Bij screening gaat het om het opsporen van een aandoening of risicofactor in de gezonde bevolking. Gewoonlijk wordt onderscheid gemaakt tussen ‘algehele screening’ en ‘selectieve screening’. Bij ‘algehele screening’ wordt de gehele populatie gescreend en bij ‘selectieve screening’ alleen degenen die een hoog of verhoogd risico hebben op de desbetreffende aandoening. Bij screening worden mensen die een bepaald kenmerk mogelijk hebben uit de gezonde populatie gefilterd. Een positieve uitslag op een screeningstest betekent dus niet dat de betrokkene dat kenmerk ook daadwerkelijk heeft; daarvoor is altijd nadere diagnostiek nodig. Een voorbeeld van selectieve screening is het bevolkingsonderzoek op darmkanker waarvoor in ons land elke twee jaar alle mannen en vrouwen van 55 tot en met 75 jaar een uitnodiging krijgen.
Een bijzondere, selectieve vorm van screening is casefinding. Bij casefinding biedt men personen die vanwege een andere reden met een huisarts of andere zorgprofessional in contact komen, een screening via een vragenlijst of vroegdiagnostisch onderzoek aan. Aan casefinding doet een wijkverpleegkundige als zij bij elke nieuwe cliënt een standaard vragenlijst afneemt met vragen over bijvoorbeeld depressie of eenzaamheid.
Screening vindt men over het algemeen alleen zinvol en verantwoord als deze aan een groot aantal voorwaarden voldoet.
Onder verwijzing naar de criteria van Wilson en Junger (kader) moet, aldus de Gezondheidsraad, screening onder meer zijn gericht op een veelvoorkomend of ernstig gezondheidsprobleem; bewezen nuttig zijn; meer voordelen hebben dan nadelen; gebaseerd zijn op een betrouwbaar en valide instrument; de autonomie van de betrokkenen respecteren en waarborgen, en doelmatig zijn (Büller et al., 2008).
Met het oog op deze criteria vindt de werkgroep, screening niet opportuun. Er ontbreekt niet alleen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat screening op eenzaamheid op zichzelf nuttig of effectief is, ook is niet bekend hoe de (waarschijnlijk geringe) effecten van eenzaamheids-interventies gewogen moeten worden tegen de (onbekende) risico’s of nadelen. Daarbij doet zich ook de vraag voor in hoeverre screening algemeen aanvaard wordt in een samenleving waarin op het spreken over de eigen eenzaamheid nog een zeker taboe rust. Wijkverpleegkundigen screenen weliswaar regelmatig eigen cliënten (casefinding), maar is, aldus de werkgroep, in geval van eenzaamheid een onnodige handeling die zij beter achterwege kunnen laten.

In het project ‘Campaign to End Loneliness’ in het Verenigd Koninkrijk zijn zogeheten heatmaps ontwikkeld, die vergelijkbaar zijn met de zogeheten ‘wijkanalyses’ in ons land (RIVM,2016). 2 De Campaign to End Loneliness is een netwerk van nationale en regionale organisaties die sinds 2011 samenwerken aan het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die zijn gericht op het verminderen van eenzaamheid in buurten en wijken (https://www.campaigntoendloneliness.org/).
Deze heatmaps geven op basis van de belangrijkste ‘voorspellers’ van eenzaamheid (‘burgerlijke staat’, ‘ervaren gezondheid’, ‘leeftijd’ en ‘aantal personen van het eigen huishouden’ ) een beeld van de geografische verdeling van het risico op eenzaamheid in een bepaald gebied (AGE UK, 2018). Of, en in hoeverre, deze heatmaps of wijkanalyses iets toevoegen aan het werk van wijkverpleegkundigen en in hoeverre deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van eenzaamheid, is tot dusver niet wetenschappelijk onderzocht. Daarnaast is niet duidelijk hoe inzicht in de verspreiding van de voorspellers leidt of zou moeten leiden tot interventie (of niet) en welke effecten deze hebben op eenzaamheid in de desbetreffende buurt of wijk. Tenslotte; personen met een (sterk) verhoogd risico (de oudste thuiswonende ouderen met professionele zorg) behoren veelal al tot degenen waarmee de wijkverpleegkundige of verzorgende in aanraking komen, waardoor de toegevoegde waarde van screening onduidelijk is. Screening op wijkniveau lijkt de werkgroep om die reden niet opportuun.