Na het verschijnen van bovengenoemde SLR’s zijn er nog vijf relevante studies verschenen over medicatie bij urine-incontinentie bij ouderen. Het studiedesign van deze studies was in drie gevallen experimenteel en in twee gevallen observationeel. Drie van deze studies zijn uitgevoerd in vrouwen of voornamelijk vrouwen en twee studies werden uitgevoerd in mannen. Vier van de vijf studies werd niet in Europa uitgevoerd.
Tabel 5. Samenvatting individuele studies
Muscarine-antagonisten
In twee gerandomiseerde onderzoeken werd muscarine-antagonisten vergeleken met gedragstherapie. In een recent gerandomiseerd onderzoek van Burgio et al. onder 203 mannen met klachten van overactieve blaas werden 3 groepen vergeleken . Eén groep kreeg gedragsbehandeling bestaande uit bekkenbodemspieroefeningen, uitstellen van mictie en technieken om aandrang te beheersen, 1 groep kreeg een combinatie van een alfablokker met een muscarine-antagonist en 1 groep kreeg zowel gedragsbehandeling als medicatie gedurende 6 weken. Ten opzichte van de aanvangsmeting daalde de plasfrequentie per 24 uur bij gedragsbehandeling van 11,7 naar 8,8 (verschil 24,7%; p < 0,001), bij medicatie van 11,8 naar 10,3 (verschil 12,7%; p < 0,001) en bij de gecombineerde behandeling van 11,8 naar 8,2 (verschil 30,5%; p < 0,001). Na 6 weken kregen alle groepen de gecombineerde gedragsbehandeling met medicatie, opnieuw gedurende 6 weken. Ten opzichte van de aanvangsmeting was de plasfrequentie per 24 uur in de gedragsbehandelingsgroep na 12 weken gedaald van 11,7 naar 8,0 (verschil 31,6%; p < 0,001), in de medicatiegroep van 11,8 naar 8,6 (verschil 27,1%; p < 0,001) en in de groep met gecombineerde behandeling van 11,8 naar 8,0 (verschil 32,2%; p < 0,001). In dit onderzoek bleek de combinatie van medicatie en gedragsbehandeling effectiever in het verminderen van overactieve blaasklachten dan medicatie alleen, maar niet effectiever dan gedragsbehandeling alleen. De onderzoekers concludeerden dat starten met gedragsbehandeling de voorkeur heeft, indien behandeling gewenst is. Maar ook in dit onderzoek ontbrak een controlegroep zonder behandeling. Daardoor kan het daadwerkelijke effect van de behandelingen niet worden vastgesteld.
In een tweede gerandomiseerd onderzoek verricht onder 152 urgentie-incontinent vrouwen, werd gedragstherapie (hypnotherapie) vergeleken met muscarine-antagonist (ER oxybutine 10mg/d, ER tolterodine 4mg/d) . Primaire uitkomstmaat was percent verschil in UUI-episodes op maand 2. Secundaire uitkomstmaten waren o.a. percent verschil in UUI-episodes op maand 6 en 12, OABq-SF (waarbij lage scores minder moeite (bother) impliceren), OAB-SF QoL (waarbij hoge scores beter kwaliteit van leven impliceren). For het primaire uitkomstmaat, hoewel hypnotherapie en muscarine-antagonist verbeteringen lieten zien, hypnotherapie bleek niet inferieur te zijn aan muscarine-antagonist (% mediaan verbetering, hypnotherapie: 73%, 95% BI: 60-89% vs. muscarine-antagonist: 89%, 95%BI: 78.6-100%). Wat betreft secundaire uitkomstmaten, wees het onderzoek dat hypnotherapie niet inferieur was aan muscarine-antagonist op 6 maanden (hypnotherapie: 85.7%, 95%BI 75-100% vs. muscarine-antagonist: 83.3%, 95%BI 64.7-100%) en 12 maanden (hypnotherapie:85.7% 95% BI 66.7-94.4% vs. muscarine-antagonist: 80% 95%BI 54.5-100%). De auteurs concluderen dat hypnotherapie een veelbelovende, alternatieve behandeling is voor vrouwen met UUI. Maar in dit onderzoek ontbrak een controlegroep zonder behandeling. Daardoor kan het daadwerkelijke effect van de behandelingen niet worden vastgesteld. Daarnaast, aangezien blindering niet mogelijk was vanwege de aard van de interventies, is er een risico op bias (biased resultaten).
β3-adrenoceptoragonisten
In twee studies werd het effect van een β3-adrenoceptoragonist vergelijken met een placebo. Zachariou et al. bestudeerde de effectiviteit van mirabegron . In dit onderzoek werden twee groepen vergeleken. Groep A bestond uit 91 patiënten die geen enkele behandeling voor UI wilden krijgen. Groep B bestond uit 95 oudere vrouwen die voor UI werden behandeld met mirabegron 50 mg/dag gedurende drie maanden. Alle zorgverleners vulden aan het begin en na de drie maanden de vragenlijst van de Zarit Burden Scale (ZBS) in. Alle patiënten vulden aan het begin en aan het einde van de observatie-/medicatieperiode een blaasdagboek in. Deze pre-post studie van Zachariou et al. liet zien dat patiënten die behandeld waren met 50mg Mirabegron vertoonde een statistisch significant verbetering in UI-parameters. 20% van deelnemers in groep B die incontinent was bij start van de studie werd continent op het eindpunt van de studie. Een groot nadeel van deze studie is dat de patiënten niet at random over de groepen zijn verdeeld. De auteurs concludeerde dat het gebruik van mirabegron de levenskwaliteit van oudere vrouwen met UI kan verbeteren, terwijl tegelijk ook de last voor de zorgverleners aanzienlijk wordt verlicht.
