Mensen die als verhoogd kwetsbaar worden gezien, zijn bijvoorbeeld pas bevallen vrouwen, personen met een lichamelijke beperking, mensen met chronisch psychische problemen, mensen met een verstandelijke beperking of beperkte cognitieve vermogens, met psychosociale (inclusief materiële) problemen, met lichte opvoed- en opgroeiproblemen, die betrokken zijn bij huiselijk geweld, die afgewezen (dreigen te) worden wegens hun seksuele oriëntatie, met meervoudige problematiek (waaronder verslaafden) . Kwetsbaarheid is kortom een breed begrip.
Er kan op verschillende wijzen naar de groep kwetsbare mensen worden gekeken. Vanuit het perspectief van het medisch model wordt kwetsbaarheid gezien als een kenmerk van een persoon, direct gerelateerd aan ziekte, trauma of een ander gezondheidsprobleem. Kijken vanuit het medisch model betekent ook: mensen met een kwetsbaarheid hebben een gezondheidsprobleem dat opgelost moet worden. Als dat niet lukt, dan krijgen zij aanpassingen zoals een speciale school of speciaal vervoer. Het sociale model ziet verhoogde kwetsbaarheid als een probleem dat uitsluitend wordt veroorzaakt door sociale factoren. Een kwetsbaarheid is persoonlijk en ontstaat vooral door verminderde toegankelijkheid van de maatschappij.
De ‘International Classification of Functioning, Disability, and Health’, ICF, combineert beide modellen en definieert kwetsbaarheid in het licht van de drie dimensies van het menselijk functioneren. Kwetsbaarheid (Engels: disability) wordt gedefinieerd als disfunctioneren op één of meer van deze dimensies. De drie dimensies die worden onderscheiden zijn: (1) de persoonlijke dimensie, waarbij het vooral gaat om lichamelijke en psychische gezondheid, ziekte en handicap; (2) de dimensie activiteiten en (3) de dimensie participatie . Onder de dimensies activiteiten en participatie vallen o.a. de mogelijkheid om te leren en kennis toe te passen, zelfverzorging, communicatie, gezinsomstandigheden, interpersoonlijke relaties en maatschappelijke en sociale participatie. Deze drie dimensies worden op hun beurt weer beïnvloed door factoren op het niveau van het individu zoals leeftijd, sociale achtergrond, opleiding, gedragsstijl, karakter, weerbaarheid, copingstijl en omgevingsfactoren zoals sociale invloeden en woonomgeving.
Kwetsbaarheid van gezinnen worden veelal veroorzaakt door een opeenstapeling van problemen. Vaak is er ook een gebrek aan (financiële) middelen om de problemen en belemmeringen op te lossen (bijvoorbeeld door een gering sociaal netwerk, lichte verstandelijke beperking (LVB) of beperkte cognitieve vermogens, zeer jonge leeftijd, beperkte gezondheidsvaardigheden, onvoldoende opvoedvaardigheden, tekortschietende hulpverlening) of zijn er destructieve copingstrategieën (zoals mijden van zorg, wantrouwen jegens hulpverlening, agressief gedrag, roken, alcohol of drugsmisbruik) .
Eigenschappen en situaties kunnen ‘doorgegeven’ worden van ouders op kinderen. Bijvoorbeeld eigenschappen die horen bij ADHD (moeite met concentratie, impulsiviteit) en autisme (beperkte sociale interactie, weinig inlevingsvermogen) zijn deels erfelijk en kunnen overgaan van ouder op kind. Verder kunnen voedingstekorten, stress en roken tijdens de zwangerschap zorgen voor een slechte start, met alle gevolgen voor het verdere leven van dien. Ook bepaalde omstandigheden (zoals een slechte gezondheid, een lage opleiding, armoede, geweld of kindermishandeling) kunnen doorgegeven worden (JGZ-richtlijn Kindermishandeling 2016). Later kunnen zaken als minder gezondheidsvaardigheden, een verstoorde relatie, weinig ondersteuning om bijvoorbeeld een opleiding af te ronden en de aanwezigheid van onverwerkte trauma’s een rol spelen bij het in stand houden van problematiek. Een deel van deze eigenschappen en situaties zijn te beïnvloeden door interventies. Daarom is signalering van deze eigenschappen en situaties van belang.