In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de volgende uitgangsvraag: “Welke van de volgende diagnostische instrumenten moeten worden toegepast door verzorgenden of verpleegkundigen in de wijkverpleging om FI vast te stellen bij thuiswonende ouderen? Het gaat hierbij om anamnese, defecatie/mictiedagboek, anaal-functieonderzoek, vragenlijsten inventarisatie lichamelijke en cognitieve beperkingen, vragenlijsten kwaliteit van leven en vragenlijsten symptoomscores.”

Deze uitgangsvraag gaat over diagnostische instrumenten die belangrijk zijn voor het juist vaststellen van FI en eventuele factoren die directe invloed op de FI hebben, zoals fysieke beperkingen. De verpleegkundige anamnese of intake is een belangrijk moment in dit proces, daarom beschrijft dit hoofdstuk niet alleen instrumenten, zoals vragenlijsten, maar ook de momenten waarop anamnese wordt afgenomen. Daarnaast hoort in het diagnostisch proces ook het signaleren van mogelijk ‘alarmsignalen’ waarbij verwijzing naar een behandelende arts noodzakelijk is.

Anamnese

Anamnese wordt in de praktijk toegepast om (de eerste) informatie te vergaren over de gezondheidsklacht, in dit geval FI bij de kwetsbare oudere. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de (medische) voorgeschiedenis, aan de aard van de FI en eventuele beïnvloedende factoren (factoren die het veroorzaken of verergeren).

Defecatiedagboek

Een defecatiedagboek geeft inzicht in de ernst en frequentie van FI. In het defecatiedagboek wordt bijgehouden wanneer, hoe vaak en hoe veel ontlasting iemand heeft. Hierbij wordt ook bijgehouden wat de consistentie van de ontlasting was (bijvoorbeeld volgens de Bristol stoelschaal), of het spontaan of gestimuleerd was, of er sprake was van incontinentie, en andere bijzonderheden.