Tuberculose (tbc) en de behandeling daarvan hebben impact op de kwaliteit van leven van de tbc-patiënt. Sinds enkele jaren wordt internationaal erkend dat deze impact op de fysieke en mentale gezondheid, en socio-economische situatie van patiënten kan voortduren na afloop van de tbc-behandeling. Onder de term “Post-TB” verstaat men de langdurige fysieke, sociale en psychische klachten en economische gevolgen die personen na het afronden van hun tbc-behandeling ondervinden . Post-TB zorgt ervoor dat de kwaliteit van leven van tbc-patiënten na genezing vaak lager is in vergelijking met de kwaliteit van leven van personen die geen tuberculose hebben gehad.

De beperkte wetenschappelijke literatuur uit laag- en middeninkomenslanden schat dat 40-50% van de tbc-patiënten na afloop van de behandeling tbc-gerelateerde longklachten overhoudt genaamd ‘post-TB lung disease’ (PTLD) . Mensen kunnen daarbij last hebben van algemene malaise, respiratoire klachten, en slechte(re) fysieke conditie. In hoog-inkomens landen is minder wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor de prevalentie en ernst van post-TB. Wel is bekend dat een deel van de personen die hun tbc-behandeling hebben afgerond last houden van COPD-achtige klachten, cardiovasculaire gevolgen, een verhoogd risico op kanker, angst en/of depressie, stigma, sociale isolatie en discriminatie .

Om de kwaliteit van leven van tbc-patiënten te verbeteren na afloop van de tbc-behandeling is het van belang om tbc-gerelateerde fysieke, mentale, en/of socio-economische problematiek tijdig te signaleren . De tbc-verpleegkundige heeft als casemanager een belangrijke rol bij het herkennen, identificeren en acteren op signalen en/of klachten die de kwaliteit van leven van de patiënt na de tbc-behandeling kunnen beperken.

Ten tijde van het schrijven van deze richtlijn is er in de verpleegkundige begeleiding van tbc-patiënten geen formele aandacht voor de periode na de tbc-behandeling. Ook vindt er na afloop van de medicamenteuze behandeling van een normaal gevoelige tuberculose geen routinematig contact meer plaats tussen de behandelaar en de patiënt. Dit is conform de aanbeveling in 4.1.3 van de Richtlijn medicamenteuze behandeling van tuberculose .

Deze uitgangsvraag richt zich op interventies die de tbc-verpleegkundige kan inzetten gedurende de tbc-behandeling, om op deze manier tijdig Post-TB klachten te identificeren, de patiënt voor te bereiden op verder herstel na de medicamenteuze behandeling en daarmee de kwaliteit van leven van de patiënt na de tbc-behandeling te optimaliseren.

Deze uitgangsvraag heeft als doel om de aandacht voor post-TB en daarvoor gepaste interventies te waarborgen als onderdeel van de verpleegkundige begeleiding tijdens de tbc-behandeling en daarmee de kwaliteit van leven van de patiënt na afloop van de tbc-behandeling te optimaliseren.