Aanbeveling 2: Gebruik de Barthel Index (BI) om de mate van ADL-zelfstandigheid van zorgvragers vast te stellen en te evalueren. Heb bij het interpreteren van de scores van de BI aandacht voor de plafondeffecten. Wanneer zorgvragers bij intake bijvoorbeeld al hoog op de BI scoren kan de meetbare vooruitgang beperkt zijn omdat de maximaal haalbare score dan bereikt wordt (plafondeffect). Leg de score vast in het zorgdossier.

Beschrijving van het instrument ; Doel/achtergrond

De Barthel Index (BI) brengt de mate van ADL-zelfstandigheid in kaart. Hiermee wordt bedoeld de mate van fysieke of verbale ondersteuning die een zorgvrager nodig heeft om zijn/haar ADL uit te voeren. Er bestaan verschillende versies van de BI. De oorspronkelijke Engelstalige versie van de BI is ontwikkeld door Mahoney en Barthel (1965) en is bedoeld voor personen met neurologische of musculoskeletale aandoeningen die neurorevalidatie ondergaan. Deze oorspronkelijke Engelstalige versie BI bestaat uit 10 items waarbij de focus ligt op de daadwerkelijke uitvoering van de ADL-activiteiten in de afgelopen 24-48 uur. De totaalscore kan variëren tussen de 0 en 100. In 1988 is een aangepaste versie van de BI ontwikkeld door Collin, Wade, Davies, en Horne (1988b). Collin et al. (1988b) hebben aanpassingen doorgevoerd in de score van de BI die kan variëren van 0 tot 20. Een hoge score duidt op een hoge mate van ADL-zelfstandigheid. Sinds de eerste publicatie van de BI in 1965 zijn de psychometrische eigenschappen van de BI frequent onderzocht. Met name voor de originele Engelstalige versie van Mahoney and Barthel is onderzoek gedaan naar de validiteit en betrouwbaarheid. Systematische literatuurstudies bevestigen de kwaliteit van de Engelstalige BI versie van Collin et al. (1988b) wat betreft validiteit en betrouwbaarheid in geval van afname bij kwetsbare ouderen (Hopman-Rock, van Hirtum, de Vreede, & Freiberger, 2019; Pashmdarfard & Azad, 2020) en een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid bij afname bij zorgvragers met een CVA . Op basis van de versie van Collin et al. (1988b) zijn twee Nederlandse versies ontwikkeld, waaronder de observatieversie van de BI, ontwikkeld door de Haan et al. (1993) en de interviewversie ontwikkeld door Post, Van Asbeck, Van Dijk, en Schrijvers (1995). Beide versies bevatten dezelfde 10 items en dezelfde manier van scoren. In de versie van Post et al. (1995) is de volgorde van de items aangepast en zijn de items geformuleerd als vragen voor de zorgvrager. Ook het item ‘transfer’ is in de interview versie van Post et al. (1995) gespecificeerd als ‘ transfer van bed naar rolstoel en omgekeerd. Bovenstaande aanbeveling heeft betrekking op de versies ontwikkeld door Post et al. (1995) en de observatieversie ontwikkeld door de Haan et al. (1993).

Afname

De Barthel Index kan door een zorgverlener worden afgenomen aan de hand van een semigestructureerd interview (Post et al. (1995) of observatie (de Haan et al. (1993). Aanvullend hierop is het mogelijk om de BI in te vullen op basis van de meest geschikte informatiebron. Deze informatiebron kan de zorgvrager zelf zijn, maar ook andere zorgverleners of de directe sociale omgeving van de zorgvrager zoals mantelzorgers, gezinsleden of vrienden. Per activiteit (item) wordt op basis van dit interview een score gegeven door de zorgverlener. De scores variëren van 0- 1 op een 2-puntsschaal tot 0-3 op een 4-puntsschaal. Een hogere score duidt op een hogere mate van zelfstandigheid. Uiteindelijk worden alle scores bij elkaar opgeteld hetgeen de totaalscore bepaald. In beide versies, van Post et al. (1995) en de Haan et al. (1993) is de maximale score 20.

Afnameduur

De BI interviewversie van Post et al. (1995) heeft een gemiddelde afnameduur van 2-5 minuten.

Verkrijgbaarheid

De Barthel –index is verkrijgbaar op de website van meetinstrumentenindezorg.nl.

Onderbouwing

Voor deze uitgangsvraag is primair gekeken naar de eigenschappen van de Nederlandse versie van de BI als meetinstrument om de mate van ADL-zelfstandigheid in kaart te brengen .

