In de literatuur van de afgelopen achttien jaar zijn 23 reviews gevonden die interventies bespreken waarin eenzaamheid als effectmaat is meegenomen .

Uit de reviews zijn in totaal 132 unieke studies geselecteerd die eenzaamheid als uitkomstmaat hebben, op ouderen gericht zijn en in het Engels of Nederlands gepubliceerd zijn. Voor de beschrijving van de afzonderlijke studies is gebruik gemaakt van de informatie uit de reviews. Waar informatie ontbrak is deze aangevuld met informatie uit de oorspronkelijke publicatie.

76 studies hebben een gerandomiseerd of quasi-experimenteel (pre-post groepsvergelijkend) design. 17 studies waren kwalitatief van aard. De overige studies hebben een observationeel design. In verband met de over het algemeen zeer lage kwaliteit van de observationele studies is ervoor gekozen om in de ‘evidence tabel’ alleen de gerandomiseerde en quasi-experimentele studies op te nemen. Ook van deze studies is de methodologische kwaliteit over het algemeen laag (zie bijlage ‘’verantwoording per module, risk of bias tabel’’) . Voor de bespreking van de effecten van de interventies zijn de RCT’s en quasi-experimentele studies ingedeeld in zeven min of meer homogene categorieën volgens het (voornaamste) type activiteit binnen de interventie. Daarnaast zijn interventies die niet naar één expliciet type activiteit zijn in te delen, ondergebracht in een gecombineerde categorie.

1. Het faciliteren/aanbieden van een ontmoetingsmogelijkheid / sociale interactie
Binnen deze categorie vinden we één gerandomiseerde studie . Deze vermeldt weliswaar een significant tijdelijk effect van groepsgesprekken (twee keer per week gedurende drie maanden) en een activeringsprogramma aan gehandicapte thuiswonende ouderen op de uitkomstmaat ‘sociale interactie’, maar geen positief effect op ‘eenzaamheid’. Een exacte effectmaat ontbreekt in de rapportage van de studie.

2. Het faciliteren van een persoonlijk betekenisvol contact
Er zijn 13 gerandomiseerde of quasi-experimentele studies naar het effect van het faciliteren of aanbieden van een persoonlijk, betekenisvol contact .
Van de gerandomiseerde studies rapporteren 6 studies een positief effect op eenzaamheid . In de studie van Anderson werd oudere vrouwen die op de wachtlijst stonden voor een seniorenappartement, deelname aan een (kleine) groep aangeboden met als doel het sociale netwerk te versterken. Het gevoel van eenzaamheid onder de vrouwen in de experimentele groep bleek significant te zijn afgenomen i.t.t. de eenzaamheid onder de vrouwen in de controlegroep. De studies van Banks & Banks uit 2005 en Banks et al. uit 2008 onderzochten de effecten van een huisdier op het gevoel van eenzaamheid onder ouderen in het verpleeg- of verzorgingshuis. In de studie uit 2005 werd het individuele contact met een hond vergeleken met het contact met een hond in groepsverband. In de studie bleek er geen verschil te zijn in de mate waarin de 33 deelnemers zich naderhand eenzaam voelden. In de studie van Banks et. al. uit 2008 werd het individuele contact met een hond vergeleken met wekelijkse bezoekjes met een robothond. Zowel de robothond als de echte hond hadden een significant gunstig effect op de eenzaamheid vergeleken met een controlegroep en verschilden onderling niet. De studie van Ring et al. (2013) vermeldt een afname van eenzaamheid wanneer ouderen gedurende 1 week op een computer de beschikking kregen over een ‘proactieve’ avatar die een gesprek begint wanneer deze de aanwezigheid van de oudere detecteert. De studie berustte op een zeer klein sample (n=14) en een erg korte follow-up periode van 1 week. De quasi-experimentele studie van Tsai en collega’s betreft een studie naar de effecten van video-contact met familieleden . Ouderen die de mogelijkheid hadden om met hun familie te video-bellen vermeldden in de nametingen een significante lagere eenzaamheid dan de deelnemers in de controlegroepen.

De overige 6 studies in deze categorie vonden geen effect op eenzaamheid. Het betreft studies naar de invloed van een huisdier , telefonische sociale steun door verpleegkundigen , (telefonische) befriending programma’s en video bellen met familie .

3.Het verlenen van praktische materiele of instrumentele steun
In deze categorie studies bevinden zich 11 gerandomiseerde of quasi-experimentele studies . Interventies betreffen uiteenlopende activiteiten zoals huisbezoeken door vrijwilligers , of huisbezoeken door professionele zorgverleners . Geen van deze studies meldt een gunstig effect op het gevoel van eenzaamheid. De kwaliteit van de studies is, op de studie van Melis et al. na, over het algemeen laag.

4. Het trainen van interpersoonlijk en/of sociale vaardigheden
Het trainen van interpersoonlijke en/of sociale vaardigheden is onderwerp van vier studies . 2 studies rapporteren een positief effect op eenzaamheid. Deze studies zijn van lage kwaliteit. Creswell et.al. (2012) onderzochten het effect van een Mindfulness Based Stress Reduction (MBSR) programma en stelden een significante vermindering van eenzaamheid vast bij de ouderen die het programma volgden. Chiang et al. (2010) deden onderzoek bij bewoners van een verpleeghuis naar de effecten van ‘reminiscentie therapie’. Deze therapie had na een follow-up een klein maar significant effect. De studie van Tse et al. (2010) toonde geen gunstig effect aan op het gevoel van eenzaamheid onder de ouderen die in groepsverband leerden met meer humor met elkaar te communiceren.

