Cliëntomgeving

64. Een schone cliëntomgeving en schoon sanitair zijn voorwaarden om hygiënisch te kunnen werken. Indien de cliëntomgeving en/of het sanitair onvoldoende schoon of zichtbaar vies is:

Verpleegkundig materiaal

65. Reinig verpleegkundig materiaal:

66. Wanneer verpleegkundig materiaal verontreinigd is met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je na reinigen te desinfecteren.

Mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen zoals sleutels, druppels of pasjes

67. Reinig mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen aan het begin en aan het einde van de dienst en bij verontreiniging.

68. Gebruik mobiele communicatieapparatuur en toegangsmiddelen niet tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Indien dat niet mogelijk is:

69. Bij verontreiniging van toegangsmiddelen met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je na het reinigen te desinfecteren.

Procedure reiniging

70. Gebruik bij reiniging bij voorkeur een klam vochtige wegwerp microvezeldoek. Gebruik bij andere reinigingsmethoden altijd de op de verpakking aangegeven concentratie van een reinigingsmiddel.

Procedure reiniging & desinfectie

71. Bij verontreiniging met lichaamsvocht (zoals bloed, urine, ontlasting, braaksel, sputum) dien je als volgt te handelen:

  1. Maak gebruik van wegwerphandschoenen (conform aanbevelingen 25 t/m 35);
  2. Neem indien nodig vocht op met behulp van een tissue;
  3. Reinig het materiaal grondig met een klam vochtige microvezeldoek;
  4. Het gereinigde materiaal drogen;
  5. Het gereinigde materiaal desinfecteren;
  6. Doe de handschoenen uit en pas handhygiëne toe.

72. Desinfecteer alleen met desinfectans conform het beleid van de organisatie. Let hierbij op de inwerktijd en het soort waartegen het middel werkzaam is.

Let op!