Aanbeveling 2

Overweeg mogelijke risico’s en/of veranderingen op het gebied van gezondheid en welzijn tijdens de ADL-zorg te verkennen en deze vast te stellen.

Dit kan worden bereikt door de volgende aanpak:

Onderbouwing

Door gerichte observaties neemt de zorgverlener veranderingen waar die kunnen duiden op mogelijke risico’s. Het Zorg voor Beter Kennisplein benadrukt het belang van voortdurende observatie tijdens elk contact met alle zintuigen. Hierbij observeer je doelgericht, om zowel de kwaliteit van leven en de kwaliteit van zorg te verbeteren door mogelijke risico’s tijdig te signaleren. Veranderingen worden waargenomen door te zien, te horen, te ruiken en te voelen (Zorg voor Beter Kennisplein). Veelgebruikte hulpmiddelen voor observaties zijn gebundeld op de website van Zorg voor Beter. Op deze website wordt verwezen naar:

In deze richtlijn wordt niet verder ingegaan op deze afzonderlijke instrumenten en wanneer en hoe deze ingezet kunnen worden. Dit valt buiten de reikwijdte van deze richtlijn. Naast de voorhanden zijnde instrumenten geven gesprekken met de zorgvrager inzicht in mogelijke veranderingen in de situatie die kunnen duiden op mogelijk aanwezige risico’s . Tijdens een gesprek met de zorgvrager zijn observaties veelal ondersteunend bij het verhaal van de zorgvrager en zijn/haar naasten. Het stellen van de juiste vragen is hierbij belangrijk. Hiervoor biedt de geïdentificeerde literatuur ( , Zorg voor Beter Kennisplein, 2020) handvatten en hulpmiddelen:

Ook adviseert Zorg voor Beter Kennisplein (2015) en Van Halem en Groot (2016) om met toestemming van de zorgvrager, de familie of mantelzorgers van zorgvragers bij een gesprek met de zorgvrager te betrekken. Door aan hen te vragen wat is opgevallen en of zij het mogelijke niet-pluis-gevoel delen of zich zorgen maken, kan aanvullende informatie worden verkregen. Aanvullend bevelen het Zorg voor Beter Kennisplein (2020) en Van Halem en Groot (2016) aan om je eigen observaties ter verheldering of toetsing te bespreken met collega-zorgverleners binnen en buiten de V&V. Ten slotte wordt in de literatuur benadrukt dat een goede verslaglegging van belang is wanneer veranderingen zijn opgevallen. Het is belangrijk dat hierin de afspraken met collega’s worden meegenomen over wie, wat en wanneer rapporteert op het moment dat mogelijke risico’s worden waargenomen. Zo kan worden nagegaan of afgesproken vervolgacties zijn uitgevoerd (Zorg voor Beter Kennisplein, 2020).

Overwegingen vanuit de werkgroep

Binnen de werkgroep is er consensus over het feit dat ADL-zorg een sleutelmoment is om mogelijke risico’s en/of gezondheidsproblemen op te sporen. Volgens de werkgroepleden zijn ADL-zorgmomenten bij uitstek geschikt om veranderingen op fysiek, cognitief, sociaal of emotioneel gebied waar te nemen. Als zorgverlener gebruik je je professionele kijk op de zorg als “radar” om veranderingen op de genoemde gebieden met alle zintuigen waar te nemen.

Enkele voorbeelden vanuit de werkgroep over het inzetten van zintuigen tijdens de ADL-zorgmomenten om de situatie van de zorgvrager op mogelijk risico’s te verkennen: Zien: Ziet de zorgvrager er anders uit? Is er bijvoorbeeld sprake van veranderingen van de huid? Zijn er blauwe plekken of wondjes? Is er sprake van zichtbaar gewichtsverlies? Beweegt de zorgvrager anders? Merk ik dat het langer duurt voordat de zorgvrager de deur opendoet dan normaal? Zie ik een verandering in het (verbale en non-verbale) gedrag van de zorgvrager? Hoe ziet de omgeving van de zorgvrager eruit? Is het minder opgeruimd, hygiënisch of schoon dan normaal?

Ruiken: Ruikt de zorgvrager of zijn/haar omgeving anders dan normaal? Ruikt het er bijvoorbeeld naar urine? Is er in de omgeving sprake van bedorven voedsel of maaltijden?

Horen: Praat de zorgvrager op een andere manier? Heeft hij of zij moeite met praten of praat hij of zij juist harder dan normaal? Vertelt de zorgvrager dingen die kunnen duiden op mogelijke risico’s? Praat de zorgvrager ineens niet meer of minder? Vertoont de zorgvrager roepgedrag?

