DOEN
1. Geef nadat de (verpleegkundige) diagnose urine-incontinentie is vastgesteld een cliënt met urine-incontinentie informatie over incontinentie waarbij uitgelegd wordt welke behandelopties er zijn en adviseer om minstens één van de niet-medicamenteuze interventies te proberen:
- interventies om toiletgang en -houding te verbeteren;
- interventies om eet- en drinkgewoonten en leefstijl te verbeteren;
- bekkenbodemtraining bij bekkenfysiotherapeut.
DOEN
2. Houd tijdens het opstellen van een zorgplan altijd de persoonlijke wensen en voorkeuren van de cliënt in gedachten. Overleg met de cliënt en/of mantelzorger welke wensen en voorkeuren er zijn.
DOEN
3. Adviseer cliënten met urine-incontinentie over coping strategieën, zoals:
- Waar ze emotionele en psychologische ondersteuning kunnen krijgen. Bijvoorbeeld bij een patiëntenvereniging of lotgenotengroep.
- Bespreekbaar maken van incontinentie met vrienden en familie.
- Strategieën zoals het plannen van reisroutes om de toegang tot openbare voorzieningen makkelijker te maken.
DOEN
4. Geef algemene tips en adviezen om de toiletgang en -routine te verbeteren:
- Adviseer om meteen naar het toilet te gaan bij aandrang.
- Adviseer over goede plashouding (zie Bijlage A: Poster plashouding).
- Verkrijgen van hulpmiddelen (bijvoorbeeld postoel, hooglaagbed) om toegang tot het toilet te faciliteren, eventueel verwijzen naar een ergotherapeut/(bekken)fysiotherapeut.
- Het dragen van kleding die makkelijk is om uit te trekken.
- Let op dat het toilet duidelijk staat aangegeven en vindbaar is, zonder obstakels of bijvoorbeeld bij ouderen met dementie plaatje toilet.
- Goed en veilig naar toilet kunnen in de nacht.
- Advies over het gebruik van en verkrijgen van incontinentiemateriaal.
DOEN
5. Houd tijdens het monitoren van de zorg in de gaten of nieuwe medicatie is toegevoegd die mogelijk invloed heeft op het mictiepatroon. Zie tabel bij uitgangsvraag 1 voor type medicatie die effect heeft op mictiepatroon.
DOEN
6. Evalueer altijd de effectiviteit én impact op kwaliteit van leven van de ingezette verpleegkundige interventie(s). Dit kan door middel van bijvoorbeeld een mictiedagboek, een vragenlijst voor kwaliteit van leven zoals:
- PRAFAB: Brengt incontinentieproblemen in kaart
- ICIQ-UI-SF: Een systeem van diverse vragenlijsten voor onderzoek naar vaginale symptomen en disfunctie van de onderste urinewegen en onderste darm
- IIQ-7: Beschrijft de invloed van ongewenst urineverlies op het dagelijks leven.
- ISI: Is ontwikkeld voor het vaststellen van ongewenst urineverlies
- UDI: Voor het vaststellen van de urogenitale symptomen en de ervaren hinder hiervan.
DOEN
7. Informeer de huisarts of andere voorschrijver van een interventie wanneer een ingezette interventie een nadelig effect heeft.
DOEN
8. Let bij cliënten met urine-incontinentie op beschadigingen of irritaties van de huid in de schaamstreek en geef adviezen om beschadiging van de huid te voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik van barrièrecrème en het goed schoonhouden van de huid.
OVERWEEG
9. Overweeg om bij ouderen met urine-incontinentie én een cognitieve beperking het advies te geven om op vaste tijden te gaan plassen. Eventueel met hulp van de mantelzorger.
OVERWEEG
10. Overweeg om bij cliënten met urine-incontinentie de mantelzorgers te adviseren om de cliënt overdag te attenderen om naar het toilet te gaan. Dit kan alleen als iemand zelfstandig naar het toilet kan gaan.
OVERWEEG
11. Overweeg om cliënten met abnormaal hoge of lage vochtintake te adviseren om hun vochtintake te normaliseren naar 1,5 tot 2 liter per dag. Let daarbij op eventuele vochtbeperkingen door comorbiditeit.
OVERWEEG
12. Moedig cliënten met urine-incontinentie aan om het cafeïne- en alcoholgebruik te verminderen of te beperken.
OVERWEEG
13. Stimuleer cliënten met urine-incontinentie om meer vezels te eten en meer te drinken als ze last hebben van obstipatie. Overweeg cliënten te adviseren om een diëtist te raadplegen als ze hier hulp bij nodig hebben.
OVERWEEG
14. Moedig cliënten met urine-incontinentie én overgewicht aan om af te vallen. Adviseer mensen een diëtist te raadplegen als ze hier hulp bij nodig hebben.
OVERWEEG
15. Stimuleer cliënten met urine-incontinentie om te stoppen met roken.
OVERWEEG
16. Overweeg cliënten met urine-incontinentie te adviseren contact op te nemen met een bekkenfysiotherapeut voor bekkenbodemspiertraining en/of blaastraining als andere interventies geen of niet voldoende effect hebben.
OVERWEEG
17. Stimuleer de cliënt om de oefeningen van de fysiotherapeut uit te voeren door
- de cliënt te herinneren aan de oefeningen;
- instructies voor de oefeningen duidelijk in het zicht te houden of leggen.
OVERWEEG
18. Overweeg bij twijfels over te hoge of te lage vochtinname om een vochtdagboek bij te houden.
OVERWEEG
19. Probeer bij het evalueren van de interventie rekening te houden met mogelijk beïnvloedende factoren die samenhangen met comorbiditeit en daarmee samenhangend medicatiegebruik (zie ook tabellen bij uitgangsvraag 1).
OVERWEEG
20. Overweeg laagdrempelig contact met de voorschrijver van interventies om de interventie te evalueren. Dit kan ook in een multidisciplinair overlegmoment.