De richtlijn bestaat uit twee modules:

Daarnaast bevat de richtlijn een bijlage met een overzicht van factoren die medicatietrouw positief of negatief kunnen beïnvloeden en gesprekstechnieken daarbij. Deze bijlage bevat tevens visuele overzichten en een tabel die bruikbaar is voor kennisoverdracht. Zorgverleners kunnen met de beïnvloedende factoren rekening houden bij het signaleren en oplossen van problemen met medicatietrouw.

In deze richtlijn worden de volgende fasen bij het gebruik van medicatie onderscheiden :

Fase 1: Starten (initiatie) = of de cliënt met de medicatie start op het aanbevolen overeengekomen moment.

Voorbeeld mogelijk probleem met medicatietrouw: de cliënt haalt de medicatie te laat op of start geheel niet met de medicatie.

Fase 2: Gebruiken (implementatie) = hoe de cliënt de medicatie gebruikt na het starten van de medicatie.

Voorbeeld mogelijk probleem met medicatietrouw: de cliënt gebruikt de medicatie onregelmatig of houdt zich niet aan de dosering of andere innameafspraken.

Fase 3: Vroegtijdig stoppen (discontinuatie) = of de cliënt de medicatie blijft gebruiken voor de aanbevolen of overeengekomen duur (de duur van gebruik wordt persistentie genoemd). Hieronder valt niet het gecontroleerd afbouwen van medicatie of het stoppen van medicatie in overleg met de voorschrijver.

Voorbeeld mogelijk probleem met medicatietrouw: de cliënt stopt voortijdig met de behandeling zonder overleg met de voorschrijver.