Validiteit

Constructvaliditeit

Een goede mate van constructvaliditeit van de Engelstalige versie BI is beschreven in eerder onderzoek . Ook de Nederlandse versie van de BI is onderzocht voor de afname in de geriatrische revalidatie en voor afname bij mensen met een CVA en bij mensen met een dwarslaesie . De constructvaliditeit van de BI in de geriatrische revalidatie is door Bouwstra et al. (2019) onderzocht met behulp van een ‘confirmatory factoranalyse’ (CFA). De COSMIN hanteert bij een CFA de volgende criteria voor goede constructvaliditeit: een Comparative Fit index (CFI) van >0.95, een Tucker Lewis Index TLI >0.95 of een Root Mean Square Error of Approximation (RMSEA) van <0.06. De resultaten van de CFA van Bouwstra et al. (2019) bevestigen grotendeels de constructvaliditeit voor de afname bij zorgvragers in de geriatrische revalidatie (CFI = 0.96, TLI = 0.95, RMSEA = 0.12). De constructvaliditeit van de BI voor afname bij mensen met een CVA is onderzocht in de studie van Post, Visser-Meily, and Gispen (2002). Hiervoor is onderzocht in hoeverre de BI samenhangt met vergelijkbare instrumenten. In het kader van samenhang tussen meetinstrumenten beschouwt de COSMIN een correlatie van van >0.70 als goed . De resultaten van Post et al. (2002) bevestigen een verwachte sterke samenhang van de BI met de Northwick Park Dependency Score (NPDS) (Spearman Bown r = –0.92) van de BI in de afname bij mensen met een CVA.

Criteriumvaliditeit

De criteriumvaliditeit beschrijft de mate waarin het meetinstrument daadwerkelijk ADL-zelfstandigheid meet aan de hand van de gouden standaard . In de studie van Post et al. (1995) is de hoogte en aanwezigheid van de laesie bij mensen met een dwarslaesie als criterium gebruikt om de samenhang met de BI te bepalen. In het kader van criteriumvaliditeit beschouwt de COSMIN een correlatie van 0.70 als goed . Uit de studie van Post et al. (1995) blijkt dat de score van de BI samenhangt met de hoogte van de dwarslaesie (Spearman Brown r= 0.69), hetgeen de criteriumvaliditeit van de BI in de afname bij mensen met een dwarslaesie bevestigt.

Interne consistentie

In de studie van Bouwstra et al. (2019) is de interne consistentie onderzocht voor de afname van de BI in de geriatrische revalidatie. De COSMIN-criteria voor goede interne consistentie beschouwen een Cronbachs alfa waarde van ≥ 0.70 als goed. Bouwstra et al. (2019) rapporteren een Cronbach ’s alfa van α= 0.83. Er is dus sprake van een goede mate van interne consistentie van de BI bij afname in de geriatrische revalidatie. Ook in de studie van Post et al. (1995) werd de interne consistentie van de BI onderzocht in de afname bij mensen met een dwarslaesie. Post et al. (1995) beschrijven een Cronbach’s alfa van α = 0.87 wat duidt op een goede mate van interne consistentie van de BI bij afname bij mensen met een dwarslaesie.

Betrouwbaarheid

Een hoge mate van betrouwbaarheid van de Engelstalige versies van BI is beschreven in de reviews van Hartigan (2007), Duffy et al. (2013) en Hopman-Rock et al. (2019).

Interne consistentie

In de studie van Bouwstra et al. (2019) is de interne consistentie onderzocht voor de afname van de BI in de geriatrische revalidatie. De COSMIN-criteria voor goede interne consistentie beschouwen een Cronbachs alfa waarde van ≥ 0.70 als goed. Bouwstra et al. (2019) rapporteren een Cronbach ’s alfa van α= 0.83. Er is dus sprake van een goede mate van interne consistentie van de BI bij afname in de geriatrische revalidatie. Ook in de studie van Post et al. (1995) werd de interne consistentie van de BI onderzocht in de afname bij mensen met een dwarslaesie. Post et al. (1995) beschrijven een Cronbach’s alfa van α = 0.87 wat duidt op een goede mate van interne consistentie van de BI bij afname bij mensen met een dwarslaesie.

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid

De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de BI is onderzocht in de studie van Bouwstra et al. (2019). Om te toetsen of meerdere zorgverleners in het afnemen van de BI bij een zorgvrager tot eenzelfde resultaat zouden komen werd de Interclasscorrelatie (ICC) tussen de verschillende beoordelaars berekend. De COSMIN-criteria voor goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid beschrijft een ICC van ≥ 0.70 als goed. Uit de studie van Bouwstra et al. (2019) blijkt dat er duidelijke overeenstemming (ICC agreement = 0.96,) was tussen de beoordelaars (n=37). Er is dus sprake van een zeer goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de BI bij afname in de geriatrische revalidatie.

