De samenvatting van de kennis is grotendeels overgenomen uit de oude V&VN richtlijn. Er is gezocht of nieuwere (internationale) richtlijnen nieuwe relevante literatuur presenteren (zie ook Verantwoording in bijlage 7). Dat blijkt niet het geval te zijn. Daarom presenteren we hier de tekst zoals deze in de V&VN richtlijn uit 2010 te vinden was .

Interventies gericht op toiletgang of toiletroutine
In deze paragraaf worden toiletgang na attenderen (prompted voiding) en verbeteren toiletgang (habit retraining) beschreven. Deze interventies zijn gericht op de toiletgang en hebben tot doel om incontinentie te voorkomen door bijvoorbeeld meer frequent naar het toilet te gaan. Daarbij verschillen de interventies onder andere in de tijdsinvestering voor de zorg en verpleging en de mate waarin een actieve bijdrage verwacht wordt van de cliënt.

In deze paragraaf worden deze interventies achtereenvolgens behandeld. De tekst is grotendeels overgenomen uit de oude richtlijn. Interventies die vragen om permanent ondersteuning door zorg of verpleging zijn verwijderd omdat deze in de wijkverpleging niet uitvoerbaar zijn.

Vaste toiletrondes
Vaste toiletrondes zijn ook wel bekend onder de naam ‘timed voiding’. Vaste toiletrondes is een interventie die gebruikt wordt om incontinentie-episodes te voorkomen. Het heeft dus niet tot doel om de cliënt weer continent te maken. In beschrijvingen van de interventie in de literatuur komt een aantal aspecten steeds terug. Er is sprake van een vaststaand tijdsinterval tussen de toiletgang en hulp bij de toiletgang wordt in gang gezet en uitgevoerd door het zorgpersoneel. De interventie is geschikt voor mensen die niet in staat zijn om zelfstandig naar het toilet te gaan (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004).

Er zijn vier reviews geïncludeerd waarin toiletrondes (al of niet in combinatie met een andere interventie), vergeleken wordt met onder andere reguliere zorg en een placebo (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004).

De review van Ostaszkiewicz et al. (2005) bevat twee trials waarin toiletrondes in combinatie met andere interventies vergeleken wordt met reguliere zorg . Participanten waren personen met UI (niet verder gespecificeerd) in verpleeghuizen met een gemiddelde leeftijd van 87 jaar, voornamelijk vrouwen met veelal zowel een cognitieve als een fysieke beperking. Gehanteerde uitkomstmaten waren o.a. het aantal individuen met vermindering in de frequentie van incontinentie tijdens de dag en tijdens de nacht. In één van de trials werd een significant effect in de interventiegroep gevonden, namelijk een significant grotere vermindering in de frequentie van incontinentie tijdens de nacht, vergeleken met de controlegroep (risk ratio [RR] 1,80; 95% betrouwbaarheidsinterval [CI] 1,12 tot 2,89). De auteurs van de review wijzen op potentiële bias in de RCT’s, gerelateerd aan o.a. blinding to allocation. Ze concluderen bovendien dat toiletrondes in beide reviews maar één component was van de gehanteerde interventies in de trials en dat niet kan worden vastgesteld welke specifieke factor bijdroeg aan de uitkomsten. De auteurs trekken daarom geen conclusies over de effectiviteit van toiletrondes voor het managen van UI. Er worden ook geen subgroepanalyses beschreven. In de reviews van Ostaszkiewicz et al. (2004a) en Roe et al. (2007) worden dezelfde RCT’s besproken als in de hier beschreven review van Ostaszkiewicz et al. (2005) . (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004)

De review van Thomas et al. (2008) bevat drie trials waarin toiletrondes (met of zonder biofeedback) vergeleken wordt met reguliere zorg of met het medicijn oxybutinine of toiletrondes alleen, bij UI na een beroerte . In één trial hadden de participanten aandrangincontinentie, in de andere twee is de vorm van UI niet verder gespecificeerd. De leeftijd en het geslacht van de in totaal 99 participanten in de trials zijn niet bekend. In alle RCT’s werd onder andere het aantal incontinentie episodes per dag als uitkomstmaat gehanteerd. In twee van de drie trials was sprake van te weinig data om conclusies te kunnen trekken. In de andere RCT (waarin toiletrondes plus biofeedback vergeleken werd met toiletrondes alleen) bleek dat het aantal incontinentie-episodes significant minder was in de controlegroep (alleen toiletrondes) (weighted mean difference [WMD] 2,20; 95% CI 0,12 tot 4,28). Door de kleine steekproeven en de grote betrouwbaarheidsintervallen in de drie trials kan niet uitgesloten worden dat er, ondanks dat er maar één significant effect gevonden werd, toch meer belangrijke effecten bestaan. In de review worden geen subgroepanalyses beschreven.

