DOEN

1. Geef nadat de (verpleegkundige) diagnose urine-incontinentie is vastgesteld een cliënt met urine-incontinentie informatie over incontinentie waarbij uitgelegd wordt welke behandelopties er zijn en adviseer om minstens één van de niet-medicamenteuze interventies te proberen:

DOEN

2. Houd tijdens het opstellen van een zorgplan altijd de persoonlijke wensen en voorkeuren van de cliënt in gedachten. Overleg met de cliënt en/of mantelzorger welke wensen en voorkeuren er zijn.

DOEN

3. Adviseer cliënten met urine-incontinentie over coping strategieën, zoals:

DOEN

4. Geef algemene tips en adviezen om de toiletgang en -routine te verbeteren:

DOEN

5. Houd tijdens het monitoren van de zorg in de gaten of nieuwe medicatie is toegevoegd die mogelijk invloed heeft op het mictiepatroon. Zie tabel bij uitgangsvraag 1 voor type medicatie die effect heeft op mictiepatroon.

DOEN

6. Evalueer altijd de effectiviteit én impact op kwaliteit van leven van de ingezette verpleegkundige interventie(s). Dit kan door middel van bijvoorbeeld een mictiedagboek, een vragenlijst voor kwaliteit van leven zoals:

DOEN

7. Informeer de huisarts of andere voorschrijver van een interventie wanneer een ingezette interventie een nadelig effect heeft.

DOEN

8. Let bij cliënten met urine-incontinentie op beschadigingen of irritaties van de huid in de schaamstreek en geef adviezen om beschadiging van de huid te voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik van barrièrecrème en het goed schoonhouden van de huid.

OVERWEEG

9. Overweeg om bij ouderen met urine-incontinentie én een cognitieve beperking het advies te geven om op vaste tijden te gaan plassen. Eventueel met hulp van de mantelzorger.

OVERWEEG

10. Overweeg om bij cliënten met urine-incontinentie de mantelzorgers te adviseren om de cliënt overdag te attenderen om naar het toilet te gaan. Dit kan alleen als iemand zelfstandig naar het toilet kan gaan.

OVERWEEG

11. Overweeg om cliënten met abnormaal hoge of lage vochtintake te adviseren om hun vochtintake te normaliseren naar 1,5 tot 2 liter per dag. Let daarbij op eventuele vochtbeperkingen door comorbiditeit.

OVERWEEG

12. Moedig cliënten met urine-incontinentie aan om het cafeïne- en alcoholgebruik te verminderen of te beperken.

OVERWEEG

13. Stimuleer cliënten met urine-incontinentie om meer vezels te eten en meer te drinken als ze last hebben van obstipatie. Overweeg cliënten te adviseren om een diëtist te raadplegen als ze hier hulp bij nodig hebben.

OVERWEEG

14. Moedig cliënten met urine-incontinentie én overgewicht aan om af te vallen. Adviseer mensen een diëtist te raadplegen als ze hier hulp bij nodig hebben.

OVERWEEG

15. Stimuleer cliënten met urine-incontinentie om te stoppen met roken.

OVERWEEG

16. Overweeg cliënten met urine-incontinentie te adviseren contact op te nemen met een bekkenfysiotherapeut voor bekkenbodemspiertraining en/of blaastraining als andere interventies geen of niet voldoende effect hebben.

OVERWEEG

17. Stimuleer de cliënt om de oefeningen van de fysiotherapeut uit te voeren door

OVERWEEG

18. Overweeg bij twijfels over te hoge of te lage vochtinname om een vochtdagboek bij te houden.

OVERWEEG

19. Probeer bij het evalueren van de interventie rekening te houden met mogelijk beïnvloedende factoren die samenhangen met comorbiditeit en daarmee samenhangend medicatiegebruik (zie ook tabellen bij uitgangsvraag 1).

OVERWEEG

20. Overweeg laagdrempelig contact met de voorschrijver van interventies om de interventie te evalueren. Dit kan ook in een multidisciplinair overlegmoment.