Seksualiteit is onlosmakelijk verbonden met een mensenleven, van de bevruchting tot het eind van iemands leven. Goed inzicht in wat seksualiteit is, de seksuele levensloop en de context waarin de seksuele ontwikkeling plaatsvindt biedt aanknopingspunten voor adequate ondersteuning en maakt dat onnodige zorgen of problemen weggenomen kunnen worden .
Wat is seksualiteit?
Bij seksualiteit wordt vaak alleen aan seksueel gedrag gedacht en soms enkel aan seksueel gedrag met een partner. Seksualiteit is echter meer dan dat. Het gaat bijvoorbeeld ook over lichaamsbeeld (bijvoorbeeld tevredenheid over het lichaam), zelfliefde zoals masturbatie, genderidentiteit en genderrol (bijvoorbeeld je een man of vrouw voelen, of allebei of geen van beide en het hierin willen wisselen van identiteit), verliefdheid en relatievorming, seksuele oriëntatie, interesses en verlangens, opvattingen en gevoelens, reproductieve gezondheid en seksueel functioneren. Op elk van deze deelgebieden vindt ontwikkeling plaats: in sommige levensfasen meer op het ene gebied, in andere levensfasen meer op een ander gebied. Al deze factoren spelen een rol wanneer we spreken over seksualiteit. Voor deze richtlijn concretiseren we het begrip seksualiteit op sommige vlakken meer dan op andere vlakken, echter speelt al het bovengenoemde een rol wanneer het gaat over seksualiteit .
Seksualiteit kent drie dimensies: gedrag, relaties en identiteit .
- Seksueel gedrag gaat over de zichtbare seksualiteit. Dit gaat over vragen als: hoe functioneren mensen seksueel, wat doen zij, hoe doen ze het, met wie en hoe vaak? Hoe iemand zich seksueel gedraagt is het resultaat van denken, voelen en willen en richt zich op een persoon (of object) al naar gelang de seksuele voorkeur van deze persoon. Bij seksualiteit met een ander speelt ook de afstemming en wederzijdse instemming een belangrijke rol.
- Als seksueel gedrag zich afspeelt tussen twee (of meer) mensen, spreken we van een seksuele relatie. De kwaliteit van deze seksuele relatie is afhankelijk van de persoonlijke (seksuele) biografie van de personen in de relatie, van hun onderlinge verhouding en seksuele en niet-seksuele motieven om tot seksueel gedrag over te gaan.
- Tot slot krijgen het seksuele gedrag en de seksuele relatie betekenis voor een persoon en vormen zich tot een seksuele identiteit: wie ben ik als seksueel wezen, wat draag ik uit, hoe wil ik me gedragen en voelen en wie wil ik zijn als seksueel wezen.
Seksueel gedrag, relatie, seksuele identiteit en de betekenis van seksualiteit beïnvloeden elkaar en veranderen gedurende het leven. Dit is afhankelijk van leeftijd, levensfase, ervaringen en de context waarin iemand zich begeeft . Bij de karakterisering van seksualiteit in het kader van deze richtlijn is het van belang om een onderscheid te maken tussen ‘seksueel functioneren’ en ‘seksualiteitsbeleving’.
- Seksueel functioneren verwijst naar dat het lichamelijk, seksueel reageren in termen van de seksuele responscyclus naar wens verloopt. Het gaat daarbij om ongestoord seksueel functioneren in termen van seksueel verlangen, opwinding, orgasme, voldoende spierontspanning en afwezigheid van pijn tijdens het vrijen.
- Seksualiteitsbeleving verwijst naar de subjectieve beleving van seksualiteit. Hoe beleeft iemand het seksueel actief zijn? Wat is de betekenis van seksualiteit voor deze persoon? Er is sprake van een seksueel probleem indien er op dit vlak iets misloopt, wanneer het niet lukt om een positieve beleving te koppelen aan seksualiteit of wanneer men zich stoort aan bepaalde elementen van de seksualiteitsbeleving.
