Het inzetten van interventies is volgens de werkgroep altijd zinvol, ondanks het beperkte wetenschappelijk bewijs. Op basis van het beperkte beschikbare bewijs, aangevuld met aanbevelingen uit andere richtlijnen en de eigen standpunten van de werkgroep, heeft de werkgroep aanbevelingen geformuleerd.
De wijkverpleging kan een belangrijke rol hebben in het ondersteunen van een cliënt met FI. FI heeft een groot effect op de kwaliteit van leven van de cliënt, daarom heeft de werkgroep een aantal aanbevelingen over informatie geven en monitoren of interventies werken, en monitoren van nieuw medicijngebruik sterk geformuleerd. Dit zou bij elke cliënt met FI moeten gebeuren. Door informatie te geven over de aandoening en mogelijke copingstrategieën wordt het onderwerp bespreekbaar gemaakt. Uit gesprekken kunnen de persoonlijke voorkeuren en wensen van de cliënt goed naar voren komen die een basis vormen voor een zorgplan. En hopelijk uiteindelijk de kwaliteit van leven verhogen. Beschadigingen van de huid door incontinentie kunnen groot effect hebben op de kwaliteit van leven, daarom zou het beschermen van de huid altijd aandacht moeten krijgen bij cliënten met incontinentie.
Uit de literatuur bestaat er beperkt bewijs dat educatie over bijvoorbeeld toiletgang en voeding de ernst van FI en kwaliteit van leven zou kunnen verbeteren. Het is moeilijk in te schatten of deze interventies bij elke cliënt effect hebben. De werkgroep vindt het wel de moeite waard om niet-medicamenteuze interventies bij FI te proberen. De werkgroep is daarom van mening dat adviezen over de toiletroutine en voeding tot de aanbevelingen horen. De werkgroep vindt dat het geven van advies over toiletroutine eigenlijk zo belangrijk is dat het zelfs tot de ‘doen’ aanbevelingen hoort ondanks het beperkte bewijs.
De meeste interventies voor FI waar (beperkte) wetenschappelijke bewijs voor bestaat, zoals bekkenfysiotherapie of transcutane elektrische neurostimulatie (TENS), zullen niet ingezet worden door de wijkverpleging zelf. De werkgroep heeft daarom besloten geen specifieke aanbevelingen te maken hierover. De wijkverpleging kan de cliënt wel stimuleren om een consult aan te vragen bij bijvoorbeeld een bekkenfysiotherapeut of de huisarts om dit soort behandelopties te bespreken. Bij sommige interventies kan de wijkverpleging ondersteuning bieden bij het toedienen, bijvoorbeeld vezels, medicatie of klysma’s. Hier is de signalerende rol van de wijkverpleging weer van belang, en is het raadzaam om het effect hiervan te evalueren en observaties laagdrempelig te overleggen met de voorschrijver. Sommige medicatie zoals vezels of diarreeremmers zijn ook verkrijgbaar zonder recept. De werkgroep vindt het echter niet wenselijk dat de cliënt of wijkverpleging zelf gaan experimenteren met deze middelen zonder advies van bijvoorbeeld de huisarts. Er zijn daarom ook geen specifieke aanbevelingen over deze middelen. Verder raadt de werkgroep het manueel verwijden van ontlasting af, aangezien dit een risicovolle en voorbehouden handeling is die alleen door bevoegde zorgverleners mag worden uitgevoerd.