De tekst in de module is grotendeels overgenomen uit de oude V&VN richtlijn (2010). Destijds is per interventie gekeken naar kwaliteit van bewijs door middel van de Overview Quality Assessment Questionnaire (OQAQ) . Twintig SLRs werden in eerste instantie geïncludeerd. Op basis van kwaliteit werden 18 studies geïncludeerd. Drie studies werden geëxcludeerd vanwege te lage kwaliteit. In deze huidige module zijn geen nieuwe primaire studies toegevoegd in vergelijking met de oude richtlijntekst (zie ook verantwoording Bijlage 7). Ook zijn de gebruikte bronnen uit de oude richtlijntekst niet opnieuw beoordeeld op kwaliteit. Er is in deze module geen beoordeling volgens GRADE. De GRADE methodiek is niet goed geschikt voor het beoordelen van sterkte van bewijs gepresenteerd in SLRs en richtlijnen, omdat de methodiek uitgaat van primaire studies. Wel is toegevoegd of we aan de hand van de SLRs en richtlijnen zekerheid hebben over het bewijs, of dat de aanbevelingen grotendeels zijn gebaseerd op expert opinion.

Voor alle interventies beschreven in deze richtlijn, is minstens één SLR geïncludeerd van hogere kwaliteit (OQAQ-score van 5 of hoger). Er zijn geen studies geïncludeerd die gaan over wensen en behoeften van cliënten, of over het evalueren van interventies. Voor bewijs over het mictiedagboek en vragenlijsten voor kwaliteit van leven verwijzen we naar de module over diagnostiek waar deze instrumenten uitvoeriger beschreven worden. Hieronder gaan we verder in op de kwaliteit van bewijs per onderwerp.

Informeren van de cliënt en het monitoren van de inventies
Er zijn geen wetenschappelijke studies gevonden die beschrijven hoe een cliënt geïnformeerd en geadviseerd kan worden door een verzorgende of verpleegkundige over incontinentie. De aanbevelingen met betrekking tot informeren en monitoren zijn gebaseerd op kennis van de werkgroepleden.

Toiletroutine en toiletgang
Er is bewijs gevonden voor de effectiviteit op de korte termijn van toiletgang na attenderen bij kwetsbare ouderen, als gekeken wordt naar het verminderen van incontinentie-episodes, maar de hoeveel bewijs bij (kwetsbare) thuiswonende ouderen is laag. Er is meer onderzoek nodig naar de effectiviteit en doelmatigheid van toiletgang na attenderen. Onder andere om na te gaan wat exact de gewenste duur en intensiteit van de training moet zijn. Bovendien is meer onderzoek nodig naar de wijze waarop gezorgd kan worden dat de interventie consequent volgehouden kan worden door personeel en cliënt. Er is geen bewijs gevonden voor de effectiviteit van verbeteren toiletgang bij kwetsbare oudere mannen en vrouwen met UI. Samenvattend, het bewijs uit de wetenschappelijke literatuur is beperkt voor de doelgroep van deze richtlijn en de kwaliteit is laag. Het bewijs uit de literatuur is aangevuld met informatie uit richtlijnen en de kennis van de werkgroep.

Leefstijladviezen
Er kon op basis van de literatuur alleen beperkt iets geconcludeerd worden over de samenhang tussen afvallen bij overgewicht, het beperken van drinken van cafeïne en alcohol, het tegengaan van obstipatie door inclusie van zemelen in het dieet en adequate hoeveelheid vochtinname en UI bij ouderen. Voor het effect van de interventies is weinig concreet bewijs gevonden. Er is meer interventieonderzoek nodig op alle gebieden van leefstijlinterventies om de effecten ervan op UI bij kwetsbare ouderen te staven. Ook de EAU-richtlijn vindt het bewijs rondom cafeïne niet sterk . Het bewijs voor aanpassingen in vochtinname noemt EAU zelfs conflicterend. Er is geen bewijs dat stoppen met roken de symptomen van UI zal verbeteren. De adviezen in de NICE richtlijn met betrekking tot leefstijl zijn sinds 2006 niet veranderd . In de richtlijn voor de 2e en 3e lijn (niet specifiek voor ouderen) is het bewijs voor leefstijladviezen (cafeïne, vochtinname, roken) ook zeer beperkt. Alleen voor de relatie tussen obesitas en UI lijkt bewijs te zijn . Afgaande op de conclusies uit de richtlijnen, is er op dit moment weinig zekerheid over de relatie tussen leefstijl en UI bij ouderen.

Bekkenbodemspiertraining, Blaastraining
Er is in vergelijking met bovenstaande onderwerpen voor bekkenbodemspiertraining relatief veel bewijs beschikbaar. Er is bewijs dat bekkenbodemspiertraining bij oudere vrouwen en mannen met UI effectiever is dan geen behandeling. Er is veel zekerheid dat bekkenbodemspiertraining een effectieve methode is om incontinentieklachten te verminderen. Voor het laatste bewijs rondom deze interventie verwijst de werkgroep naar de richtlijnen van het Koninklijk Nederlands genootschap voor Fysiotherapie.