Toiletgang na attenderen
Toiletgang na attenderen wordt ook wel ‘prompted voiding’ genoemd. Toiletgang na attenderen is gericht op het voorkomen van incontinentie-episodes. Het heeft dus niet tot doel de cliënt weer continent te maken. In de literatuur wordt een aantal aspecten van de interventie besproken. De interventie is gericht op een verandering in de manier waarop omgegaan wordt met urineverlies. Aan mensen met of zonder cognitieve beperking wordt geleerd om zelf het initiatief te nemen voor de toiletgang, door om hulp bij de toiletgang te vragen. Aan hen wordt met regelmaat door zorgverleners gevraagd of ze naar het toilet moeten. Door de hulpverleners wordt bovendien aangegeven dat als de cliënt op een ander moment naar het toilet moet, dit door de cliënt aangegeven moet worden. Zorgvragers geven positieve feedback wanneer cliënten, door tijdig naar het toilet te gaan, incontinentie voorkomen .

Er is een review geïncludeerd van Roe et al. (2007) . Dit is een review van reviews over blaastraining en interventies gericht op de toiletgang, waaronder ook toiletgang na attenderen. In de review wordt één review over toiletgang na attenderen beschreven. Participanten in de trials die in deze review worden beschreven, waren voornamelijk ouderen (waarvan 83% vrouwen) die cognitief en/of fysiek beperkt waren. De duur van de training varieerde van tien dagen tot acht weken. Het attentie-interval varieerde van één uur tot twee uren en was in één studie progressief, startend met een interval van twee uur. De interventie werd door zorgverleners of getrainde onderzoeksassistenten uitgevoerd. Follow-up werd vaak niet beschreven. De inhoud van de interventie leek te variëren, alhoewel dit volgens de auteurs van de review ook kan wijzen op slechte beschrijvingen van de interventie. In de review wordt op basis van de trials geconcludeerd dat er bewijs bestaat dat op de korte termijn toiletgang na attenderen effectief is om UI bij ouderen te managen, maar dat verder onderzoek nodig is naar onder andere de impact van de duur en intensiteit van de training. De uitkomstmaten en de resultaten van de trials waarop deze conclusie gebaseerd is, worden uitgebreider in de NICE richtlijn (2006) beschreven . In één RCT wordt bij 143 vrouwen de interventie vergeleken met reguliere zorg. Na de 13 weken durende interventie werd een significante vermindering in het aantal incontinentie-episodes gevonden, ten gunste van de interventie. Deze vermindering bleek gehandhaafd bij 22 weken follow-up. Er werden in deze RCT geen verschillen gevonden in vermeerdering van zelf geïnitieerde verzoeken van de participanten. In een andere RCT met 21 participanten (71% vrouw), werd een vermindering in lekkage en een verhoging van het aantal verzoeken voor ondersteuning bij de toiletgang gevonden, tijdens een drie weken durende interventie. In een RCT waarin bij 126 participanten (waarvan 75% vrouw) een tien tot 20 dagen durende interventie vergeleken werd met reguliere zorg, werden gelijkwaardige resultaten gevonden. In een andere RCT, waarin bij 19 participanten (68% vrouw) de interventie vergeleken werd met reguliere zorg, werd op de genoemde uitkomsten geen verschil gevonden. Dit zou echter verklaard kunnen worden door een te kleine steekproef. In de NICE richtlijn (2006) wordt op basis van deze RCT’s geconcludeerd dat toiletgang na attenderen leidt tot een vermindering in het aantal incontinentie-episodes bij cognitief beperkte mannen en vrouwen .