5. Aanbieden van afleiding en/of zinvolle activiteiten
In de categorie aanbieden van zinvolle activiteiten vonden we 10 gerandomiseerde studies . 3 ervan toonden een afname van eenzaamheid. De risk of bias van alle 3 de studies is hoog. In de studie van Hopman-Rock et al. (2002) naar de effectiviteit van een beweegprogramma voor ouderen werd een significante afname in eenzaamheid gevonden. De studie van Shapira et al. (2007), waarin ouderen op de dagopvang werden getraind in het gebruik van een computer, liet een afname van eenzaamheid onder deze ouderen zien. De studie van Tse (2010) richtte zich op een programma waarbij bewoners van het verzorgingshuis de gelegenheid werd geboden om binnenshuis te tuinieren. Tse (2010) meldde een afname van eenzaamheid, zonder evenwel de effectgrootte te rapporteren.
De overige 7 studies, die geen effect vonden betroffen studies naar: een studie waarin een omgeving met veel groen wordt gecreëerd ; beweegadvies via een computer ; een ander binnenshuis-tuinieren programma en vier studies naar verschillende vormen van computer training .

6. Aanbieden van een gewaardeerde rol
In deze categorie vinden we 1 gerandomiseerde studie . Deze studie onderzocht de effecten van deelname aan een vrijwilligersproject (pleeg(groot)ouderschap van een kind met een ontwikkelingsachterstand) op de psychologische gezondheid (waaronder eenzaamheid) van de oudere volwassenen. De controlegroepen bestonden uit ouderen die geen pleeg(groot)ouderschap kregen aangeboden of een ontmoetingsprogramma met leeftijdsgenoten. Na een periode van 2 jaar werd geen significant verschil gevonden in eenzaamheidsgevoelens onder ouderen in beide groepen.

7. Bevorderen realistische verwachtingen
In deze categorie treffen we 2studies aan. In de gerandomiseerde studie van Hartke en King (2003) werd onderzoek gedaan naar de effecten van een psycho-educatieve telefoongroep. Deze toonde aan het einde van de follow-up geen effect van betekenis van deelname aan deze telefoongroep. De quasi-experimentele studie van Winningham en Pike (2007) naar de effecten van een cognitief therapeutische groepsinterventie voor ouderen in een woon-zorgcomplex vond geen afname van eenzaamheid.

8. Combinatie
We vonden 35 studies met een gerandomiseerd of quasi-experimenteel design waarin een combinatie van meer dan één type activiteit voor komt .

De meest voorkomende combinatie is type 1 (ontmoetingsmogelijkheid) met type 5 (activiteit), deze combinatie komt zeven keer voor. De volgende combinaties komen meer dan één keer voor: combinatie 1 met 3 (4 keer); combinatie 2 met 5 (3 keer), combinatie 2, 4, 7 (3 keer), combinatie 1, 2, 3 (3 keer), combinatie 4, 5 (2 keer), combinatie 3, 4 (2 keer), combinatie 1, 4 (2 keer), combinatie 1, 2, 3, 4 (2 keer). Ten slotte komen de volgende combinaties één keer voor: combinatie 4, 5, 7; combinatie 3, 5; combinatie 2, 4; combinatie 1, 4, 5 en combinatie 1, 2. Welke studie welke combinaties van activiteiten biedt, kan worden teruggevonden in de kolom opmerkingen van de summary of findings tabel (zie bijlage ‘’verantwoording per module’’).

Tien van de studies in deze categorie rapporteren een effect op eenzaamheid. Alaviani et al. (2015) bestudeerden een empowerment programma voor vrouwen. Eenzaamheid nam significant af in de interventietroep ten opzichte van de controlegroep. Evans et al (2982) bestudeerden in een matched controlled studie telefonisch zelfhulpgroepen van blinde ouderen. Kahlbaugh et al (2011) bestudeerden het gebruik van een WII spelcomputer. Deelnemers die in groepen met de WII spelcomputer speelden rapporteren een afname in eenzaamheid. Liu et al. (2007) bestudeerden de effectiviteit van groepsreminiscentie sessies. De studie rapporteert een afname in eenzaamheid, maar geen effect size. De studie van Ollonqvist et al (2008), naar een groepsrevalidatieprogramma, laat een significante afname van eenzaamheid zien. De studie van Robinson et al. (2013) laat ouderen in een verzorgingshuis interacteren met een robot-zeehond (PARO). Deze studie vindt een afname in eenzaamheid in de interventiegroep, en een toename in eenzaamheid in de controlegroep. Saito et al. (2012) organiseerden educatieve groepsbijeenkomsten voor ouderen. Deze Japanse studie laat zien dat deelname aan de groepssessies tot een afname van eenzaamheid leiden. De studie van Samarel et al. (2002) onderzocht een telefonisch support programma en vond een afname in eenzaamheid. De vriendschapsverrijkingscursus voor vrouwen boven de 55 van Stevens et al. (2006) laat zien dat deelname aan de cursus de eenzaamheid van de deelnemers vermindert. Ten slotte laat de studie van Weinert et al. (2008) zien dat een online discussieforum voor vrouwen met chronische aandoeningen tot een significante afname van eenzaamheid leidt.

De overige studies die een combinatie van verschillende typen activiteiten aanbieden vinden geen effect op eenzaamheid. Deze studies betreffen verschillende vormen van face-to-face support groepen, al dan niet met educatieve componenten ; online support of discussie fora ; telefonische ondersteuning ; groepstrainingen met verschillende onderwerpen ; individuele ICT training en begeleiding ; groepsactiviteiten ; individuele steun .