Seksuele levensloop, Levensloopperspectief
De seksuele levensloop kent verschillende levensfasen op basis van de ontwikkelingspsychologie. De ontwikkeling wordt meestal beschreven op basis van de volgende deelgebieden van seksualiteit: lichaamsbeeld; genderidentiteit en genderrol; verliefdheid en (seksuele) relatievorming; seksuele interesse en gevoelens bij seks; seksueel gedrag; seksuele problemen. Op veel van deze domeinen vindt levenslang ontwikkeling plaats, op sommige domeinen ligt het zwaartepunt van ontwikkeling in bepaalde levensfasen. In deze richtlijn beperken we ons tot de levensfasen vanaf 19 jaar. Over de levensfasen van mensen onder de 19 jaar is ook informatie beschikbaar, deze is bijvoorbeeld te vinden op de website van Rutgers (2021) .
-
- Late adolescentie (19 tot en met 24 jaar)
Deze fase staat in het teken van het ontdekken van verschillende partners en leefstijlen en wat positieve gevoelens oproept bij seksualiteit. Jongeren krijgen langzaam meer verantwoordelijkheidsbesef, maar overzien de risico’s van bepaald gedrag nog niet volledig. Mensen krijgen te maken met seksuele grensoverschrijding of seksueel geweld. Meer dan de helft van de vrouwen (53%) en 19% van de mannen wordt tegen hun wil in aangeraakt. ok LHBTI mensen krijgen hier meer mee te maken. De meeste jongeren zijn in deze fase seksueel actief. De relatief hoge mate van seksuele activiteit, gekoppeld aan leefstijl en het in beperkte mate kunnen overzien van risico’s, maakt dat verschillende seksuele risico’s het meest in deze leeftijdsfase voorkomen (zoals onveilige seks).
-
- Volwassenheid (25 tot en met 39 jaar)
In deze levensfase hebben de meesten een vaste relatie, maar er is een grote variatie in leefstijlen. Het grootste deel van de 35- tot 40-jarigen (61%) heeft een vaste partner met wie men samenwoont of getrouwd is. Seks kan in langdurige relaties steeds beter worden (door veiligheid en intimiteit met degene die je goed kent), maar de zin in seks kan ook geleidelijk afnemen (om dezelfde reden). Veel mensen krijgen in deze levensfase te maken met zwangerschap en zorg voor kinderen. Zwangerschap en de zorg voor jonge kinderen gaan gepaard met belangrijke biologische, psychologische en sociale veranderingen , hierdoor kan de zin in seks tijdelijk toe- of afnemen.
-
- Midlife (40 tot en met 54 jaar)
De sociale context bestaat voor de meeste mensen in deze levensfase uit het hebben van een partner en kinderen, 15 % van de 40- tot 55-jarigen woont alleen. In deze levensfase vinden ook de meeste (echt)scheidingen plaats. 40 % van alle huwelijken eindigt in een echtscheiding. Daarnaast neemt bij zowel mannen als vrouwen de productie van geslachtshormonen in deze levensfase af. Bij mannen daalt de testosteronspiegel van het veertigste levensjaar jaarlijks met ongeveer 1,5 %, maar deze afname wordt bij de meeste mannen pas boven de zestig jaar klinisch relevant . Vrouwen komen in deze levensfase meestal in de overgang. Het seksueel verlangen kan dan toenemen maar ook minder worden als gevolg van pijn bij het vrijen of problemen met vochtig worden. Vrouwen voor en na de overgang verschillen niet van elkaar in de mate van subjectieve opwinding bij het zien van erotische beelden noch in genitale respons, mits voldoende gestimuleerd .
-
- Derde levensfase (55 tot en met 74 jaar)
De periode van 55 tot en met 74 jaar wordt ook wel de ‘derde levensfase’ genoemd. In deze levensfase neemt seksuele activiteit geleidelijk af, maar stopt voor de meesten niet . Ouder worden heeft een aantal voordelen voor het seksueel welbevinden: er is vaak meer tijd voor elkaar, er is geen werk meer of inwonende kinderen, anticonceptie tegen zwangerschap speelt geen rol meer en vaak weet men goed wat men wil en is er in langdurige relaties veel intimiteit opgebouwd. Sommige ouderen zeggen dat hun seksleven er door al deze factoren alleen maar beter op is geworden . Hierin is ook een cohortverschil zichtbaar: de zeventigjarigen van nu zijn seksueel actiever en meer tevreden over hun seksleven dan de generaties voor hen . Door de toegenomen welvaart verkeren zij ook in een betere lichamelijke en sociale conditie. Ouder worden heeft echter ook nadelen voor de seksualiteitsbeleving. Chronische ziekten doen meer hun intrede tussen de 55 en 75 jaar (vooral hart- en vaatziekten, ziekte in het centrale en perifere zenuwstelsel, spierziekten, gewrichtsklachten en diabetes). Dit kan een negatief effect hebben op het seksueel functioneren en – welzijn (Verschuren e.a., 2010). Deze negatieve effecten kunnen het directe gevolg zijn van de ziekte of een indirect gevolg vanwege het verminderde lichamelijke functioneren, de behandeling of medicijnen die iemand krijgt, of de psychische en relationele problemen die het gevolg zijn van de ziekte.
