De werkgroep vindt het belangrijk dat interventies zinvol worden ingezet. Dat betekent dat de voor- en nadelen van de interventie voor de cliënt in balans zijn. Een interventie heeft als doel de kwaliteit van leven te verbeteren. Er zijn veel verschillende types interventies die een effect kunnen hebben op UI. Ze verschillen veel in gevraagde inspanning van de zorgvrager. De minst invasieve interventies voor de cliënt zijn interventies met betrekking tot de toiletgang. Daarna volgen de leefstijladviezen. De bekkenbodemspiertraining vraagt relatief de meeste inspanning van de cliënt.

Informeren over en monitoren van interventies
In de periode dat de cliënt zorg ontvangt kunnen meerdere interventies worden geprobeerd. Het is essentieel dat de cliënt wordt geadviseerd over de mogelijke interventies. Ze kunnen de klachten verminderen of zelfs verhelpen. Daarbij moeten wensen en voorkeuren van de cliënt altijd in de gaten worden gehouden. Als interventies niet het gewenste effect kunnen hebben of als de klachten niet te verhelpen zijn, is het ook essentieel dat de cliënt om leert gaan met de belemmering van UI. Daarom is het belangrijk dat cliënten geadviseerd worden over coping strategieën. Er zijn lotgenotengroepen die veel ondersteuning kunnen bieden bij UI, bijvoorbeeld Incoclub of Bekkenbodem4All. Houd ook tijdens de zorg in de gaten of de cliënt nieuwe aandoeningen of ziekten heeft ontwikkeld die effect kunnen hebben op de incontinentie. Daarnaast kan (nieuwe) medicatie effect hebben op het mictiepatroon. Als interventies niet het gewenste effect hebben, zorg dan dat de huisarts (of andere behandelend arts of verpleegkundig specialist) van de cliënt op de hoogte is van de situatie. Cliënten met UI lopen het risico om incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD) of Lichen sclerosus (LS) te ontwikkelen. Beschadiging of irritatie van de huid kan fysiek ongemak, financieel, sociaal en psychisch lijden veroorzaken voor de patiënt. De Belgische vereniging voor wondzorgconsulenten heeft een uitgebreide richtlijn geschreven over de herkenning en behandeling van IAD.

Als interventies worden ingezet moet er gemonitord worden of ze een gewenst effect hebben, bijvoorbeeld door middel een mictiedagboek of een vragenlijst voor kwaliteit van leven. Het gebruik van een mictiedagboek wordt beschreven bij uitgangsvraag 1.

Toiletroutine en toiletgang
De wijkverpleging kan meerdere adviezen geven die de toiletgang, -routine, of -houding kunnen verbeteren. Het is belangrijk dat deze adviezen niet worden gegeven met als doel de cliënt weer continent te maken. Voorlichting over een goede toilethouding moet bij iedere cliënt gebeuren wanneer informatie en voorlichting gegeven wordt over incontinentie. Training in goede toilethouding moet plaatsvinden voordat eventueel een behandeling wordt ingezet. Bij gebruik van een voetenbankje moet rekening gehouden worden met het risico op vallen.

Verminderde mobiliteit en het vermogen om dagelijkse levensverrichtingen (ADL’s) uit te voeren, zoals het vermogen om naar het toilet te gaan, kunnen incontinentie bij kwetsbare ouderen in elke omgeving veroorzaken of daartoe bijdragen. Het beter toegankelijk maken van het toilet, door bijvoorbeeld de loop naar het toilet vrij te maken, kunnen helpen eenvoudiger naar het toilet te gaan. Hier zijn weinig nadelen aan verbonden behalve misschien een paar aanpassingen in het interieur. Bij ouderen met cognitieve achteruitgang kunnen ook bewegwijzering of afbeeldingen worden gebruikt, zodat de oudere sneller de weg naar het toilet vindt . In het openbare leven is het soms minder eenvoudig om snel een toilet te vinden als dat nodig is. Het kan daarom helpen om reisroutes goed te plannen en gebruik te maken van de Hoge Nood App of een medische pas voor het gebruiken van toiletten.

Bij ouderen met UI én een cognitieve beperking kan het werken om op vaste tijden te gaan plassen, eventueel met hulp van de mantelzorger. Dit advies is niet geschikt voor cliënten die nog goed gevoel van aandrang hebben. Ze kunnen beter gaan zodra ze aandrang hebben. Als er een mantelzorger in huis is kan deze geadviseerd worden om overdag de cliënt te attenderen om naar het toilet te gaan. Dit kan alleen als iemand zelfstandig naar het toilet kan gaan. In (internationale) richtlijnen wordt prompted voiding geadviseerd bij ouderen met cognitieve beperkingen .

Hoewel sterk wetenschappelijk bewijs voor adviezen over de toiletgang, -routine, en -houding ontbreekt of beperkt is, is de werkgroep van mening dat de voordelen van adviezen ruim opwegen tegen eventuele nadelen. Deze adviezen hebben direct effect en kunnen op korte termijn al verschil maken voor de cliënt. De werkgroep is van mening dat adviezen om toiletgang, -routine, of -houding te verbeteren altijd gegeven moeten worden bij cliënten met incontinentie.