Verbeteren toiletgang
Verbeteren toiletgang wordt ook wel ‘habit retraining’ genoemd. Verbeteren toiletgang is gericht op het voorkomen van incontinentie-episodes. Het heeft dus niet tot doel om de cliënt weer continent te maken. In beschrijvingen van de interventie in de literatuur, komt naar voren dat de cliënt de passieve ontvanger is van de interventie, uitgevoerd door het zorgpersoneel. Cliënten worden dus niet gemotiveerd om zelf om hulp te vragen bij de toiletgang. De interventie is vooral gericht op mensen die ondersteuning nodig hebben vanwege fysieke en/of cognitieve beperkingen. Bij de interventie wordt het toiletschema van het individu in kaart gebracht waarna een nieuw op het individu toegespitst schema wordt gemaakt. Het interval tussen de toiletgang wordt dan zodanig ingesteld dat een maximaal interval tussen de toiletgang ontstaat, maar incontinentie wordt voorkomen (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004).

Er zijn drie reviews geïncludeerd waarin verbeteren toiletgang (al of niet in combinatie met een andere behandeling) vergeleken wordt met reguliere zorg of verbeteren toiletgang alleen (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004).

In de review van Ostaszkiewicz et al. (2004b) worden resultaten van drie RCT’s beschreven waarin de vergelijking wordt gemaakt tussen verbeteren toiletgang in combinatie met een andere behandeling, en gewone zorg (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004). De RCT’s bevatten in totaal 337 participanten, voornamelijk oudere vrouwen (vaak cognitief en/of fysiek beperkt) en hun zorgverleners. Participanten hadden een gemiddelde leeftijd van respectievelijk 85, 76 en 80 jaar. In twee van de studies hadden de participanten aandrang- en/of stressincontinentie. Voor de andere studie is de vorm van incontinentie niet gespecificeerd. Gehanteerde klinische uitkomstmaten in de studies waren onder andere het aantal incontinentie-episodes en het incontinentie volume. Er werden geen significante verschillen op deze uitkomsten gevonden, tussen de interventie- en controlegroepen. Er werden geen gepoolde resultaten beschreven omdat dit niet mogelijk was door variatie in de interventies waarmee verbeteren toiletgang gecombineerd werd, variaties in de duur van de training (zes weken tot zes maanden) en door variatie in de additionele steun die aan het zorgpersoneel gegeven werd over de omgevingsaspecten (nabijheid toilet) en het belang van goede vochtinname. In één van de trials werd ook gekeken naar de bereidheid van de zorgverleners om de interventie uit te voeren en naar de stress die hierbij komt kijken. De resultaten laten zien dat de uitvoering van de interventie voor de zorgverlener bij start meer stress met zich meebracht dan tegen het einde van de interventie en dat zorgverleners aan het einde ook meer bereid waren om te werken aan de incontinentie van de cliënt. Deze verschillen waren echter niet significant. In de review van Ostaszkiewicz et al. (2004b) wordt ook één RCT beschreven waarin verbeteren toiletgang + elektronisch monitoren en training van personeel vergeleken wordt met verbeteren toiletgang alleen (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004). De 41 participanten waren patiënten uit twee ziekenhuizen, met een gemiddelde leeftijd van respectievelijk 82 (interventiegroep) en 85 jaar (controlegroep). Geslacht en vorm van UI van de participanten worden in de review niet benoemd. Uitkomstmaten waren onder andere de perceptie van de participanten van de frequentie van incontinentie in 24 uur en hun perceptie van de ernst van de incontinentie. Er is alleen bewijs gevonden voor een trend van minder ernstige incontinentie in de interventiegroep, maar dit verschil met de controlegroep is moeilijk te interpreteren omdat maar van 13 van de 28 participanten data zijn verzameld.

Bij alle hierboven beschreven trials was sprake van methodologische beperkingen, waardoor er sprake kan zijn van over- of onderschatting van effecten. De interventies waren bovendien slecht beschreven. Ostaszkiewicz et al. (2004b) concluderen op basis van deze RCT’s dat er onvoldoende bewijs is om verbeteren toiletgang aan te raden (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004). Roe et al. (2007) schreven een review van reviews over blaastraining en de verschillende interventies gericht op de toiletgang, waaronder verbeteren toiletgang . Er is één review over verbeteren toiletgang in de review van Roe et al. (2007) opgenomen, namelijk de hierboven beschreven review van Ostaszkiewicz et al. (2004b) (Ostaszkiewicz, Johnston et al. 2004). Roe et al. (2007) concluderen op basis van deze review ook dat er geen bewijs gevonden is op basis waarvan verbeteren toiletgang aangeraden kan worden .

