Wanneer men wil weten of iemand zich sociaal of emotioneel eenzaam voelt, zijn er verschillende mogelijkheden. De verpleegkundige of verzorgende kan natuurlijk gewoon vragen of de cliënt zich eenzaam voelt, maar ook vragen hoe vaak hij/zij zich eenzaam voelt (nooit, zelden, dikwijls, altijd) of in welke mate (heel erg, een beetje, niet). Het stellen van deze vragen is simpel en kost weinig tijd. De werkgroep vindt het een zwaarwegend nadeel dat men met zo’n vraag tamelijk ‘met de deur in huis valt‘ en wel heel direct naar een toch voor veel mensen gevoelig onderwerp vraagt. Bovendien is volstrekt onbekend in hoeverre deze vraag een werkelijk betrouwbaar beeld van eenzaamheid oplevert. De verwachting is dat mensen bij zulke vragen vooral een sociaal wenselijk antwoord geven. De werkgroep verkiest daarom het gebruik van een vragenlijst.

De 6-item versie van de dJG beschikt over goede psychometrische kwaliteiten die nauwelijks onderdoen voor de 11-item versie . Bovendien wordt de dJG al veel gebruikt in Nederland, in tegenstelling tot de (minder goed vertaalde) UCLA-LS.

Op grond hiervan meent de werkgroep dat de dJG-6 item versie voor haar aanbevelingen in deze richtlijn het meest in aanmerking komt.