Aanbeveling 6: De Health Assessment Questionnaire-Disability Index (Nederlandse consensus) / Vragenlijst Dagelijks Functioneren HAQ-DI / VDF): De HAQ-DI kan niet worden aanbevolen om de ADL-zelfstandigheid van zorgvragers vast te stellen.

Beschrijving van het instrument; Doel/achtergrond

De Nederlandse consensus Health Assessment Questionnaire Disability Index (HAQ-DI) is een door de zorgvrager zelf in te vullen vragenlijst, die het uitvoeren van ADL meet. Oorspronkelijk baseert deze versie zich op de Engelstalige Health Assessment Questionnaire (HAQ) ontwikkeld door Fries, Spitz, Kraines, en Holman (1980) voor mensen met artritis. Deze versie is later naar het Nederlands vertaald door van der Heijde, van Riel, en van de Putte (1990). Uiteindelijk is er met behulp van consensus besloten om deze vragenlijst en drie bestaande vergelijkbare vragenlijsten samen te voeren tot de HAQ-DI . De HAQ-DI bestaat in totaal uit 3 categorieën:

  1. Activiteiten (8 onderdelen, 20 items): (1) Aankleden en verzorging: 2 items (2) Opstaan: 2 items, (3) Eten: 4 items, (4) Lopen: 2 items, (5) Hygiëne: 3 items, (6) Reiken: 2 items, (7) Grijpkracht: 3 items, (8) Activiteiten: 3 items,
  2. Hulpmiddelen (15 items),
  3. Hulp van anderen (8 items)

De versie van de HAQ-DI van Boers en collega’s is de versie die in deze aanbeveling besproken wordt . Een overzicht van alle voorafgaande versies en verdere modificaties is te vinden in het toelichtingsformulier van de HAQ-DI in de database: Meetinstrumentenindezorg.nl.

Afname

In categorie I (Activiteiten) beoordeelt de zorgvrager de moeite die het heeft gekost om bepaalde activiteiten uit te voeren op basis van de uitgevoerde activiteiten in de afgelopen week. In deze categorie vult de zorgvrager de mate van moeite in op basis van een 4 punts-schaal (0=zonder enige moeite, 1= met enige moeite, 2=met veel moeite, 3=Onmogelijk uit te voeren). In categorie II (hulpmiddelen) kruist de zorgvrager de hulpmiddelen aan die hij/zij gewoonlijk gebruikt bij de uitvoering van bepaalde activiteiten. Hierbij wordt het totaalaantal gebruikte hulpmiddelen gedeeld door het aantal mogelijke hulpmiddelen om een score te berekenen. Het gebruik van hulpmiddelen heeft uiteindelijk mogelijke gevolgen voor de scores van categorie I: Bij gebruik van een hulpmiddel voor een activiteit wordt de score van de desbetreffende activiteit verhoogd tot 2 (met veel moeite). Wanneer de betreffende activiteit al met 2 of 3 gescoord is, blijft deze onveranderd. Dezelfde principes gelden voor categorie III: Hulp van anderen. De totaalscore wordt berekend door alle scores bij elkaar op te tellen en door het aantal ingevulde activiteiten te delen. Hiervoor moeten minimaal 6 van de 8 activiteiten zijn ingevuld.

Afnameduur

Er is geen informatie gevonden voor de afnameduur van de HAQ-DI.

Verkrijgbaarheid

De HAQ-DI is verkrijgbaar op de website meetinstrumentenindezorg.nl: https://meetinstrumentenzorg.nl/wp-content/uploads/instrumenten/HAQ-DI-meetinstr.pdf

Onderbouwing

Voor deze uitgangsvraag is uitsluitend gekeken naar de eigenschappen van de HAQ-DI als meetinstrument om de mate van ADL-zelfstandigheid in kaart te brengen. De studie van Cuperus, Mahler, Vliet Vlieland, Hoogeboom, en van den Ende (2015) werd geïdentificeerd als studie die informatie bevat over de psychometrische eigenschappen van de HAQ-DI versie van . In deze studie is de HAQ-DI getest bij mensen met artritis. Echter is de correctie in de scoring voor het gebruik van hulpmiddelen in deze studie niet toegepast .

Validiteit

Inhoudsvaliditieit: De inhoudsvaliditeit van de HAQ-DI werd door Cuperus et al. (2015) bepaald door de HAQ-DI te vergelijken met de ICF codes. Hierbij werd de inhoudsvaliditeit arbitrair als goed beschouwd wanneer alle 10 ICF-activiteiten gedekt waren door de HAQ-DI. Zij kwamen tot de conclusie dat zeven van de tien ICF-codes die de meest relevante beperkingen in activiteiten meten, gedekt werden door de HAQ-DI-items bij mensen met artritis. Activiteiten die niet werden gedekt waren lichaamshouding, recreatie en autorijden. Aanvullend is door Cuperus et al. (2015) de inhoudsvaliditeit bepaald door zorgverleners (n=17) een inschatting te laten maken van de relevantie van de items voor zorgvragers met artritis. Items werden als niet relevant beschouwd wanneer gezondheidswerkers verwachtten dat items moeilijk uit te voeren waren voor ≤50% van de zorgvragers. Uiteindelijk achtten zorgverleners negen items van de HAQ-DI relevant voor ≤50% van de zorgvragers met artritis, en 11 items als relevant voor >50% van de zorgvragers met artritis. De minst relevante items waren het optillen van een beker naar de mond, het wassen van haar, het wassen van het lichaam en het openen van autodeuren. Belangrijke activiteiten die vaak beperkt zijn bij zorgvragers met artritis werden niet beoordeeld door de HAQ-DI. Op basis van deze resultaten lijkt de mate van inhoudsvaliditeit van de HAQ-DI twijfelachtig.