Ook Latthe et al. (2008) schreven een review van reviews, namelijk over niet-chirurgische behandelingen van stressincontinentie . Zij zochten hiervoor ook naar reviews over verbeteren toiletgang voor de behandeling van stressincontinentie. Zij vonden deze echter niet. De auteurs concluderen in de review dat onvoldoende bewijs bestaat voor het aanraden van verbeteren toiletgang bij stressincontinentie.

Toilethouding
In deze paragraaf wordt uitgelegd wat een goede toilethouding is en hiermee samenhangend hoe men goed kan uitplassen. Bovendien wordt het belang van privacy bij de toiletgang uiteengezet. Deze zaken zijn van belang omdat bij een goede toilethouding het legen van de blaas onder optimale omstandigheden kan plaatsvinden. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat UWI’s ontstaan, een factor die kan bijdragen aan UI. Bovendien heeft het niet goed ledigen van de blaas tot gevolg dat cliënten vaker naar het toilet gaan, waardoor de blaas kleiner wordt en een grotere kans bestaat op aandrangincontinentie.

Er is geen literatuurstudie gedaan naar toilethouding omdat de verwachting was dat dit weinig zou opleveren. De informatie die hier gegeven wordt, is gebaseerd op hetgeen er over gezegd wordt op websites van fysiotherapiepraktijken en incontinentiecentra, aangevuld met de ervaringen van de werkgroep.

Een goede toilethouding

De cliënt moet:

Cliënten kunnen door verzorgenden, verpleegkundigen, verpleegkundig specialist en continentieverpleegkundigen getraind worden in het aannemen van een goede toilethouding en het goed uitplassen. Ook de bekkenfysiotherapeut, huisarts of specialist ouderengeneeskunde kunnen deze training verzorgen. Daarnaast moet men blijven oefenen. Om de ouderen te herinneren aan een goede toilethouding, zou een plaatje van een goede toilethouding (met instructies in grote letters) op het toilet gehangen kunnen worden. Een ergotherapeut kan worden benaderd als het toilet aanpassingen nodig heeft goed toegankelijk te zijn voor minder mobiele ouderen.

Leefstijladviezen
Voor de behandeling van UI kunnen ook leefstijlinterventies worden toegepast. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het wijzigen van de hoeveelheid vochtinname, het verminderen van roken en het verminderen van cafeïne- en alcoholgebruik. Er zijn drie reviews geïncludeerd waarin aandacht besteed wordt aan leefstijlinterventies bij de behandeling van UI .

Twee reviews zijn gericht op incontinentie na prostaatverwijdering , een andere op incontinentie bij volwassenen na een beroerte , daarmee sluiten ze maar deels aan op de doelgroep van deze richtlijn. De reviews van Hunter et al. en Thomas et al. vonden geen trials over het effect van leefstijlinterventies. De review van Nahon et al. (2006) is een review van reviews, experimentele studies, observationele studies en case studies . Er werd één studie gevonden over het effect van leefstijlinterventies. De studie wordt echter niet beschreven en het is onduidelijk om wat voor leefstijlinterventies het gaat.

In een aantal geïncludeerde richtlijnen werd meer literatuur gevonden over leefstijlinterventies in relatie tot UI . De meeste studies over leefstijlinterventies rapporteren echter alleen over samenhang tussen leefstijl en incontinentie en gaan niet na of er een effect van leefstijlinterventies op incontinentie bestaat. In onderstaande wordt de literatuur die in de richtlijnen gevonden is beschreven.

