissituatie. Er zijn geen studies gevonden die alleen flatus incontinentie bij ouderen beschreven. De dertien gevonden studies gingen meestal over interventies waarbij het besluit of het ingezet moet worden de verantwoordelijkheid is van bijvoorbeeld de huisarts of bekkenfysiotherapeut (bijvoorbeeld medicatie of bekkenbodemspiertraining) en waarbij de wijkverpleging slechts bij de uitvoering betrokken zou kunnen zijn. Een uitzondering is educatie/advies geven waarover bewijs wordt gevonden in twee primaire studies en een SLR. De kwaliteit van het gevonden bewijs in primaire studies was laag; slechts één van de gevonden studies scoorde voldoende volgens JBI-checklists voor het kritische beoordelen van RCT en quasi-experimentele studies, de andere studies scoorden laag. De meeste studies waren klein; acht van de tien gevonden studies hadden studiepopulatie kleiner dan 100. Ook was het niet goed mogelijk om verschillende studies met elkaar te vergelijken en GRADE methodiek toe te passen vanwege de verschillen in interventies, studiepopulaties en uitkomstmaten. Daarnaast werden er ook drie SLRs gevonden, waarvan de methodologische kwaliteit (AMSTAR-2) is beoordeeld als goed (n=1) en matig (n=2). De GRADE methodiek gaat uit van primaire studies en deze SLRs hebben wij in hun geheel meegenomen en beschreven. Er werd weinig bewijs gepresenteerd door de SLRs over behandelinterventies voor FI. Twee SLRs noemden dat er grotere RCTs van goede kwaliteit nodig zijn om conclusies te trekken over het inzetten van behandelinterventies voor FI. Alles samenvattend, er is weinig zekerheid over de werking van de verschillende gevonden behandelinterventies voor FI bij ouderen in de thuissituatie.

Voor het opstellen van de aanbevelingen is naast wetenschappelijke literatuur ook gebruikgemaakt van verschillende richtlijnen. Doordat er beperkt onderzoek is gedaan naar interventies bij FI, zijn aanbevelingen in nationale en internationale richtlijnen over FI niet alleen gebaseerd zijn op wetenschappelijke literatuur maar ook op expert opinion. Deze richtlijnen richten zich niet specifiek op verpleegkundige zorg.

In de richtlijnen worden verschillende definities gebruikt voor fecale of anale incontinentie (inclusief of exclusief flatus incontinentie). Drie richtlijnen gebruiken een definitie van FI die alleen op feces gericht is niet op flatus incontinentie . De Evidence Statement van het KNGF, specificeerde aanbevelingen voor zowel FI als AI waarbij flatus incontinentie binnen de definitie van AI hoort, maar niet binnen de definitie van FI . De richtlijn van de American Society of Colon and Rectal Surgeons beschrijft aanbevelingen voor FI, waarbij flatus incontinentie binnen de definitie van FI hoort .

Richtlijnen van de International Continence Society (ICS) en het KNGF adviseren patiëntenvoorlichting te geven over darmfunctie en stoornissen, FI en beschikbare therapieën. Daarbij hebben richtlijnen van ICS, National Institute for Health and Care Excellence (NICE), American Society of Colon and Rectal Surgeons en een Europese richtlijn allemaal aanbevelingen opgesteld om educatie en advies te geven specifiek over toiletroutines en/of voeding. Deze aanbevelingen zijn gebaseerd op expert opinion of laag/zeer laag kwaliteit bewijs. Verder worden de volgende interventies aanbevolen in minstens één richtlijn: bekkenbodemspiertraining, medicatie (anti-diarree medicatie, bulkvormende laxantia, klysma’s en zetpillen), gebruik van vezels zoals psyllium, elektrostimulatie, anale plugs en darmspoelingen. Over het algemeen is dit op basis van expert opinion, of laag/zeer laag kwaliteit bewijs. Ondanks dat deze richtlijnen niet specifiek over (kwetsbare) ouderen gaan, denkt de werkgroep dat de aanbevelingen grotendeels overgenomen kunnen worden.