Persoonlijke hygiëne
Nagels
4. houd je vingernagels kort en schoon.
5. Draag geen nagellak of kunstnagels (van bijvoorbeeld gel of acryl) op je vingernagels.
Sieraden
6. Draag tijdens de werkzaamheden geen sieraden/accessoires aan handen en polsen zoals ringen, armbanden, piercings, horloges en braces. Vermijd lange oorbellen of kettingen die contact kunnen maken met het werkveld of de cliënt.
Haar en gezicht
7. Draag lang haar bijeengebonden of opgestoken.
8. Zorg voor een kortgeknipte baard/snor die niet in contact kan komen met (de omgeving van) de cliënt of de voorkant van de werkkleding. Draag indien nodig een baardmasker.
9. Raak met je handen zo min mogelijk je eigen gezicht (vooral rond mond, ogen, neus) of haar aan.
Schoeisel
10. Draag dicht schoeisel dat schoon en goed te reinigen is.
11. Reinig schoeisel met zichtbare verontreinigingen direct. Reinig en desinfecteer schoeisel wanneer er lichaamsmateriaal op is gekomen. Zie voor de procedure van reiniging en desinfectie aanbeveling 70 t/m 72.
Mobiele communicatieapparatuur
12. Gebruik mobiele communicatieapparatuur niet tijdens cliëntgebonden werkzaamheden. Indien het noodzakelijk is om mobiele communicatieapparatuur te gebruiken tijdens cliëntgebonden werkzaamheden: zie aanbeveling 67 t/m 72.
Werk- en dienstkleding
13. Draag gedurende elke dienst schone werk- of dienstkleding:
- bij voorkeur dienstkleding die door een professionele wasserij gereinigd wordt;
- of eigen werkkleding die gewassen kan worden op een temperatuur van 60°C óf op een temperatuur van 40°C en worden gedroogd in de wasdroger (kastdroog) en/of worden gestreken (minimaal 150°C).
14. Draag werk- of dienstkleding:
- die je lichaam minimaal van schouder tot kniehoogte in zijn geheel bedekt;
- die gesloten is (dus geen openhangende kleding);
- die je onderarmen onbedekt laat;
- die bij voorkeur licht van kleur is.
15. Trek werk- of dienstkleding zo kort mogelijk voor aanvang van de dienst aan en direct na afloop van de dienst uit
16. Draag op of over werk- of dienstkleding geen sieraden of andere accessoires.
17. Verschoon werk- of dienstkleding direct bij zichtbare verontreiniging.
Hoest-, snuit- en toilet hygiëne
18. Hoest/nies met een afgewend gezicht met een papieren zakdoek/tissue voor je mond of hoest/nies in de elleboog.
19. Gebruik een papieren zakdoek/tissue bij het snuiten van je neus.
20. Gebruik een papieren zakdoek/tissue eenmalig en gooi deze na gebruik direct weg.
21. Was je handen na gebruik van een zakdoek en na toiletbezoek
Eten en drinken
22. Eet of drink nooit tijdens zorghandelingen en in ruimten waarin cliëntgebonden werkzaamheden plaatsvinden of waar wordt gewerkt met cliëntmateriaal.
23. Pas handhygiëne toe voor het klaarmaken van eten en medicijnen voor de cliënt en voor hulp bij de maaltijd.
24. Pas handhygiëne toe voor- en nadat je zelf gaat het eten.
25. Blaas niet in het eten van cliënten om het te laten afkoelen