Het ICI-boek noemt verschillende leefstijlinterventies voor de behandeling van UI, bijvoorbeeld afvallen, management van vochtinname, stoppen met roken en het verminderen van obstipatie . Geconcludeerd wordt dat een aantal van deze interventies ongeschikt zou kunnen zijn voor de groep kwetsbare ouderen (bijvoorbeeld afvallen en stoppen met roken) en dat voorzichtig omgegaan moet worden met extrapolatie van de resultaten van studies die uitgevoerd werden bij jongere, fittere participanten. Er is een aantal studies gevonden over de leefstijlinterventies die gericht zijn op (kwetsbare) ouderen. De studies gaan over dieet en vochtinname bij oudere, maar niet noodzakelijk kwetsbare, vrouwen. De steekproeven van deze studies waren klein en het waren vaak geen klinische onderzoeken. In één van de studies werd het effect van hydratatie op het aantal incontinentie episodes bij oudere vrouwen onderzocht. Er werden geen significante resultaten gevonden. Volgens de auteurs is een mogelijke verklaring hiervoor dat veel participanten zich niet aan het protocol hebben gehouden. In een andere studie werden 41 oudere vrouwen geïnstrueerd om minder koffie te drinken en de vochtinname te vergroten. Verminderde inname van koffie bleek niet significant met minder incontinentie episodes samen te hangen. In een review werd ondanks beperkt bewijs geadviseerd dat personen met UI geen cafeïne moeten drinken. In een studie met vrouwen boven de 40 jaar werden koolzuurhoudende dranken, overgewicht en in mindere mate koffieconsumptie geïdentificeerd als risicofactoren voor stressincontinentie. In een studie bij bewoners van verpleeghuizen bleek een lichaamsbeweging- en toiletgang-interventie geen statistisch significant effect te hebben op obstipatie, een factor die voorkomen of verminderd moet worden bij UI. In de studie wordt aangegeven dat in dit kader wel geadviseerd wordt om zemelen in het dieet op te nemen, maar dat dit bij een te lage vochtinname obstipatie kan verergeren.

Op basis van bovenstaande studies wordt in het ICI-boek (ICS, 2009) geadviseerd cafeïne-inname te verminderen bij ouderen met UI en om zemelen in het dieet op te nemen om obstipatie tegen te gaan . Geconcludeerd werd echter ook dat er weinig wetenschappelijk bewijs is op basis waarvan aangenomen kan worden dat dit ook effectief is bij kwetsbare personen. Ook werd vermeld dat het de situatie kan verslechteren en dat hier dus voorzichtig mee omgegaan moet worden. Als meer inname van zemelen niet samengaat met voldoende vochtinname dan kan dit obstipatie namelijk juist verergeren.

In een update van het ICI-boek wordt opnieuw gekeken naar de relatie tussen roken en urine-incontinentie . Het bewijs is conflicterend uit cross-sectionele studies. Goede prospectieve studies ontbreken om een causale relatie aan te tonen. De ICS concludeert dat roken waarschijnlijk geen risicofactor is voor UI. In deze versie van het ICI-boek wordt ook gewaarschuwd voor het adviseren van vochtrestrictie, omdat veel kwetsbare ouderen al te weinig drinken en risico lopen op uitdroging.

In de NICE-richtlijn (2006) wordt net als in het ICI-boek aangegeven dat er gebrek is aan onderzoek over het effect van leefstijlinterventies op UI . Dit onderwerp heeft in de richtlijn van 2019 geen update gekregen. Er is gebrek aan hoge kwaliteit prospectief gecontroleerde trials die het effect van leefstijlfactoren op UI onderzoeken. Er zijn wel verschillende observationele studies gevonden die de samenhang tussen leefstijl en UI onderzochten. In de meeste van deze studies participeerden zowel mannen als vrouwen. In een aantal van deze studies waren participanten ouderen. Dit waren studies over vermindering van cafeïne-inname en stoppen met roken of afvallen, in relatie met UI.

In de richtlijn wordt één RCT en worden vier observationele studies en vier cross-sectionele studies beschreven over cafeïne inname in relatie tot incontinentie. In vier van deze in totaal negen studies waren de participanten ouderen. De auteurs van de richtlijn concluderen op basis van deze studies dat verhoogde cafeïne inname samenhangt met UI.

In de richtlijn worden zes cross-sectionele surveys benoemd waarin de relatie tussen roken en UI bij vrouwen wordt beschreven. In één van deze zes studies waren participanten ouderen. In drie van de zes studies (waaronder de studie met oudere participanten) werd geen samenhang gevonden. In de andere drie werd positieve samenhang gevonden tussen roken en UI.

In de richtlijn worden 13 studies (één RCT, vier case series, twee cohortstudies en cross-sectionele studies) beschreven over de relatie tussen afvallen en UI. Onder deze studies was één cross-sectionele studie waarin de participanten ouderen waren. De conclusie van deze laatste studie is dat een verhoogd risico op aandrangincontinentie bestaat bij vrouwen met het hoogste BMI-kwartiel, ten opzichte van vrouwen met het laagste BMI-kwartiel. De totaalconclusie van de richtlijn op basis van de 13 studies is dat er bewijs is voor een samenhang tussen overgewicht en UI en dat tenminste 5% in gewicht afvallen, samenhangt met minder symptomen van UI.