Leefstijladviezen
Voor leefstijladviezen is de bewijslast zwak. Het is niet zeker hoe groot het effect is van leefstijladviezen op incontinentieklachten, De werkgroep van mening dat het geen kwaad kan om een gezonde leefstijl te promoten. Daarom zijn deze aanbevelingen beschreven onder ‘Overweeg’.

Er kan geprobeerd worden of leefstijlveranderingen effect hebben op de klachten. Aanpassingen aan de leefstijl hoeven niet heel intensief te zijn, maar het kan lastig zijn om op latere leeftijd nog het voedingspatroon aan te passen. Bij kwetsbare ouderen is het stimuleren van gewichtsverlies niet altijd zonder risico’s door het risico op ondervoeding. Bovendien kan afvallen moeizaam gaan, omdat met name niet mobiele ouderen weinig bewegen, en veel ouderen al weinig eten en een lage energiebehoefte hebben. Het is goed om af te vallen bij overgewicht of obesitas (BMI hoger dan 28), maar per individu moet bekeken worden of dit praktisch haalbaar is. Dit geldt ook voor inclusie van zemelen in het dieet. Zemelen verminderen de eetlust. Als iemand al weinig eet, moet de eetlust niet nog verder geremd worden. Als geadviseerd wordt om meer zemelen te eten, dan is bovendien van belang dat dit samen gaat met een adequate vochtinname. Een gezonde vochtinname volgens het Voedingscentrum is 1,5-2 liter vocht op een dag. Onder vocht verstaan we ook melk, thee en koffie. Echter geeft de werkgroep ook aan dat het verstandig is om overmatig alcohol- en cafeïnegebruik te voorkomen. Onder andere omdat overmatig gebruik ervan verhoging van de urineerfrequentie tot gevolg kan hebben. Bij te weinig inname van vocht ligt uitdroging op de loer. Cliënten kunnen ook door comorbiditeit een vochtbeperking hebben waardoor ze minder mogen drinken. Let daarom goed op bij het geven van leefstijladviezen. Als een cliënt open staat voor aanpassingen aan de leefstijl en/of moeite heeft de juiste hoeveel te drinken of te eten, is het verstandig dat de cliënt een diëtist raadpleegt. Stoppen met roken kan altijd geadviseerd worden, ook omdat dit het risico op andere gezondheidsklachten verminderd. Hoesten door roken kan bijvoorbeeld leiden tot urineverlies tijdens het hoesten. In de richtlijn voor 2e en 3e lijn (niet specifiek voor ouderen) is de aanbeveling: Adviseer cliënten die roken daarmee te stoppen vanwege algemene gezondheidsredenen, maar niet met het doel UI te verbeteren .

Bekkenbodemspiertraining en blaastraining
Training van de bekkenbodem is een interventie die geen vervelende bijwerkingen heeft, maar kost wel inspanning van de cliënt. Deze interventie is daarom niet voor elke cliënt geschikt. Bij ouderen duurt het in z’n algemeenheid vaak wat langer voordat ze hun bekkenbodemspieren vinden en leren voelen en tot sterkere contractie komen. Het is, mede doordat de training geen bijwerkingen heeft, echter toch de moeite waard om het te proberen. Hierbij is het erg van belang dat de cliënt gemotiveerd is. Bij de eerste behandeling lukt het vaak niet, maar vaak pas bij de tweede of derde keer. Pas als de cliënt bij de derde behandeling nog steeds geen of onvoldoende bewuste controle heeft over de bekkenbodem, kan eventueel gedacht worden aan een combinatie van de training met elektrostimulatie of biofeedback.

Als de cliënt onvermogen heeft om te contraheren of te ontspannen, maar dit op grond van de aard van de problematiek wel zou kunnen, kan elektrostimulatie geprobeerd worden totdat de cliënt zelfstandig tot contraheren in staat is. Hierbij is echter voorzichtigheid geboden. De elektroden kunnen de kwetsbare huid of het intravaginaal/rectaaloppervlakte weefsel beschadigen. Voor toepassing van de combinatie van bekkenbodemspiertraining met elektrostimulatie of biofeedback verwijzen we naar de richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen (LEVV/CBO), de richtlijn Stress urine-incontinentie bij volwassenen . Bij rolstoelafhankelijke ouderen (die nog wel enigszins bewust zijn van de bekkenbodem), is de prognose wellicht minder gunstig bij bekkenfysiotherapie. Als de cliënt open staat voor bekkenbodemspiertraining stimuleer de cliënt dan naar een geregistreerde bekkenfysiotherapeut te gaan. Een bekkenfysiotherapeut kan starten met blaastraining. De werkgroep geeft aan dat wanneer gekozen wordt voor een combinatie van blaastraining en bekkenbodemspiertraining, het noodzakelijk is dat men zelf naar het toilet kan lopen en ook gaat. Dat kan eventueel met hulp van een mantelzorger.