De onderstaande aanbevelingen zijn geformuleerd voor module 3.

Deze zijn onderverdeeld in:

DOEN

Begin bij het eerste (telefonische) contact met de opbouw van een vertrouwensrelatie met de patiënt en onderhoudt deze gedurende de behandeling ten behoeve van de therapietrouw en eventueel brononderzoek.

DOEN

Houd binnen 1 week na de diagnose een intake met de persoon waarbij een TBI is vastgesteld om informatie te verstrekken over TBI, de therapiekeuze, de duur van de TPT, bijwerkingen van de medicatie, eventueel brononderzoek en informed consent i.v.m. registratie. Zie voor gedetailleerde informatie over informed consent en de eisen die aan de voorlichting worden gesteld module 5.

DOEN

Bepaal tijdens de anamnese en gedurende de behandeling, op basis van de risicotaxatie middels de herziene VAL (module 1) de frequentie en aard van de verpleegkundige begeleiding.

DOEN

Controleer bij de start van de TPT de voorgeschreven en verstrekte medicatie. Indien daarbij onregelmatigheden worden opgemerkt, overleg dan met de (behandelend) arts of apotheker.

DOEN

Neem twee weken na de start van de behandeling contact op met de persoon die behandeld wordt voor een TBI om het begrip van tuberculose en TBI, medicijn-inname, eventuele bijwerkingen te evalueren en indien nodig actie te ondernemen.

DOEN

Schakel tijdens consulten met de persoon die behandeld wordt voor een TBI een professionele tolk in, indien de taalbarrière het verlenen van adequate zorg in de weg staat.

OVERWEEG

Zet bij gesignaleerde problemen in de medicatie-inname, in het bijzonder bij personen met een verhoogd risico op ziekte (kinderen, immuungecompromitteerden) aanvullende interventies in om therapietrouw te bevorderen. Maak daarbij gebruik van interventies zoals aanbevolen voor de behandeling van tuberculose in module 2.

Figuur 2. Overzicht minimale verpleegkundige begeleiding bij een TBI (3 contactmomenten)