Bekkenbodemspiertraining
Er is geen nieuwe literatuur verzameld over bekkenbodemspiertraining omdat de interventie wordt gestart bij de bekkenfysiotherapeut en niet door de wijkverpleging. Bekkenbodemspiertraining heeft wel een belangrijk plek in de behandeling van UI als niet-medicamenteuze interventie. De werkgroep vindt het daarom wel belangrijk om een korte samenvatting van de kennis te geven.

Bekkenbodemspiertraining is een training die ervoor zorgt dat participanten getraind worden om hun bekkenbodemspieren selectief samen te trekken om zodoende de sterkte en duur van de contractie van de spieren te vergroten, het uithoudingsvermogen van die spieren te vergroten, de reactiesnelheid van deze musculatuur te bevorderen, de coördinatie te bevorderen en de bekkenbodemmusculatuur te ontspannen. Deze training wordt gegeven door bekkenfysiotherapeuten.

Er wordt verondersteld dat herhaalde (maximale) contractie en ontspanning van de spieren helpt om eventueel onvrijwillig urineverlies te controleren, meer steun te geven aan de urethrale sfincter en dat het selectief aanspannen van de bekkenbodem de overactiviteit van de detrusor musculatuur remt. De training kan onder andere variëren in aantal contracties per sessie, aantal sessies, frequentie, duur en snelheid van de contracties, de lengte van de trainingsperiode en de vorm van instructie die bij de training gegeven wordt .

Voor de wetenschappelijke onderbouwing van bekkenbodemspiertraining werd in de oude richtlijn onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Er werden vijf reviews geïncludeerd waarin bekkenbodemspiertraining een rol speelt in vergelijkingen van verschillende behandelingen van UI en waarbij de training (al of niet in combinatie met blaastraining) vergeleken wordt met reguliere zorg of een andere behandeling . Er is bewijs dat bekkenbodemspiertraining bij oudere vrouwen met UI (met name bij stress, maar ook bij aandrang en gemengde UI) effectiever is dan geen behandeling als gekeken wordt naar onder andere vermindering in aantal incontinentie episodes. Er is bewijs gevonden dat bekkenbodemspiertraining bij oudere vrouwen met UI minimaal zes weken moet duren, met daarbij minimaal 24 contracties per dag . Er is bewijs gevonden dat het gebruik van bekkenbodemspiertraining in combinatie met blaastraining effectiever is dan reguliere zorg bij oudere vrouwen met UI (aandrang- en/of stress), als gekeken wordt naar het percentage patiënten dat weer continent werd of waarbij verbeteringen optraden .

Er werden drie reviews geïncludeerd, waarin bekkenbodemspiertraining een rol speelt in vergelijkingen van de behandeling met reguliere zorg of met geschreven of verbale instructies . In de reviews waar hier iets over wordt gezegd, wordt duidelijk dat onder reguliere zorg wordt verstaan dat er geen behandeling plaatsvindt van de UI. Er is bewijs gevonden dat bekkenbodemspiertraining bij mannen met UI na prostaatverwijdering effectiever is dan geen behandeling, als gekeken wordt naar onder andere het aantal participanten dat geneest van UI en de tijd die hiervoor nodig is . Er is bewijs gevonden dat bekkenbodemspiertraining voor de behandeling van UI bij mannen na TURP, effectiever is dan geen behandeling, als gekeken wordt naar de sterkte van de bekkenbodemspieren en het aantal incontinentie-episodes. Na vier weken bleken de verschillen echter niet meer statistisch significant . Er is bewijs dat er geen verschil is in effectiviteit voor de behandeling van UI bij oudere mannen na prostaatverwijdering tussen bekkenbodemspiertraining of geschreven dan wel verbale instructie .

Uit de factsheet Bekkenfysiotherapie bij Urine Incontinentie die is opgesteld naar aanleiding van een richtlijn door de Nederlandse Vereniging voor Bekkenfysiotherapie (NVFB) blijkt dat twee derde van de vrouwen en de meerderheid van de mannen tevreden is over het effect van de bekkenfysiotherapie behandeling . Er zijn geen nadelige effecten of bijwerkingen van de training bekend.

