Momenteel is er geen uniforme aanpak voor de begeleiding van personen met een TBI, hoe die begeleiding wordt ingevuld verschilt per GGD. Uit de discussie met de werkgroep is wel een aantal interventies naar voren gekomen die door sommige GGD’en met regelmaat worden ingezet in de standaard praktijk.
Bij start van de behandeling heeft de tbc-verpleegkundige (telefonisch) contact met de TBI-patiënt om mondelinge en schriftelijke voorlichting te geven over tuberculose, TBI, de behandeling, en het eventueel optreden van bijwerkingen. De frequentie van vervolgcontacten wisselt per patiënt, en wordt vaak in samenspraak met de patiënt bepaald. De voorlichting die wordt gegeven dient volledig en begrijpelijk te worden verstrekt. Indien er sprake is van een taalbarrière kan de verpleegkundige een tolk inschakelen of andere methoden om de taalbarrière op te lossen. Er wordt vaak extra aandacht besteed aan het mogelijk optreden van bijwerkingen. De patiënt wordt geadviseerd om, indien er sprake is van bijwerkingen, contact op te nemen met de tbc-verpleegkundige.
Tijdens de intake maakt de tbc-verpleegkundige een inschatting van de therapietrouw van de patiënt. In samenspraak met de patiënt, bepaalt de verpleegkundige of er behoefte is aan additionele ondersteuning gedurende de behandeling. In de huidige praktijk wordt er soms gekozen voor een medicijndoos of DOT als ondersteunende interventie. In het geval van DOT, vraagt de verpleegkundige, indien mogelijk/ noodzakelijk, andere betrokken vertrouwenspersonen om de patiënt te ondersteunen bij de medicatie-inname. Onder andere ouders/verzorgers, andere familieleden, het centraal orgaan asielzoekers (COA), gezondheidszorg asielzoekers (GZA) of begeleiding op de woonvoorziening kunnen worden gevraagd om die extra ondersteuning te bieden.
Ondersteuning die de patiënt ontvangt, reikt verder dan enkel het direct begeleiden van de behandeling. De tbc-verpleegkundige bespreekt alles met de patiënt, “niets is taboe”. Ook geeft de tbc-verpleegkundige advies wat een patiënt eventueel wel en niet kan zeggen tegen naasten. Om zo eventueel stigma bespreekbaar te maken. Zie ook de adviezen hierover in module 5.