Aanbeveling 5: De Utrechtse Schaal voor de Evaluatie van Klinische Revalidatie (USER); Het gebruik van de Utrechtse Schaal voor Evaluatie van Revalidatie (USER) wordt aanbevolen om de mate van ADLzelfstandigheid van revaliderende zorgvragers vast te stellen en te evalueren. Leg de score vast in het zorgplan.

Beschrijving van het instrument; Doel/achtergrond

De Utrechtse Schaal voor Evaluatie van Revalidatie (USER) is een meetinstrument om het resultaat van de klinische revalidatie te meten. Het brengt de volgende aspecten in kaart: lichamelijk functioneren (mobiliteit, zelfzorg), cognitief functioneren en aanvullende domeinen van pijn, vermoeidheid en stemming. USER is ontwikkeld en geïmplementeerd in Nederland als een uitkomstmaat binnen de klinische revalidatie. De USER is in 2009 voor het eerst gepubliceerd door Post, van de Port, Kap, en Berdenis van Berlekom (2009). In 2019 verscheen een aangepaste versie (Post, Willems, van de Port, van Berlekom, en de Jong (2019).

Afname

De USER is mondeling alsook schriftelijk af te nemen door betrokken zorgverleners. De items binnen de domeinen mobiliteit, zelfzorg en cognitief functioneren (totaal 30 items) worden gescoord op een schaal van 0 tot 5, gebaseerd op de hoeveelheid moeite, hulp en het gebruik van hulpmiddelen. De items rolstoel rijden (item 7) en incontinentie (item 13 en 14) worden met behulp van een afwijkend scoresysteem gescoord (zie handleiding) (Post, Willems, van de Port, van Berlekom, & de Jong, 2019). De items binnen de domeinen pijn, vermoeidheid, en stemming (items 25 t/m 30), worden gescoord op een schaal van 0 tot 100, afhankelijk van de ernst van de klacht.

Afnameduur

De afnameduur van de USER wordt ingeschat op ongeveer 10 minuten .

Verkrijgbaarheid

De USER is verkrijgbaar op de website het Kenniscentrum Revalidatiegeneeskunde Utrecht: https://www.kcrutrecht.nl/producten/user/.

Onderbouwing

Voor deze uitgangsvraag is uitsluitend gekeken naar de eigenschappen van de USER als meetinstrument om de mate van ADL-zelfstandigheid in kaart te brengen.

Validitieit

Constructvaliditeit: In de studie van Post et al. (2009) is de constructvaliditeit van de USER bepaald door de uitkomsten van de verschillende USER-subschalen te vergelijken met de scores van vergelijkbare instrumenten of sub-schalen. In het kader van samenhang tussen meetinstrumenten beschouwt de COSMIN een correlatiescore van bijvoorbeeld spearman brown van >0.70 als goed . Uit de analyses blijkt dat sterke samenhang werd gevonden tussen de scores bij opname en ontslag op fysiek en cognitief functioneren van de USER, de Barthel Index en FIM (r variërend van 0,84-0,94). Correlaties tussen USER-pijn, vermoeidheid en stemmingsscores en SF36 scores tussen de 0,58-0,84. Ook specifiek voor de ADL-relevante subschaal ‘zelfzorg’ is een sterke samenhang gevonden met de FIM-selfcare (r variërend tussen 0.91-0.87). Deze correlaties zijn in lijn met de verwachte samenhang van de scores. Er is dus sprake van voldoende constructvaliditeit van de USER voor de afname in de klinische revalidatie.

Ook de studie van Thiessen, Stijn, Fengler, Post, en Visser-Meily (2013) bevestigde de constructvaliditeit van de USER. Zij vonden een sterke samenhang tussen de USER en de Barthel index bij zorgvragers die voor neurologische revalidatie in het verpleeghuis opgenomen werden met een correlatiecoëfficiënt van 0,97, p<0.05 bij een eerste meting en 0,98, p<0.05 bij de tweede meting. Er is dus sprake van een goede mate van constructvaliditeit van de USER bij de afname in de neurologische revalidatie.

Betrouwbaarheid

Interne consistentie: Het onderzoek van Post et al. (2009) toonde aan dat de interne consistentie van de USER goed was voor de ADL-relevante schalen: mobiliteit (0.89/ 0.85), zelfzorg (0.83/0.80) en stemmingsschalen (0.75/0.72), maar onvoldoende voor de drie cognitieve schalen (communicatie (0.54/0.59), cognitie (0.77/0.74) en gedrag (0.74/0.72). Er is dus sprake van goede mate van interne consistentie van de USER voor de afname in de klinische revalidatie.

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: Post et al. (2009) onderzochten tevens de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de USER aan de hand van Intraclasscoëfficiënt (ICC). Een ICC van ten minste 0,75 wijst op voldoende interbeoordelaars-betrouwbaarheid (Mokkink et al., 2018). Een hoge mate van interbeoordelaarsbetrouwbaarheid werd gevonden voor de subschalen mobiliteit (ICC= 0.95) en zelfverzorging (ICC= 0.92) binnen het fysieke domein. Ook de ICC berekend over het cognitieve domein was hoog (ICC= van 0.97). De ICC-waarden van de subschalen pijn/vermoeidheid (ICC= 0.79) en stemmingsschalen (ICC= 0.78) waren iets lager maar scoorden eveneens zeer goed. Er is dus sprake van goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de USER voor de afname in de klinische revalidatie.

Responsiviteit

De COSMIN beschouwt een overeenkomst met de vooraf opgestelde hypotheses of een AUC van ≥ 0.70 als criteria voor goede responsiviteit . De studie van Post et al. (2009) heeft de responsiviteit onderzocht van alle metingen aan de hand van de effectgrootte (ES) en het gestandaardiseerde responsgemiddelde (SRM). Analyses bevestigen dat er een duidelijke (significante) verschilscore is tussen opname en ontslag op de USER bij mensen met een CVA na revalidatie. Deze schaal doet het beter dan andere meegenomen schalen (FIM, SF36). Ook in de voor de ADL-zorg relevante subschaal ‘zelfzorg’ is een goede mate van responsiviteit aangetoond met een Z-waarde van -12.91 wat duidt op een goede mate van responsiviteit. Ook de studie van Thiessen et al. (2013) bevestigt deze resultaten voor de neurorevalidatie.

Hanteerbaarheid

De studie van van Stuijvenberg, de Groot, en Smit (2018) laat zien dat zowel zorgverleners als zorgvragers in de geriatrische revalidatie zorg (GRZ) een meerwaarde zien in het gebruik van de USER ten opzichte van de Barthel index. Met name het domein ‘subjectieve klachten’ wordt zowel door GRZ-zorgmedewerkers als revalidanten beschouwd als relevant en van toegevoegde waarde (van Stuijvenberg et al., 2018).

Overwegingen uit de werkgroep over de hanteerbaarheid

De werkgroep geeft aan maar beperkt bekend te zijn met de USER en geeft aan dat dit meetinstrument in de praktijk niet frequent gebruikt lijkt te worden om de ADL-zelfstandigheid van zorgvragers vast te stellen. Leden van de werkgroep die bekend zijn met de USER geven aan deze te gebruiken om een gedifferentieerder beeld te krijgen van het ADL-functioneren van de zorgvrager in de revalidatiesetting.

Conclusie