Er is een grote hoeveelheid effectieve interventies om de medicatietrouw te bevorderen. De richtlijnwerkgroep heeft daarom besloten zich alleen te richten op effectieve interventies waarbij de verpleegkundige of verzorgende een actieve rol heeft. Andere vormen, zoals bijvoorbeeld het aanbieden van (elektronische) herinneringen voor medicatie-inname, zijn in het literatuuronderzoek daarom niet meegenomen.
De 26 geïdentificeerde systematic reviews waren dusdanig heterogeen in cliëntpopulatie, setting en gebruikte meetmethode voor medicatietrouw dat een meta-analyse niet mogelijk was. Daarom is besloten om uit de systematic reviews de oorspronkelijke interventies te extraheren, te beschrijven en te beoordelen. Als in- en exclusiecriteria van de individuele interventies zijn gehanteerd:
- de interventie is getest in een RCT, CCT of een interventiestudie met een controlegroep
- de interventie is getest met minimaal 50 cliënten (25 cliënten per groep)
De richtlijnwerkgroep heeft de uit de literatuur geïdentificeerde effectieve interventies door verpleegkundigen en verzorgenden beoordeeld naar implementeerbaarheid in de Nederlandse setting. De titratie van medicatie (aanpassen van de medicatie tot de gewenste klinische waarde – bijvoorbeeld bloeddruk of lipidenspiegel – is bereikt) ziet de richtlijnwerkgroep niet als een interventie primair gericht op het bevorderen van de medicatietrouw. Dit heeft geleid tot het afvallen van twee interventies. Alle overige 24 effectieve interventies ziet de richtlijnwerkgroep als implementeerbaar in de Nederlandse setting.
Keuze interventie
Op basis van de wetenschappelijke literatuur is geen duidelijke voorkeur aan te geven voor een of meerdere interventies. De effectiviteit van de interventiestudies zijn namelijk niet zondermeer onderling te vergelijken vanwege heterogeniteit van de cliëntengroep, medische problematiek, behandelregime, meetmethode en uitkomstmaten (zie ook resultaten in Nieuwlaat et al., 2014). Aanvullend is de richtlijnwerkgroep van mening dat maatwerk nodig is bij het bevorderen van medicatietrouw. Het is niet wenselijk om eenzelfde interventie aan te bieden aan cliënten met verschillende aandoeningen en variërende medicatie. Bovendien zijn het werkveld en de setting zeer divers. Deze kunnen bijvoorbeeld variëren van verpleegkundig specialisten in het ziekenhuis, praktijkverpleegkundigen in de huisartsenpraktijk tot verzorgenden in de thuissituatie. Op basis van deze overwegingen is de richtlijnwerkgroep van mening dat de keuze van de interventie (inclusief frequentie en duur) vooral afhankelijk is van de individuele situatie en behoeftes van de cliënt of doelgroep en de praktische mogelijkheden en haalbaarheid in de eigen setting. Mede daarom heeft de richtlijnwerkgroep eventuele extra kosten en middelen (voor zorgorganisatie en/of cliënt) niet meegewogen.
In de literatuur is weinig bewijs voor effectieve interventies voor verzorgenden. In de praktijk hebben de verzorgenden echter een hele belangrijke rol, niet alleen bij het signaleren van problemen met medicatietrouw maar ook bij het bevorderen van de medicatietrouw. De richtlijnwerkgroep is daarom van mening dat de aanbevelingen ook gelden voor verzorgenden.
Gespreksvoering
De effectieve interventies ter bevordering van de medicatietrouw die in de literatuurstudie naar voren zijn gekomen, bestaan vooral uit gespreksvoering. Het gaat dan om het geven van educatie en/of counseling (motivational interviewing). Slechts enkele geïncludeerde interventies beschrijven in meer detail het script of het protocol wat de VenV heeft gevolgd in het gesprek met de cliënt. Zo bevat alleen het artikel over de interventie van Wang et al. (2010; met vier huisbezoeken in acht maanden) een tabel waarin de verschillende onderwerpen en activiteiten die tijdens de huisbezoeken worden besproken en uitgevoerd concreet zijn beschreven. De overige artikelen beschrijven de interventie in weinig detail, waardoor de precieze inhoud van het gesprek onduidelijk blijft. Wel zijn meer algemene onderdelen van de (meeste) interventies duidelijk. Het gaat dan om het nagaan welke problemen met medicatietrouw spelen of te verwachten zijn, het samen met de cliënt zoeken naar oplossingen die passen bij de situatie en behoeftes van de cliënt en het volgen (indien mogelijk) of de gekozen aanpak de problemen met medicatietrouw oplost of voorkomt. Ook de richtlijnwerkgroep ziet deze drie onderdelen van het gesprek als essentieel voor het bevorderen van de medicatietrouw.
Voor de inhoud van de gespreksvoering adviseert de richtlijnwerkgroep de taxonomie van De Bruin et al. (2009) in te zetten als basis voor het gesprek met de cliënt. Deze taxonomie bevat gesprekstechnieken om gedrag te veranderen die gericht zijn op de onderliggende factoren (determinanten) van dat gedrag en is gebaseerd op state-of-the-art gedragswetenschappelijke theorieën (zie bijlage 1C ‘Gesprekstechnieken bij medicatietrouw’). De taxonomie is specifiek gericht op gesprekken voor verbetering van medicatietrouw en is generiek (voor alle aandoeningen/medicatie) in te zetten. Een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van de taxonomie is dat VenV in staat zijn de onderliggende factoren van problemen met medicatietrouw te herkennen. Hierbij kunnen zij gebruikmaken van het overzicht van determinanten die de medicatietrouw positief en negatief kunnen beïnvloeden in bijlage 1B ‘Factoren bij medicatietrouw’.
In 9 geïncludeerde studies is het volgen van een (meerdaagse) training in gespreksvoering voorafgaand aan de uitvoering een onderdeel van de interventie. Mede op basis hiervan ziet de richtlijnwerkgroep bekwaamheid in gesprekstechnieken als belangrijke voorwaarde voor een goede gesprekvoering bij het bevorderen van medicatietrouw. De richtlijnwerkgroep adviseert daarom VenV die niet of onvoldoende bekwaam zijn, een adequate training gesprekstechnieken (die passen bij de eigen rol) te volgen.