Door het gebrek aan bewijs is het lastig om in te schatten wat de kans is op een voordelig effect op de ernst en symptomen van de FI, en kwaliteit van leven van cliënten. Het effect kan ook afhankelijk zijn van de leeftijd, type incontinentie, overtuigingen van de cliënt, hun motivatie om hun gedrag aan te passen en hoe therapietrouw ze zijn.
In de periode dat de cliënt zorg ontvangt kunnen meerdere interventies worden geprobeerd. Zorg dat er wordt gemonitord of een nieuw ingezette verpleegkundige interventie werkt, bijvoorbeeld door middel een defecatiedagboek of een vragenlijst voor kwaliteit van leven. Het gebruik van een dagboek wordt beschreven bij uitgangsvraag 2. Na verloop van tijd kunnen nieuwe aandoeningen of ziekten ontstaan die effect kunnen hebben op de incontinentie. Daarnaast kan (nieuwe) medicatie effect hebben op het defecatiepatroon (zie tabel met medicatie bij uitgangsvraag 2).
Ondanks het gebrek aan wetenschappelijk bewijs, is de werkgroep van mening dat de aanbevelingen voornamelijk een voordelig effect zullen hebben en nauwelijks tot geen nadelige effecten zullen hebben. Sommige interventies, bijvoorbeeld het implementeren van een gezonde dieet en toiletroutine, zullen aanpassing in het gedrag en dagelijkse routine vragen, maar er worden geen bijwerkingen verwacht. Voor sommige interventies geldt dat, ondanks een zwakke bewijskracht, het toch vrij aannemelijk is dat het toepassen ervan een positief effect zal hebben, en het niet toepassen ervan juist een negatief effect zou kunnen hebben. Daarom horen deze aanbevelingen gedaan te worden. Bijvoorbeeld, een zorgverlener doet het altijd goed om de cliënt te informeren over hun aandoening en zou door simpele stappen te ondernemen (zoals bijvoorbeeld de weg naar de toilet vrij en goed belicht te maken) al een verschil in de ernst en impact van de aandoening kunnen bieden. Bij andere interventies is het minder vanzelfsprekend dat deze een positief effect zullen hebben, maar omdat de kans op nadelige effecten laag is, kunnen ondanks een zwakke bewijskracht van mogelijke voordelige effecten de interventies toch overwogen worden.
Elke cliënt is anders en daarom vraagt het kiezen van de juiste interventie een individuele benadering. Bijvoorbeeld, iemand met een cognitieve beperking heeft meer begeleiding nodig van de mantelzorger. Ook moet rekening gehouden worden met de mobiliteit van cliënten. Wanneer iemand niet goed ter been is, zullen bijvoorbeeld aanpassingen in de fysieke omgeving kunnen helpen om sneller bij het toilet te komen.
Langdurig contact van de huid met feces moet vermeden worden. Na elk incident dient de huid zo snel mogelijk schoongemaakt te worden. Cliënten met FI lopen het risico om incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD) of Lichen sclerosus (LS) te ontwikkelen. Beschadiging of irritatie van de huid kan fysiek ongemak, financieel, sociaal en psychisch lijden veroorzaken voor de patiënt. De Belgische vereniging voor wondzorgconsulenten heeft een uitgebreide richtlijn geschreven over de herkenning en behandeling van IAD.