-
- Vierde levensfase (75 jaar en ouder)
Ook in het vierde levensjaar zijn veel mensen nog seksueel actief en tevreden over hun seksleven. In een onderzoek in acht Europese landen gaf 54 procent van de mannen tussen de 70 en 80 jaar en 21 procent van de vrouwen van deze leeftijd aan in de afgelopen twaalf maanden seksueel actief zijn geweest . Door het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen en het gegeven dat vrouwen doorgaans een oudere partner hebben, zijn veel oudere vrouwen alleenstaand (CBS Statline, 2016a). De prevalentie van seksuele problemen, zoals erectieproblemen en het minder vochtig worden van de vagina neemt toe . Van de 75-plussers heeft 83 procent een chronische ziekte zoals reuma, diabetes, hart- en vaatziekten, kanker of dementie . Net als in de derde levensfase kunnen deze aandoeningen een direct of indirect effect hebben op iemands seksuele gezondheid.
Context waarin seksualiteit plaatsvindt
Seksualiteit speelt een rol in alle fasen van het leven. Hoe het lichaam reageert op seksuele prikkels en tijdens seks, hoe mensen zich op seksueel gebied gedragen, wat zij prettig vinden en wat niet, waar zij wel of niet opgewonden van worden en wat er wel of niet kan en mag op seksueel gebied is afhankelijk van een veelheid aan factoren: biologische, psychische en sociale. Dit wordt wel het biopsychosociaal model van seksualiteit genoemd .
-
- Biologische factoren
Het lichaam is vaak onderdeel van het beleven van seksualiteit, dus hoe het functioneert, voelt, beweegt etc, is van invloed op de beleving van seksualiteit. Met name de lichaamsfuncties spelen een rol bij de verwerking van seksuele prikkels die van invloed zijn op de seksuele respons, het hormonale stelsel, zenuwstelsel en vaatstelsel. Daarnaast zijn geslachtshormonen belangrijk voor de ontwikkeling van de geslachtsorganen. De seksuele responscyclus bestaat uit vier fasen, namelijk (a) opwinding, (b) plateau, (c) orgasme en (d) ontspanning. Bij de seksuele-responscyclus hebben geslachtshormonen een belangrijk functie, omdat zij samenhangen met de mate van seksuele opwinding – zowel de genitale opwinding als ook de subjectieve opwinding. Bij seksuele opwinding van een vrouw stroomt er meer bloed naar de vagina, die vochtig wordt. Bij toenemende opwinding stroomt er ook meer bloed naar de buitenkant van de vagina. Daardoor wellen ook de clitoris en de binnenste en buitenste lippen. Bij grote opwinding wordt het diepste deel van de vagina ook langer en wijder. Een erectie is het gevolg van bloedstuwing in de verwijde bloedvaatjes van de penis. Bij beschadiging (bijvoorbeeld door een dwarslaesie) of ziekte aan het zenuwstelsel (bijvoorbeeld door multiple sclerose) is de prikkelgeleiding geheel of gedeeltelijk verstoord en wordt de lichamelijke opwinding moeilijker. Ook het vaatstelsel is belangrijk bij de lichamelijke opwinding, vanwege de grote rol die sterkere doorbloeding speelt bij de lichamelijke opwinding. Ziekten die van invloed zijn op het vaatstelsel en de doorbloeding, zoals aderverkalking of diabetes, hebben vaak veel invloed op het seksuele functioneren . Van verschillende medicijnen is bekend dat zij een negatief effect kunnen hebben op het seksueel functioneren, bijvoorbeeld medicijnen voor het verlagen van de hartslag en bloeddruk en antidepressiva.
