Gewenste effecten
Er is enig bewijs gevonden voor de effectiviteit van bewegen op het optreden van fracturen bij mensen met een verhoogd fractuurrisico. Dit geldt met name voor gewichtsdragende (botversterkende) beweeginterventies (zoals wandelen), balanstrainingen en spierversterkende oefeningen, gericht op het behoud van botmassa en het behoud (of verhogen) van spiermassa. Naast dit positieve effect op het optreden van fracturen mag algemeen bekend worden verondersteld dat bewegen bijdraagt aan verschillende aspecten van gezondheid, zoals cardiovasculaire gezondheid en algehele fitheid. Er is geen bewijs gevonden voor de effectiviteit van beweeginterventies op het optreden van fracturen bij mensen met vastgestelde osteoporose vanwege gebrek aan studies hierover. In de multidisciplinaire richtlijn staat bewijs beschreven voor de effectiviteit van beweging op de botmineraaldichtheid en het valrisico . Ook wordt hier beschreven dat beweeginterventies gebaseerd op kracht- en looptraining waarschijnlijk het meest effectief zijn, met name als er botbelasting is en een tijdsinvestering van meer dan 2 uur per week. De beweegrichtlijn adviseert 150 minuten matig intensieve inspanning per week plus tweemaal spier- en botversterkende activiteiten, gecombineerd met balansoefeningen . Dit is in lijn met het bewijs over voorkómen van vallen, verlagen van het valrisico en positieve effecten op botmineraaldichtheid en fracturen.
Ongewenste effecten
Ongewenste effecten van zowel beweegadviezen lijken beperkt. Bewegen kan leiden tot vallen of blessures. Beweeginterventies zouden daarom het meest gericht moeten zijn op gewichtsdragende (botversterkende) beweeginterventies zoals balanstraining, training van spierkracht, mobiliteit en houding.
Kwaliteit van bewijs
De kwaliteit van bewijs is redelijk voor de meeste bestudeerde interventies bij mensen met een verhoogd fractuurrisico. Bij mensen met vastgestelde osteoporose is veel minder onderzoek beschikbaar, hetgeen leidt tot grotere onzekerheid over de effectiviteit van deze interventies.
Waarden en voorkeuren van cliënten
Over het optreden van fracturen als cruciale uitkomstmaat verwacht de werkgroep geen variatie in voorkeuren van cliënten; verwacht wordt dat dit door alle cliënten als cruciaal gezien wordt om te voorkómen.
De werkgroep schat in dat er verschillen zijn in waarden en voorkeuren van cliënten ten aanzien van bewegen en (het opvolgen van) beweegadviezen. Daarbij kan er ook een discrepantie zijn tussen waarden en voorkeuren van een cliënt en die van een betrokken verpleegkundige, verpleegkundig specialist of verzorgende. Deze verschillen in voorkeuren kunnen te maken hebben met überhaupt bewegen als interventie, maar ook met voorkeuren ten aanzien van de wijze van bewegen (bijvoorbeeld al dan niet georganiseerd of in groepsverband) en verschillen in mogelijkheden (bijvoorbeeld vanwege bewegingsbeperkingen of financiële beperkingen).
De werkgroep vindt het daarom van ultiem belang dat bij het geven van beweegadviezen de voorkeuren, huidige gebruiken en beperkingen ten aanzien van beweging in kaart worden gebracht bijvoorbeeld middels een beweeganamnese (bijvoorbeeld met de Osteo-combinorm). Hiermee kunnen cliënten zelf regie behouden of krijgen en kunnen adviezen geïndividualiseerd worden.
Balans gewenste en ongewenste effecten
De gewenste effecten van beweeginterventies zijn beperkt in omvang, maar zijn volgens de werkgroep toch doorslaggevend, omdat ongewenste effecten zeer beperkt zijn.
Economische overwegingen en kosteneffectiviteit
De kosten van bewegen (indien goedkoop bewegen bijvoorbeeld wandelen en balansoefeningen in de eigen omgeving mogelijk is) lijken beperkt en zullen voor de meeste mensen geen belemmering zijn. Dit kunnen echter wel kosten zijn die door de cliënt zelf moeten worden voldaan. Dit zou een drempel voor de implementatie van deze adviezen kunnen zijn. Dat kan ook gelden voor beweeginterventies die in georganiseerd verband worden aangeboden, zoals in sportscholen.
Gelijkheid (health equity)
Er wordt geen invloed verwacht van het doorvoeren van beweegadviezen op de toegankelijkheid van zorg.
Aanvaardbaarheid
Er worden geen knelpunten verwacht in de aanvaardbaarheid van het geven van beweegadviezen, zowel bij verpleegkundigen, verzorgenden en verpleegkundig specialisten als bij cliënten; deze adviezen kunnen laagdrempelig worden gegeven. Wel kan er een knelpunt zijn om dergelijke adviezen te geven wanneer een verpleegkundige, verzorgende of verpleegkundig specialist op de hoogte is van financiële knelpunten bij een cliënt die het lastiger maken om gezond te bewegen.
Haalbaarheid
Er worden geen grote knelpunten verwacht met betrekking tot de haalbaarheid van het geven van beweegadviezen, indien de verpleegkundige, verzorgende of verpleegkundig specialist voldoende kennis heeft op dit gebied.