MRSA-dragers mogen na een initieel werkverbod werken in directe cliëntenzorg zodra de typering van MRSA bekend is en de behandeling voor dragerschap is gestart. Dit gebeurt onder voorwaarden die zijn vastgesteld in overleg met de bedrijfsarts, arts-microbioloog en/of deskundige infectiepreventie:
- De medewerker ondergaat op indicatie (bij afwezigheid van contra-indicaties zoals uitgebreide huidlaesies of persisterende blootstelling) een MRSA-dragerschapsbehandeling.
- De medewerker heeft geen huidafwijkingen zoals bijvoorbeeld (chronisch/opvlammend) eczeem en/of chronische wonden.
- De medewerker meldt het ontstaan van huidafwijkingen bij de bedrijfsarts.
- De medewerker is geen drager van een epidemische stam en/of stam die PVL-positief is.
- De medewerker committeert zich aan bron- en contactonderzoek. Bij een toevalsbevinding van een MRSA-dragerschap bij een medewerker, wordt aanbevolen om een contactonderzoek uit te zetten rondom de MRSA-drager op basis van een risico-inschatting en passende maatregelen. Raadpleeg hiervoor inhoudsdeskundigen waaronder bedrijfsarts, arts-microbioloog en deskundige infectiepreventie.