-
- Psychologische factoren
De seksuele-responscyclus verloopt ook via psychologische processen zoals motivatie, emoties en gedachten (cognities). De motivatie om seks te willen hebben is een deels bewust en deels onbewust proces. Het zogenaamde ‘beloningscircuit’ in de hersenen zorgt ervoor dat bij het ervaren van een prettige gebeurtenis dopamine vrijkomt in de hersenen, wat op zichzelf weer een prettig gevoel geeft, waardoor er de wens ontstaat de ervaring te willen herhalen. Via de bekrachtiging wordt geleerd wat positieve seksuele stimuli zijn, en vervolgens wordt het emotiecentrum in de hersenen (de amygdala) geactiveerd en komt emotionele opwinding tot stand (Gijs e.a., 2009). Gevoelens van lust, plezier, intimiteit en veiligheid kunnen een bijdrage leveren aan dit positieve leerproces. Negatieve gevoelens zoals angst, schaamte en traumatische ervaring met seksuele grensoverschrijding belemmeren de seksuele respons. Behalve emoties zijn ook gedachten (cognities) sterk van invloed op je seksuele gezondheid. Negatieve gedachten kunnen de seksuele-responscyclus verstoren .
-
- Sociale factoren
Seksueel gedrag is ook sociaal gedrag en wordt mede bepaald door de context waarin we opgroeien en leven. Wat ‘normaal’ seksueel gedrag is wordt grotendeels via de opvoeding en in groepen met leeftijdgenoten geleerd. Men past zich vaak aan deze sociale normen aan. Deze sociale normen staan soms op gespannen voet met de behoefte aan individuele expressie van de eigen seksualiteit. In een samenleving waar heteroseksualiteit en mannelijke seksualiteit de norm zijn, worden mensen die niet tot de hetero-norm behoren en seksueel actieve vrouwen vaker te kort gedaan en is het voor hen lastiger om de eigen seksuele behoeften te onderzoeken . Sociale normen spelen ook een rol bij ouderen. Velen hebben bewust of onbewust het idee dat seksualiteit en ouderdom niet samengaan.
Seksualiteit en seksuele behoeften spelen dus een rol in alle fasen van het leven, en er zijn veel factoren die bepalen of en hoe seksueel gedrag tot stand komt. Soms hebben mensen behoefte aan uitleg over de verschillende aspecten van seksualiteit. Cliënten kunnen hier soms ondersteuning in gebruiken. Een model dat hierbij helpt is het ‘circulair model seksuele respons’ .
Circulair model seksuele respons
Het circulair model seksuele respons is ontwikkeld door Basson . Een zorgprofessional kan dit circulair model gebruiken om aan iemand uit te leggen hoe de seksuele respons werkt en aanwijzen in welke fase deze bij de patiënt verstoord raakt. Het laat zien dat seksueel reageren een gevolg is van een belonende prikkel in een voor die persoon optimale context en niet het gevolg is van een zogenaamde spontane drift. Dit model beschrijft de voorwaarden en gevolgen van seksueel reageren.
Figuur 1: Circulair model (o.a. naar Basson 2001; ontleend aan Leusink en Ramakers, 2014).
In dit model zien we dat er basisvoorwaarden zijn om vanuit de seksueel neutrale positie te verplaatsen naar de situatie van seksueel ontvankelijk zijn. Je moet als het ware in de cirkel stappen.
Incentive motivation: goede seks smaakt naar meer seks
Het hele systeem werkt alleen goed als er sprake is van adequate feedback. Als iemand de seksuele cirkel is ingestapt, wordt het seksuele gedrag gevoed door het genereren van verlangen en opwinding. Als deze opwinding als positief wordt gewaardeerd, dan ontstaat er een leereffect: dit heet incentive motivation .
Deze positief belonende ervaring leidt tot seksuele motivatie. Positieve waarderingen van de ander, bijvoorbeeld een aanmoedigend gekreun, is een seksuele prikkel die leidt tot nog meer opwinding aan beide kanten. Uit opwinding ontstaat dus verlangen en visa versa. En positief bekrachtigen is de benzine in deze motor. Maar er kan ook zand in de motor komen. Dus goede seks smaakt naar meer en slechte seks ontneemt je de lust. Seks doe je dus met je lijf, je hart en je hoofd.
Er zijn ook belemmerende factoren in het biopsychosociale circulaire model van responsieve seks .