Bekkenfysiotherapie is bewezen effectief in het verminderen van UI en verbetering van de bekkenbodemspierfunctie en de kwaliteit van leven bij vrouwen met UI. Ook bij mannen na radicale prostatectomie operaties lijkt een positief effect aanwezig. Bekkenfysiotherapie lijkt ook kosteneffectief in vergelijking met usual care, waardoor bekkenfysiotherapie veelal als eerste behandelkeuze wordt beschouwd bij UI in vergelijking met operatieve interventies.

Blaastraining
Blaastraining wordt vaak in combinatie met bekkenbodemspiertraining gegeven. De wijkverpleging besluit niet of deze interventie wordt gestart, maar kan wel een ondersteunende rol bieden. De werkgroep vindt het daarom wel belangrijk om een korte samenvatting van de kennis te geven.

De interventie is gericht op het herkrijgen van continentie en wordt toegepast bij mensen die cognitief en fysiek in staat zijn om deze training (bewust) te volgen. Door het trainen van de blaas wordt geprobeerd om het normale plaspatroon te herstellen (tot een interval van ongeveer 3 à 4 uur). Cliënten moeten gedurende de dag volgens schema plassen en verder de drang tot plassen onderdrukken, door middel van strategieën als afleiding, ontspanning en bewust voor dit doel geschikte bekkenbodemspiercontracties. Het schema kan vaststaan of flexibel zijn. Aan de cliënt wordt vaak informatie gegeven over de functie van de blaas en hoe continentie behouden wordt. Ze ontvangen bovendien positieve feedback van de hulpverlener bij succesvolle uitvoering van de interventie en aanmoediging om deze vol te houden .

In de oude richtlijn werden vijf systematische reviews geïncludeerd waarin blaastraining een rol speelt in de vergelijking van verschillende behandelingen van UI . Blaastraining wordt hierbij al of niet in combinatie met bekkenbodemtraining (+ biofeedback) vergeleken met reguliere zorg of bekkenbodemspiertraining (+ biofeedback). Bovendien wordt de vergelijking tussen blaastraining en medicatie gemaakt. Op basis van de literatuur kunnen geen conclusies getrokken worden over het effect van blaastraining, specifiek gericht op oudere mannen .

Voor ouderen vrouwen is er onvoldoende bewijs gevonden om voor wat betreft effectiviteit, een voorkeur uit te spreken voor blaastraining of bekkenbodemspiertraining + biofeedback, bij de behandeling van UI . Er is bewijs gevonden voor het gebruik van blaastraining bij oudere vrouwen met aandrang- of gemengde UI, vergeleken met reguliere zorg, onder andere ten aanzien van (perceptie van) verbetering. Over het effect op de langere termijn kan geen conclusie getrokken worden . Er is bewijs gevonden voor de combinatie van blaastraining en bekkenbodemspiertraining op korte termijn boven bekkenbodemspiertraining alleen, bij oudere vrouwen met detrusor overactiviteit met of zonder stressincontinentie, als gekeken wordt naar het effect ervan op de perceptie van verbetering. Er is geen bewijs gevonden voor het effect op de langere termijn .

Twee studies beschreven het gebruik van blaastraining en medicatie (parasympatholytica). Op basis van de resultaten kan voor wat betreft de effectiviteit, geen duidelijke voorkeur uitgesproken worden voor blaastraining dan wel parasympatholytica, bij de behandeling van UI bij ouderen, als gekeken wordt naar de mate van genezing of verbetering. Wel is bewijs gevonden dat bij blaastraining minder sprake is van bijwerkingen dan bij parasympatholytica. Er kan echter geen conclusie getrokken worden over de lange termijn . Er is bewijs gevonden dat blaastraining in combinatie met parasympatholytica effectiever is in vergelijking tot blaastraining alleen, bij de behandeling van aandrangincontinentie bij ouderen, als gekeken wordt naar de subjectieve verbetering tijdens de behandeling. Er kan geen conclusie getrokken worden over de lange termijn . Er is geen bewijs gevonden op basis waarvan voor wat betreft effectiviteit, een voorkeur uitgesproken kan worden voor blaastraining in combinatie met parasympatholytica of parasympatholytica alleen, voor de behandeling van aandrangincontinentie bij ouderen .