De genoemde aanbevelingen passen binnen de tbc-zorg zoals die door de tbc-verpleegkundigen van de GGD wordt aangeboden.
Een goede patiënt-verpleegkundige relatie is belangrijk voor het laten slagen van de behandeling. Ook hier geldt dat een tbc-verpleegkundige moet beschikken over cultuur-sensitieve kennis en vaardigheden. Regelmatige scholing op dit gebied is noodzakelijk om kennis en vaardigheden actueel te houden. Ook is de inzet van een tolk belangrijk om voor de patiënt begrijpelijke zorg te kunnen verlenen. Op dit moment worden hiermee in de praktijk wel knelpunten ervaren, zoals beperkte beschikbaarheid, lange wachttijden en hoge kosten.
Het afnemen van de VAL aan het begin van de behandeling is reeds standaard praktijk, het integreren van de risicofactoren uit module 1 zal dan ook naar verwachting geen probleem zijn. Aan de hand van deze risicotaxatie kunnen dan verpleegkundige interventies worden ingezet om de patiënt te ondersteunen.
Daarnaast is voorlichting over de ziekte, de behandeling en infectiepreventie onderdeel van de zorg die door de tbc-verpleegkundige wordt verstrekt. De basiscomponenten van de voorlichting staan beschreven in Module 5. Indien de patiënt behoefte heeft aan extra ondersteuning bijvoorbeeld bij psychische problemen, alcohol-/drugsverslaving of andere problematiek die buiten de mogelijkheden valt van de tbc-verpleegkundige, dan kan de tbc-verpleegkundige doorverwijzen naar daarvoor gespecialiseerde hulpverleners. Voor de economische ondersteuning kan de tbc-verpleegkundige diverse fondsen of andere voorzieningen inzetten. De aanbevelingen passen binnen de huidige organisatie van zorg.
Naast een goede behandelrelatie en adequate voorlichting, bestaan er ook verschillende interventies die de monitoring van medicatie-inname faciliteren. De medicijndoos en de Baxterrol worden al ingezet als therapieondersteuning. Daarnaast wordt ook de inzet van DOT/VOT overwogen bij patiënten die een groter risicolopen op therapieontrouw, zoals bepaald aan de hand van de V&VN geautoriseerde richtlijn “medicatietrouw” . Indien dagelijkse monitoring met DOT/VOT niet door de tbc-verpleegkundige uitgevoerd kan worden, dan worden andere betrokkenen/vertrouwenspersonen (thuiszorg, kindcentrum, familieleden) hiervoor ingezet. Digitale zorg (o.a. VOT), kan voor zowel de patiënt als de hulpverlener vaak als minder belastend ervaren worden, maar er bestaan nog wel barrières, met name in het kader van privacy. Er is behoefte aan beveiligde mogelijkheden voor digitale consulten en het uitvoeren van VOT. Ook is er behoefte aan tools en een handreiking die de systematische inzet van VOT in de Nederlandse tbc-bestrijding faciliteert. De eerdergenoemde generieke richtlijn “Medicatietrouw” kan hier wellicht als leidraad voor dienen.