De wijkverpleging kan in opdracht van de (huis)arts verschillende (medische) interventies uitvoeren. Daarnaast kan de wijkverpleging zelf verpleegkundige interventies starten. Er zijn echter ook interventies waarbij ze een ondersteunde rol hebben. De wijkverpleging heeft een faciliterende en signalerende rol.
De wijkverpleging kan informatie geven over de aandoening en advies over coping strategieën. Samen met de cliënt en/of mantelzorger kunnen zij beoordelen of er aanpassingen nodig zijn om de toiletroutine te verbeteren. Zij kunnen eventueel ook helpen bij het aanvragen van hulpmiddelen. Daarnaast kan de wijkverpleging algemene voedingsadviezen geven om de stoelgang te verbeteren. Bij meer complexe adviezen en aanpassingen aan de voeding is het verstandig een diëtist te raadplegen. De wijkverpleging kan de cliënt stimuleren een consult aan te vragen bij een diëtist. De diëtist is op het moment van ontwikkelen van de richtlijn, vrij toegankelijk. Dit houdt in dat er geen verwijzing vanuit de (huis)arts nodig is.
De wijkverpleging kan ook de cliënt stimuleren om een consult aan te vragen bij een geregistreerd bekkenfysiotherapeut voor behandeling. Dit kan ook zonder verwijzing. Echter kan het zijn dat er geen bekkenfysiotherapeut beschikbaar is in de buurt. De wijkverpleging kan de cliënt ook verwijzen naar een continentieverpleegkundige, huisarts of specialist voor behandeling. Zij kunnen andere interventies of medicatie voorschrijven, waarbij de wijkverpleging een ondersteunende rol kan hebben bij het toedienen van de interventies of medicatie. Bijvoorbeeld advies geven over het innemen van medicatie, het monitoren of medicatie op de juiste wijze ingenomen wordt en bijwerkingen monitoren. Ook kunnen zij evalueren of de interventie het gewenste effect heeft en het resultaat hiervan opnemen in het verpleegkundig dossier.
Een deel van de niet-medicamenteuze interventies vindt plaats buiten huis of wordt voorgeschreven door andere professionals dan de wijkverpleging. Bij voorkeur is er een multidisciplinair overleg waar de wijkverpleging op de hoogte wordt gebracht van nieuwe interventies. De wijkverpleging kan dan goed geïnformeerd worden en haar faciliterende en ondersteunende rol goed vervullen. Als er geen multidisciplinair overleg is kan overleg met de voorschrijver van een interventie nodig zijn om goed te begrijpen wat het gewenste effect is van de interventie en hoe de wijkverpleging kan ondersteunen. Binnen dezelfde organisatie is overleg eenvoudiger te organiseren dan tussen organisaties. Tussen organisaties kan niet altijd patiëntengegevens gedeeld worden.