In een studie van Yoshida et al. het nieuwe medicijn Vibegron werd vergeleken met placebo . In een post-hoc analyse van een dubbelblinde, placebogecontroleerde fase-III RCT toonden Yoshida et al. aan dat Vibegron 50 mg (V50) en 100 mg (V100) eenmaal daags gedurende 12 weken een superieure werkzaamheid opleverde ten opzichte van placebo bij de behandeling van OAB onder Japanse patiënten (n=1108, overwegende vrouwen). Gestratificeerde analyse liet een statistisch significant verschil zien tussen Vibegron-groepen en placebo. In de <65jr-subgroep, werd een statistisch significant verschil gevonden tussen Vibegron-groepen t.o.v. placebo wat betreft het aantal micties/dag en urgentie-en UUI episodes/dag. Behalve voor UUI episodes/dag, vergelijkbare resultaten werden gevonden voor micties/dag en urgentie episodes/dag in de >65-jarige subgroep. Wat betreft het gemiddelde (kleinste kwadraten) geplast volume per mictie, was er een statistisch significant verschil tussen Vibegron-groepen en placebo (p < 0.001). Een stijgende trend in het gemiddeld geplast volume per mictie was gevonden in de ≥65jr vergeleken met de <65jr-subgroep. Het gemiddelde (kleinste kwadraten) verandering in de ≥65jr-subgroep was ongeveer 10ml meer dan in de <65jr groep in zowel de V50 als de V100-groep. Geen bijwerkingen werden gemeld in leeftijd – of onderzoeksgroepen. De auteurs concluderen dat Vibegron effectief kan zijn in de behandeling van OAB ongeacht de leeftijd met minimale invloed op cardiovasculaire parameters. Beperkend voor de kwaliteit van de geplande subanalyse van Yoshida et al. is het relatief kleine aantal ouderen, vooral 65-plussers (n≥65jr = 392 t.o.v. n<65j= 719) dat in het onderzoek was geïncludeerd. Verder waren 90% van geïncludeerd deelnemers vrouwen dus ook in dit onderzoek is de extern validiteit beperkt dus meer onderzoek over de effectiviteit van Vibegron in vooral mannen van 65 jaar en ouder is nodig.
Muscarine-antagonisten vs. β3-adrenoceptoragonisten
Er werd één nieuwe studie gevonden waarin Muscarine-antagonisten werden vergeleken met b3-agonisten . In een retrospectieve single-centrum studie met parallelle groepen verricht onder 215 Taiwanese mannen en vrouwen >65 jaar met OAB-klachten, werden drie groepen vergeleken: muscarine-antagonist groep (Groep A: oxybutine ER 5mg, solifenancin ER 5mg, tolterodine ER 4 mg), beta-3 adrenoreceptor groep (Groep B Mirabegron 25mg) en Groep C (groep patiënten die gestopt waren met medicatie op het moment van het telefonisch onderzoek). Uitkomstmaten waren o.a.: OAB-symptoomscore, OAB-q, KvL (oftewel QoL, een gevalideerd instrument om de ziekte-specifieke kwaliteit van leven te meten, score 0 tot 100, waarbij hoge scores hogere kwaliteit van leven impliceren). Uit het onderzoek bleek dat Groep A een statistisch significant betere maximale cystometrische capaciteit had (urodynamisch parameter) vergeleken met Groep B en C. Ook waren er statistische significante verbeteringen op de OAB-symptoomscore in Groep A (mediaan 4: range -1 –11) en Groep B (mediaan 4 range -2 – 11) na de behandeling vergeleken met Groep C (mediaan 2, range -8 – 11). Evenzo, beide groepen A en B lieten na de behandeling betere verbeteringen zien op de KvL en de CGI – scores waaruit blijkt dat zowel muscarine-antagonist als beta-3 adrenoreceptor agonist effectieve medicaties waren. Er was geen statistisch significant verschil tussen behandelingsgroepen in CGI-score na de behandeling. Ook werden er geen statistisch significant verschil gevonden tussen groep A en B wat betreft mictiefrequentie (dagelijkse en nachtelijke), het aantal urgentie – en incontinentie-episodes. De auteurs concluderen dat er geen statistisch significant verschil was in de behandeling van OAB-klachten tussen muscarine-antagonist en beta-3 adrenoreceptor agonisten.
Het is belangrijk dat de resultaten met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. De resultaten van het onderzoek zijn van beperkte waarde, aangezien zij niet gevalideerd zijn in grotere patiëntenpopulatie. Verder, gezien de retrospectieve opzet van het onderzoek, is er een risico van bias (recall bias). Ook is de externe validiteit van het onderzoek beperkt (generaliseerbaarheid van resultaten naar andere populaties, settings, omstandigheden).