In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de volgende uitgangsvraag: “Welke diagnostische instrumenten moeten worden toegepast door verzorgenden of verpleegkundigen in de wijkverpleging om UI vast te stellen bij thuiswonende ouderen?”. Hierbij wordt ingegaan op diagnostiek waarin verzorgenden en verpleegkundigen werkzaam in de wijk, een rol (kunnen) spelen.

Dit hoofdstuk is een update van het hoofdstuk Diagnostiek uit de oude richtlijn . Doordat deze richtlijn niet specifiek voor de wijkverpleging was opgesteld, heeft de werkgroep besloten een aantal onderdelen niet meer mee te nemen in de huidige richtlijn omdat ze niet worden toegepast in de wijkverpleging, bijvoorbeeld residubepaling en padtest. Waar dat wel het geval was, is de oude tekst grotendeels overgenomen en aangepast aan de huidige werkwijze in de wijkverpleging waar nodig.

Deze uitgangsvraag gaat over diagnostische instrumenten die belangrijk zijn voor het juist vaststellen van het type incontinentie en eventuele factoren die directe invloed op de UI hebben, zoals fysieke beperkingen. De verpleegkundige anamnese of intake is een belangrijk moment in dit proces, daarom beschrijft dit hoofdstuk niet alleen instrumenten, zoals vragenlijsten, maar ook de momenten waarop anamnese wordt afgenomen. Daarnaast hoort in het diagnostisch proces ook het signaleren van mogelijk tekenen die kunnen duiden op een urineweginfectie (UWI).

Anamnese

Anamnese wordt in de praktijk toegepast om (de eerste) informatie te vergaren over de gezondheidsklacht, in dit geval UI bij de kwetsbare oudere. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de (medische) voorgeschiedenis, aan de aard van de UI en eventuele beïnvloedende factoren (factoren die het veroorzaken of verergeren).

Mictiedagboek

Het mictiedagboek geeft inzicht in de ernst en de soort van de UI door het in kaart brengen van het drink- en plaspatroon (frequentie en hoeveelheid), het urineverlies en omstandigheden rondom het urineverlies. In een mictiedagboek wordt bijvoorbeeld bijgehouden op welke momenten van de dag men plast, met welk volume en hoe vaak er urineverlies is. Er zijn verschillende dagboeken. Ze verschillen in aantal items dat moet worden bijgehouden en het aantal dagen dat het dagboek wordt bijgehouden