De wetenschappelijke literatuur laat een groot aantal risicofactoren zien die samengaan met eenzaamheid zoals alleen wonen, armoede, slechte gezondheid, overlijden partner, het wegvallen van zingeving, en psychische eigenschappen zoals een gebrek aan zelfvertrouwen, sociale angst en depressie, een migratie-achtergrond . Met het oog op de mogelijkheden tot (preventief) interveniëren is het bij risicofactoren van belang onderscheid te maken tussen proximale en distale risicofactoren. Proximale risicofactoren zijn risicofactoren die ‘direct’ van invloed zijn op eenzaamheid, zoals de omvang en het functioneren van het sociale netwerk. Zo is de kans op eenzaamheid groter wanneer een uitgebreide en actieve vriendenkring, of een partner waar men steun aan ontleent, ontbreekt. Distale risicofactoren zijn de factoren die ‘indirect’ op eenzaamheid van invloed zijn en die belangrijk zijn bij de effecten die proximale factoren hebben. Te denken valt aan demografische en sociaal-culturele factoren. Interventies die zich richten op de aanpak van eenzaamheid richten zich doorgaans op de proximale risicofactoren.