Responsiviteit

Post et al. (2002) analyseerden de responsiviteit van BI door de verandering in scores tussen de BI en de Northwick Park Dependency Score (NPDS) tussen opname en ontslag met elkaar te vergelijken. De resultaten uit deze analyse laten een significante verandering van BI-scores voor en na opname voor revalidatie zien met een Z-waarde -4.20 (p=0.000). De BI lijkt hierin minimaal beter te scoren dan de NPDS met een Z-waarde van –4.06 (p=0.000). Er is dus sprake van een goede mate van responsiviteit van de BI voor de afname in de revalidatie bij mensen met een CVA. Echter dienen deze resultaten gezien de kleine steekproef van deze studie met voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd.

Interpreteerbaarheid

Vloer- en plafondeffecten

In de studie van is gekeken naar de vloer- en plafondeffecten door het percentage te berekenen van zorgvragers met de slechtst mogelijke score (0) aan het begin en het einde van hun revalidatieperiode. Het plafondeffect van de BI werd beoordeeld door berekening van het percentage patiënten met de hoogst mogelijke score (20) aan het begin en het eind van hun revalidatieperiode. Een significant vloer- of plafondeffect werd geacht aanwezig te zijn wanneer het percentage hoger was dan 15. Bouwstra et al. (2019) rapporteren de laagst mogelijke BI-score bij een zorgvrager (0.5%) op baseline en bij ontslag. Er lijkt dus geen sprake te zijn van een vloereffect. De hoogst mogelijke score werd gevonden bij 4 zorgvragers (2.2%) op baseline en bij 39 zorgvragers bij ontslag (22%). Bouwstra et al. (2019) rapporteren dat dit vanuit klinisch oogpunt geen probleem hoeft te zijn omdat de BI gericht is op het beoordelen van basis ADL-taken en niet van hogere functionele activiteiten. Bouwstra et al. (2019) geven echter ook aan dat men in de geriatrische revalidatie andere functionele metingen zou moeten gebruiken als men patiënten wil onderscheiden over het gehele bereik van fysiek functioneren. Er lijkt sprake te zijn van plafondeffecten van de BI bij afname in de geriatrische revalidatie.

Post et al. (1995) rapporteren een minimale BI score bij twee respondenten en de maximale score bij 53 (16.7%) van de zorgvragers met een dwarslaesie. Er lijkt sprake te zijn van plafondeffecten van de BI bij afname bij mensen met een dwarslaesie. Ook de studie van bevestigt de plafondeffecten van de BI bij afname bij mensen met een CVA.

Overwegingen uit de werkgroep

De werkgroep herkent de BI als een hanteerbaar instrument waarmee in de praktijk de ADL-zelfstandigheid in kaart wordt gebracht voor alle ADL-relevante doelgroepen en settingen. In de praktijk wordt de BI vaak met behulp van verschillende bronnen ingevuld (bijvoorbeeld dossieronderzoek, gesprekken, observaties, overleg met naasten en collega’s uit andere disciplines). Het afnemen en scoren van de BI wordt door de werkgroep als haalbaar ervaren. Tegelijkertijd nuanceert de werkgroep dat de manier van scoren in de BI soms als ‘zwart-wit’ wordt ervaren. Door de bestaande score-categorieën lijkt de ruimte voor een genuanceerde scoring van de uitvoering van ADL beperkt. De BI lijkt dus – mede door de plafondeffecten – minder goed toepasbaar te zijn bij zorgvragers met een redelijk grote mate van ADL-zelfstandigheid. Wanneer er sprake is van plafondeffecten en zorgvragers bijvoorbeeld al op een hoog niveau scoren op de BI, dan kan overwogen worden om te kiezen voor een ander instrument, bijvoorbeeld de USER. Aanvullend geeft de werkgroep aan dat het item ‘traplopen’ ervoor kan zorgen dat zorgvragers niet de maximale score van de BI kunnen bereiken. Wanneer een zorgvrager geen trappen hoeft te lopen in zijn/haar omgeving (bijvoorbeeld bij een gelijkvloerse woning), scoort de zorgvrager op de BI per definitie slechter ondanks dat hij/zij geen beperkingen in ADL-zelfstandigheid hoeft te ondervinden. Om deze reden adviseert de werkgroep ook de scores van de BI altijd in de individuele context van de zorgvrager te duiden en samen met de intake en anamnesegesprekken tot een holistische beschrijving van de zorgvraag te komen.

Conclusie