Seksuele belemmeringen:
- Inadequate stimuli (seksuele prikkels);
- Beperkt seksueel (erotisch) repertoire;
- Prestatiegerichte seksuele activiteit;
- Seksuele problemen bij partner;
- Irreële verwachtingen (mythes)
Somatische belemmeringen:
- Hormonale, neurologische, cardiovasculaire aandoeningen;
- Medicatiegebruik;
- Behandeling (chirurgie, bestraling, bekkengebied, chemotherapie).
- Anatomische aandoeningen.
- Enzovoort.
Psychologische belemmeringen:
- Depressie, woede, angst;
- Belemmerende negatieve gedachten (cognities);
- Negatief zelf- en lichaamsbeeld;
- Negatieve seksuele ervaringen.
Contextuele belemmeringen:
- Verstoorde partnerrelatie (relatieproblemen);
- Miscommunicatie over wensen en grenzen;
- Angst voor ongewenste zwangerschap of soa;
- Culturele of religieuze waarden en normen;
- Ontbrekende beschikbaarheid van of toegankelijkheid tot een partner
Chronische ziekte of lichamelijke beperking en seksualiteit
Met een lichamelijke beperking bedoelen we in deze richtlijn een aangeboren of door ziekte of ongeval opgelopen beperking van lichamelijke aard. Onder een chronische ziekte of lichamelijke beperking verstaan we een definitief of langer dan zes maanden bestaand lichamelijke complicatie .
Zoals al eerder beschreven kan seksualiteit voor mensen uiteenlopende functies en betekenissen hebben die in de loop van de tijd kunnen veranderen. Dit is niet anders voor mensen met een chronische ziekte of lichamelijke beperking; maar zij krijgen daarnaast ook nog te maken met verschuivingen in de betekenis van seksualiteit ten gevolge van het verloop van een ziekteproces of handicap. Zoals hierboven beschreven zijn er specifieke biologische, psychologische en sociale factoren die een rol kunnen bespelen bij een bepaalde ziekte of beperking (zie 3.3: biopsychosociaal). De manier waarop mensen voorafgaand aan een ziekte of behandeling met seks omgaan is vrij bepalend in de manier waarop ze ermee omgaan tijdens de ziekte of behandeling. Dit is ook bepalend in de manier waarop mensen hierover willen communiceren met hulpverleners .
Chronische ziekten zoals diabetes mellitus, hart- en vaataandoeningen en reumatische aandoeningen kunnen een negatieve invloed hebben op seksualiteit. Bijvoorbeeld bij aandoeningen aan het zenuw-, vaat- of hormoonstelsel. Het lichaam kan dan verminderd reageren op seksuele prikkels. Men kan daarbij denken aan iemand met longproblemen die het tijdens het vrijen benauwd krijgt, of iemand met reuma die pijnklachten of bewegingsbeperkingen door schade aan gewrichten ervaart, of iemand die spastisch is en het hierdoor moeilijk vindt om seksuele relaties aan te gaan. Op allerlei manieren kan een chronische ziekte of beperking effect hebben op iemands seksuele leven.
Dit zijn voorbeelden van directe invloed op het seksueel functioneren, maar er zijn ook indirecte gevolgen voorstelbaar. Denk hierbij aan de invloed van pijn en vermoeidheid, iets waar vrijwel elke chronische patiënt mee te maken krijgt. Ook kunnen er complicaties optreden door een bepaalde behandeling. Daarnaast hebben veel medicijnen een negatief effect op iemands seksuele gezondheid, zoals sommige antihypertensiva, maagzuurremmers, anti-reumatica, antidepressiva, antipsychotica en cytostatica. Als er bijwerkingen zijn dan gaat het vrijwel altijd over een remmend effect op de zin in seks, op de opwinding of op het vermogen tot het krijgen van een orgasme. In het geval van Parkinson kan er juist sprake zijn van een ontremming (door de toediening van dopamine-agonisten) evenals bij sommige andere neurologische beelden door schade aan de hersenen . Ook immunotherapieën of chirurgische ingrepen of radiotherapie hebben neveneffecten op seksualiteit.