Voelen: Neem ik een andere temperatuur waar, is er sprake van een verhoogde temperatuur of koorts? Zijn handen of voeten bijvoorbeeld kouder dan normaal? Voelen gewrichten of specifieke plekken warmer aan dan normaal? Is er bijvoorbeeld tijdens het wassen of aankleden sprake van verhoogde lichaamsspanning of afweerspanning?

De werkgroep benadrukt bovendien het belang van aandacht voor veranderingen in het gedrag van de zorgvrager. Wanneer is iets anders dan normaal? Ook veranderingen in gedrag kunnen immers duiden op gezondheidsrisico’s (bijvoorbeeld delier bij urineweginfectie). Ook zorg bij de toiletgang kan informatie opleveren over mogelijke risico’s of problemen: problemen met de stoelgang, moeite met plassen, et cetera.

Het is niet alleen belangrijk om op veranderingen in gedrag te letten, maar ook op gedrag dat achterwege blijft. Bijvoorbeeld wanneer gebruikelijke loopdrang of roepgedrag van de zorgvrager verdwijnt. Niet alleen de situatie van de zorgvrager, maar ook de situatie van de mantelzorger kan duiden op mogelijke risico’s voor de zorgvrager. De werkgroep benadrukt dat een overbelaste mantelzorger ook gezien kan worden als mogelijk risico voor de zorgvrager. Mogelijke overbelasting moet dus ook gesignaleerd worden door de zorgverlener. Hoe de mantelzorger betrokken en ondersteund kan worden in de ADL-zorg is verder uitgewerkt in Uitgangsvraag 5. Handvatten voor het inventariseren, voorkomen en verminderen van overbelasting van mantelzorgers zijn in de richtlijn Mantelzorg te vinden .

Zorgvrager-perspectief

Op het moment dat er mogelijke risico’s door de zorgverlener worden waargenomen, is het essentieel voor de zorgvrager dat deze observaties met hem/haar besproken worden. Daarmee wordt de zorgvrager in staat gesteld aan te geven in welke mate het mogelijk probleem door hem/haar zelf als een probleem wordt ervaren en wordt de zorgvrager in staat gesteld gezamenlijk besluiten over passende acties te nemen (zie Aanbeveling 3). Zorgvragers uit de werkgroep geven aan dat gelijkwaardigheid in deze gesprekken voorop moet staan om eigen regie van de zorgvrager te behouden. De werkgroep concludeert gezamenlijk dat de regie over welke acties op basis van de waarnemingen worden uitgezet zoveel mogelijk bij de zorgvrager dient te worden gelegd/gelaten. Hij/zij wordt op de hoogte gebracht van de observatie en besproken wordt in welke mate het geobserveerde probleem ook voor de zorgvrager een probleem is en welke acties hij/zij wenst. De zorgverlener bespreekt met de zorgvrager mogelijke vervolgacties en samen bepalen zij welke vervolgacties ingezet worden.

Praktijkvoorbeeld: Wanneer is iets is een risico? Mevrouw de Bruin woont in een verpleeghuis en is grotendeels ADL-zelfstandig. Op een dag ziet Lisa, de eerstverantwoordelijke van mevrouw, dat mevrouw de Bruin haar benen in de wasbak van de badkamer legt om haar benen en voeten te wassen. Dit had Lisa nog niet eerder gezien. Lisa maakt zich zorgen over het valrisico van mevrouw tijdens deze wasactiviteit. Lisa spreekt mevrouw hierop aan: “Ik zie dat u uw benen in de wasbak legt om uw benen te wassen?”. Mevrouw geeft aan dit de laatste tijd altijd al zo te hebben gedaan omdat zij moeite heeft met het bukken. Lisa benoemt dat zij zich zorgen maakt over het mogelijke valrisico en stelt voor aan mevrouw om de ergotherapeut van de afdeling te vragen om een keer mee te kijken. Misschien dat de ergotherapeut nog aanvullende adviezen heeft of kan inschatten of het veilig kan. Dit is voor mevrouw akkoord en na een gezamenlijke observatie werd besloten dat de was-techniek van mevrouw de Bruin vanuit het belang van eigen regie, niet werd aangepast gezien de geringe valrisico’s.

Conclusie

Niveau 4: mening van experts

De werkgroep is van mening dat het verkennen en vaststellen van mogelijk risico’s in de ADL-zorg een belangrijke stap is in het methodisch werken bij het inzetten van risicosignalering in de ADL-zorg.