Constructvaliditeit: De constructvaliditeit van de HAQ-DI is bepaald door vooraf gedefinieerde hypotheses over de verwachte samenhang tussen de HAQ-DI-scores en van gerelateerde en nietgerelateerde maten te bepalen. Cuperus et al. (2015) beschouwen responsiviteit als een maat voor longitudinale validiteit. Om deze reden is de responsiviteit van de HAQ-DI onder meer bepaald door vooraf bepaalde hypotheses te testen aan de hand van veranderingsscores. Negen van de tien hypotheses konden worden bevestigd. De samenhang tussen de HAQ-DI-scores en het EQ-5D was uiteindelijk lager dan verwacht met een Spearman brown coëfficiënt van 0,23. Er is dus sprake van een goede mate van constructvaliditeit van de HAQ-DI voor de afname bij mensen met artritis.

Betrouwbaarheid

Interne consistentie

In Cuperus et al. (2015) is een confirmatory factor analyse uitgevoerd om de interne consistentie van de HAQ-DI te bepalen. De COSMIN-criteria voor goede interne consistentie beschouwen een Cronbach’s alfa waarde van ≥ 0.70 als goed, mits er evidence is voor interne consistentie (Mokkink et al., 2018). Deze CFA voldeed in eerste instantie niet aan de vooraf vastgestelde fit-criteria. Met een aangepast model is uiteindelijk een goede fit vastgesteld met de gegevens: RMSEA = 0.057, CFI = 0.98 en 2/df ratio = 1.48. Cronbach’s a was 0,90 (ondergrens van het 95% CI 0,88), wat duidt op een goede interne consistentie. De Test-hertestbetrouwbaarheid werd door Cuperus et al. (2015) conform de COSMIN criteria als voldoende beschouwd bij een intraclass correlatie coëfficiënt (ICC) van ≥0,70 (Mokkink et al., 2018). De ICC (2,1) was 0,81 (95% CI 0,71, 0,88), wat wijst op een goede betrouwbaarheid van HAQ-DI voor de afname bij mensen met artritis. De BlandAltman plot toonde een gemiddeld verschil van 0,05 (95% CI 0,03, 0,13) tussen baseline en follow-up en de grenzen van overeenstemming varieerden van 0,54 tot 0,65 punten. De Smallest detectable change (SDC) bedroeg 0,60 punten. Dit duidt op een goede mate van betrouwbaarheid van de HAQ-DI voor de afname bij mensen met artritis.

Responsiviteit

Door Cuperus et al. (2015) zijn in het kader van de responsiviteitsanalyse twee hypothesen geformuleerd over de grootte van de “Area under the curve” (AUC’s). Responsiviteit werd als positief beschouwd indien >75% van de hypothesen werden bevestigd. Vier van de 10 hypothesen (40%) omtrent de responsiviteit van de HAQ-DI werden bevestigd. De hypotheses m.b.t. de AUC’s zijn niet bevestigd door . Er is dus sprake van beperkte responsiviteit van HAQ-Di in de afname bij mensen met artritis.

Interpreteerbaarheid

Interpreteerbaarheid is de mate waarin men in de praktijk betekenis kan geven aan de scores of de verandering hiervan . Interpreteerbaarheid wordt in de COSMIN niet geschaald onder de psychometrische eigenschappen meetinstrumenten, maar wel gezien als belangrijk kenmerk van het instrument.

Vloer- en plafondeffecten: Cuperus et al. (2015) beoordeelden de aanwezigheid van vloer- en plafondeffecten op baseline voor elke HAQ-DI categorie. Vloer- en plafondeffecten werden als aanwezig beschouwd wanneer bij meer dan >15% van de best of de slechts mogelijke score geobserveerd werd. Cuperus et al. (2015) beschrijven plafondeffecten in de categorieën eten, aankleden en grijpen, en een vloereffect in de categorie hygiëne. Plafondeffecten suggereren dat de HAQ-DI activiteiten meet die ofwel niet relevant zijn of te gemakkelijk uit te voeren zijn voor mensen met artritis.

MIC’s: De MIC scores zijn door Cuperus et al. (2015) bepaalt met behulp van de ‘anchor-based methode’. De MIC voor verbetering was 0,25 punten, wat erop duidt dat belangrijke veranderingen niet kunnen worden onderscheiden van meetfouten. De HAQ-DI lijkt daarom niet geschikt voor het monitoren van zorgvragers met artritis in de dagelijkse klinische praktijk.

Conclusie