Kanker en seksualiteit
In deze richtlijn is er extra aandacht voor kanker en seksualiteit, o.a. doordat deze richtlijn ook als vervanging dient voor de al bestaande richtlijn ‘veranderd seksueel functioneren’ van het Integraal Kankercentrum Nederland. Verschillende vormen van kanker en desbetreffende behandelingen hebben in verschillende mate invloed op iemands seksualiteit. In 2019 werden er in Nederland ongeveer 117.600 nieuwe gevallen van kanker vastgesteld: 61.400 bij mannen en 56.200 bij vrouwen .
Kanker, net als andere ziekten, kan invloed hebben op verschillende dimensies van iemands leven. Denk hierbij aan lichamelijke en geestelijke gezondheid, relaties, sociale rollen, religie en spiritualiteit. Daarnaast kan het zorgen voor veranderingen in de beleving van seks met jezelf of met anderen. Verschillende vormen van en behandelingen voor kanker hebben andere effecten op iemands leven. De vele vormen van kanker en de verschillende behandelingsvormen (operatie, radiotherapie, chemotherapie, hormoontherapie, immuuntherapie, androgeen deprivatie therapie) maken het onmogelijk om alle consequenties voor iemands seksualiteitsbeleving te benoemen. Hoewel de directe invloed van kanker, of de indirecte invloed door de behandeling, op de seksualiteit evident is, is dit niet perse de verklaring voor veranderende seksuele gezondheid .
Behandelingen, zoals de behandeling voor baarmoederhals- of prostaatkanker kunnen wel direct van invloed zijn op het seksueel functioneren door de beschadiging van zenuwen en bloedvaten die van belang zijn voor de erectie. Een borstamputatie, een stoma, kaalheid ten gevolge van chemotherapie en littekens kunnen van invloed zijn op iemand seksualiteitsbeleving, bijvoorbeeld omdat iemand zich hierdoor minder aantrekkelijk voelt of zich schaamt . Uiteindelijk blijken vooral psychologische en/of sociale factoren in belangrijke mate verantwoordelijk voor de seksuele problemen en dienen in de beoordeling van seksuele klachten na kanker dan net zo nauwkeurig uitgevraagd en meegenomen te worden als de somatische factoren. Een verbetering of oplossing van het seksueel probleem moet vaker worden gezocht in het begeleiden van de patiënt om te leren anders om te gaan met seksualiteit en intimiteit, dan in de praktische of somatische oplossingen. De hulpverlener dient het gesprek hierover te beginnen als de patiënt dat zelf niet doet .
Ouderdom en seksualiteit
In 2021 telt Nederland ongeveer 3,2 miljoen Nederlanders die 65 jaar en ouder zijn . Van deze ouderen gaf iets meer dan de helft aan zich beperkt te voelen door hun gezondheid. De meeste voorkomende problemen waar zij mee te maken hebben zijn chronische ziekten, eenzaamheid en functioneringsproblemen. De levensverwachting van mensen stijgt en het aantal ouderen in Nederland ook. In 2040 wordt verwacht dat er 4,8 miljoen ouderen zijn, dat is een vierde van de Nederlandse bevolking . Naar verwachting zullen er in 2040 330.000 mensen dementie hebben, wat een verdubbeling is ten aanzien van 2015. In 2016 had de helft van de ouderen één of meer langdurige aandoeningen (zoals diabetes, hart- en vaatziekten, of artrose). Ook voor hen kan seksualiteit een waardevolle functie hebben en draagt het bij aan de kwaliteit van leven. Een flink deel van de ouderen is seksueel actief. Van de Nederlandse ouderen tussen de 65 en 70 jaar heeft 82 procent van de mannen en 54 procent van de vrouwen in het afgelopen half jaar seks gehad. Voor ouderen tussen de 70 en 80 jaar liggen de percentages op 54 (mannen) en 21 (vrouwen). Wat je ook ziet, is dat veel ouderen seks belangrijk vinden en tevreden zijn met hun seksleven. Ouderen van nu zijn ook seksueel actiever en meer tevreden dan de generaties voor hen .
Met het ouder worden neemt de prevalentie van seksuele problemen toe. Bij mannen gaat het hierbij vooral om een toename van erectieproblemen en bij vrouwen gaat het voornamelijk over vaginale droogte . De ziekte dementie heeft grote invloed op het seksuele leven van de persoon zelf, maar ook op dat van de partner. Vaak is het zo dat de seksuele activiteit van de persoon met dementie afneemt, maar het kan ook juist zijn dat iemand met dementie een groter seksueel verlangen krijgt of seksueel ontremd gedrag vertoont. Bij mensen met dementie (of andere vormen van hersenschade) neemt het inlevingsvermogen vaak af, ze krijgen door de ziekte vaak minder oog voor en zicht op de behoeften van de ander. Dit kan ook voor de partner een erg pijnlijk en lastig proces zijn . Daarnaast kunnen sommige in de zorg ingezette maatregelen ook hun weerslag hebben op de seksualiteitsbeleving van een cliënt. Bijvoorbeeld een hoog-laagbed, waardoor het voor partners lastig wordt om intiem naast elkaar te liggen en elkaar aan te raken, of het gebruik van incontinentiemateriaal, waardoor zelfbevrediging of het bevredigen van de ander bemoeilijkt wordt. Ook opname in een verpleeghuis brengt ingrijpende veranderingen met zich mee. De regels en afspraken van het huis, de sociale druk van andere bewoners en staf, het niet meer samenwonen met de partner en een gebrek aan privacy kunnen een negatief effect hebben op de mogelijkheden tot intimiteit en seksualiteit . Ook het ontbreken van tweepersoonsbedden kan bewoners belemmeren bij het hebben van intiem contact. Verder kan het gebruik van infrarood om de bewegingen van iemand te monitoren (bijvoorbeeld om te voorkomen dat iemand uit bed valt of gaat dwalen), ten koste gaan van de privacy van de bewoner.
Seksualiteit hernieuwd vormgeven
Een zorgprofessional kan een rol spelen in de ondersteuning van mensen met kanker, een chronische ziekte of lichamelijke beperking en ouderen door hen voor te lichten over mogelijke gevolgen van behandeling, ziekte of medicatie. Daarnaast kan iemand ondersteund worden in het hernieuwd vormgeven van seksualiteit en intimiteit. Een zorgprofessional kan mensen doorverwijzen naar meer informatie over hulp bij het beleven van iemands seksualiteit, denk hierbij aan seksuele hulpmiddelen, seksuologische hulpverlening door een professional NVVS2, e health, medicatie, technologische hulp, sekswerk . Daarnaast is het belangrijk dat mensen informatie krijgen over hoe seksualiteit en hun ziekte met elkaar samenhangen. Wederom is het van belang dat de zorgprofessional hierin ondersteunt, door zelf deze informatie te verschaffen of door te verwijzen.
Soms is volledig herstel van seksuele functies niet mogelijk maar is het wel mogelijk om door middel van acceptatie van en aanpassingen aan de blijvende beperkingen, de seksuele relatie (opnieuw) vorm te geven. De zorgprofessional dient de patiënt en eventuele partner(s) te helpen bij het verwerken van verlies van gezondheid en vervolgens die factoren te onderzoeken die de seks in overeenstemming brengt met de wensen binnen de mogelijkheden van de realiteit .
Een manier om als zorgprofessional samen met de patiënt en eventuele partner(s) te onderzoeken welke factoren meespelen in het hernieuwd vormgeven van seksualiteit is dit weegschaalmodel bruikbaar [Figuur 3].
[Figuur 3]: Weegschaalmodel: de stimulerende en remmende factoren worden tegen elkaar afgewogen.
Patiënt, eventuele partner(s) en zorgprofessional maken een analyse van zowel belemmerende factoren als bevorderende factoren. Hierdoor wordt inzichtelijk dat ‘de ziekte’ of ‘het medicijn’ niet allesbepalend is en op welke manieren de patiënt de seksualiteit positief kan beïnvloeden.
Bij veel klachten is een praktische en creatieve aanpak wenselijk. Soms kan het nodig zijn om de patiënt en/of partner(s) eerst te bewegen om mythes en misverstanden los te laten en hen gezamenlijk een nieuw doel te laten stellen. Verschillende disciplines zijn nodig om de juiste kennis en hulp aan de patiënt te bieden. Een fysiotherapeut kan advies geven over houding, een ergotherapeut kan meedenken over technologische hulpmiddelen en een logopedist kan oefeningen geven zodat de speekselproductie tijdens het zoenen minder wordt. Dit zijn slechts een aantal voorbeelden, het is voor zorgprofessionals vooral van belang te weten naar wie ze kunnen doorverwijzen voor specifieke hulp die zij zelf niet kunnen geven.